1/173
Biologie E3 Vierde Jaar Alle Definities
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Interspecifieke interacties
Interacties tussen individuen van verschillende soorten.
Intraspecifieke interacties
Interacties tussen individuen van de eigen soort.
Symbioses
Langdurige interacties waarbij minstens één soort voordeel ervaart.
Predatie
Relatie waarbij een predator een levende prooi aanvalt.
Grazers
Dieren die levende planten gebruiken als voeding.
Echte predatoren
Dieren die actief jagen op prooien (roofdieren).
Parasitoïsme
Predatie waarbij de gastheer uiteindelijk sterft.
Parasitisme
Langdurige interactie waarbij de gastheer blijft leven.
Symbiose
Interactie tussen verschillende soorten met minstens één voordeel.
Amensalisme
Eén soort wordt gehinderd, de ander ervaart niets.
Antibiose
Ontwikkeling van ander organisme verhinderen via toxines.
Interspecifieke competitie
Strijd tussen verschillende soorten om dezelfde hulpbronnen.
Mutualisme
Symbiose waarbij beide soorten voordeel ondervinden.
Symbiosevorm
Specifieke manier van langdurig samenleven tussen soorten.
Overleven
Het in stand houden van het individuele leven.
Vrijblijvend
Mutualisme waarbij soorten ook zonder elkaar kunnen.
Coöperatie
Samenwerking tussen individuen voor een gemeenschappelijk voordeel.
Commensalisme
Eén soort heeft voordeel, de ander is neutraal.
Intraspecifieke concurrentie
Strijd tussen soortgenoten om dezelfde hulpbronnen.
Directe intraspecifieke concurrentie
Fysieke confrontatie tussen soortgenoten om hulpbronnen.
Indirecte intraspecifieke concurrentie
Beconcurreren zonder direct fysiek contact.
Aangeboren gedrag / nature
Gedrag dat al bij de geboorte aanwezig is.
Aangeleerd gedrag / nurture
Gedrag dat ontstaat door leerprocessen uit de omgeving.
Instinct
Soortspecifiek, onvrijwillig gedrag dat genetisch is vastgelegd.
Reflex
Automatische, onvrijwillige reactie op een specifieke prikkel.
Associatief leren
Een nieuwe reactie koppelen aan een prikkel.
Klassieke conditionering
Leren waarbij een neutrale prikkel reactie uitlokt.
Geconditioneerde prikkel
Prikkel die na leerproces een specifieke reactie oproept.
Gewenning
Prikkel lokt na herhaling geen reactie meer uit.
Inprenting
Leerproces dat enkel in de vroege levensfase plaatsvindt.
Oefenen en herhalen
Blijven uitvoeren van handelingen om ze aan te leren.
Inzicht
Nieuw gedrag ontwikkelen door begrijpen van situaties.
Proefondervindelijk leren (trial-and-error)
Leren door dingen uit te proberen (vallen en opstaan).
Imitatie
Gedrag aanleren door een ander organisme na te bootsen.
Ontvanger
Organisme dat een boodschap waarneemt.
Zender
Organisme dat een informatiesignaal verstuurt.
Visuele signalen
Communicatie via uiterlijk, kleur of beweging.
Akoestische signalen / auditieve
Communicatie via geluidstrillingen.
Chemische signalen
Communicatie via hormonen of feromonen.
Tactiele signalen
Communicatie via lichamelijk contact.
Sensitieve signalen
Andere term voor tactiele communicatie via aanraking.
Elektrische signalen
Communicatie via elektrische impulsen (vooral in water).
Waarschuwen
Soortgenoten informeren over naderend gevaar.
Afbakenen
Markeren van een eigen territorium.
Jongen terugvinden
Identificeren van nakomelingen via unieke signalen.
Doorgeven van informatie
Communiceren over voedselbronnen of omgeving.
Paarbereidheid or partnerkeuze
Signaleren dat men klaar is voor voortplanting.
Doorgeven van cultuur en kennis
Informatieoverdracht op de lange termijn.
Biodiversiteit
Verscheidenheid in organismen, biotopen en genen.
DNA
Dubbele helix die alle erfelijke informatie bevat.
Genen
Stukjes DNA verantwoordelijk voor specifieke eigenschappen.
Nieuwe eigenschappen
Kenmerken door nieuwe combinaties of mutaties.
Nieuwe combinatie
Mix van genen van beide ouders bij voortplanting.
Mutatie
Toevallige verandering in het DNA.
Nieuwe soort
Groep die niet meer vruchtbaar kan paren.
Evolutie
Proces waarbij over lange tijd nieuwe soorten ontstaan.
Classificeren
Organismen met gemeenschappelijke eigenschappen in groepen plaatsen.
Gemeenschappelijke eigenschappen
Kenmerken die groepen organismen met elkaar delen.
Prokaryoten
Eencelligen zonder celkern of inwendige membranen.
Eukaryoten
Cellen met celkern en organellen.
Twee domeinen
Oude indeling op basis van celkern-aanwezigheid.
Drie domeinen
Moderne indeling: Bacteriën, Archaea en Eukaryoten.
Geen eigen stofwisseling
Viruskenmerk: neemt geen voeding op, geeft geen afval af.
Niet zelfstandig
Virussen hebben een gastheer nodig voor voortplanting.
Groeien niet
Virussen voegen na vorming geen structuren toe.
Geen celmembraan
Virussen zijn geen cellen en missen deze begrenzing.
Stofwisseling starten
Virussen doen dit enkel met hulp van gastheercel.
Andere organismen
Kunnen als gastheer dienen voor virussen of parasieten.
Ziek maken
Schade toebrengen aan gastheer door micro-organismen.
Evolueren
Ontstaan van nieuwe varianten door genetische veranderingen.
Plasmiden
Kleine DNA-ringen in prokaryote cellen.
Cytoplasma
Vloeistof waarin de celonderdelen drijven.
Celmembraan
Regelt de stofuitwisseling met de omgeving.
Celwand
Zorgt voor stevigheid en bescherming van de cel.
Kapsel of slijmlaag
Extra beschermende buitenlaag bij sommige prokaryoten.
Zweephaar
Lang uitsteeksel voor zwemmende voortbeweging.
Pilus
Haarachtig uitsteeksel voor aanhechting of voortbeweging.
Autotrofe
Zelf energierijke organische stoffen aanmaken.
Heterotroof
Voeden met organische stoffen van andere organismen.
Aeroob
Organismen die zuurstof nodig hebben om te leven.
Anaeroob
Organismen die zonder zuurstof kunnen leven.
Ongeslachtelijk
Voortplanting uit één ouder, zonder bevruchting.
Celdeling
Proces waarbij één cel zich in tweeën splitst.
Generatietijd
Tijd nodig voor één cel om twee cellen te vormen.
Rol in de ecosystemen
Functie als producent, consument of reducent.
Biotechnologische toepassingen
Gebruik van micro-organismen ten voordele van de mens.
Vertering
Afbraak van voedsel, vaak met hulp van darmbacteriën.
Broeikaseffect
Opwarming door gassen zoals methaan (CH4) uit archaea.
Reducenten
Organismen die dood organisch materiaal afbreken tot mineralen.
Koolstof- en stikstofkingloop
Cyclus waarbij elementen door prokaryoten gerecycled worden.
Ziekteverwekkers
Micro-organismen die ziektes veroorzaken bij hun gastheer.
Probiotica
Goede bacteriën die de darmflora ondersteunen.
Voedselbederg
Ongecontroleerde groei van micro-organismen op voedingsmiddelen.
Productiemethodes van voedingsmiddelen
Gebruik van fermentatie voor producten als yoghurt.
Genetisch gemodificeerd
DNA aanpassen om gewenste stoffen te produceren.
RNA
Mogelijk genetisch materiaal in bepaalde virussen.
Eiwitmantel of capside
Structuur die het genetisch materiaal van virussen beschermt.
Spike-eiwitten of spikes
Uitsteeksels voor aanhechting op gastheercellen.
Enveloppe
Extra vetmembraan aan de buitenkant van sommige virussen.
Receptor-eiwit
Eiwit op gastheercel waar virale spikes op binden.