Biologie E3 Vierde Jaar Alle Definities

5.0(1)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/173

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Biologie E3 Vierde Jaar Alle Definities

Last updated 9:12 AM on 6/21/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

174 Terms

1
New cards

Interspecifieke interacties

Interacties tussen individuen van verschillende soorten.

2
New cards

Intraspecifieke interacties

Interacties tussen individuen van de eigen soort.

3
New cards

Symbioses

Langdurige interacties waarbij minstens één soort voordeel ervaart.

4
New cards

Predatie

Relatie waarbij een predator een levende prooi aanvalt.

5
New cards

Grazers

Dieren die levende planten gebruiken als voeding.

6
New cards

Echte predatoren

Dieren die actief jagen op prooien (roofdieren).

7
New cards

Parasitoïsme

Predatie waarbij de gastheer uiteindelijk sterft.

8
New cards

Parasitisme

Langdurige interactie waarbij de gastheer blijft leven.

9
New cards

Symbiose

Interactie tussen verschillende soorten met minstens één voordeel.

10
New cards

Amensalisme

Eén soort wordt gehinderd, de ander ervaart niets.

11
New cards

Antibiose

Ontwikkeling van ander organisme verhinderen via toxines.

12
New cards

Interspecifieke competitie

Strijd tussen verschillende soorten om dezelfde hulpbronnen.

13
New cards

Mutualisme

Symbiose waarbij beide soorten voordeel ondervinden.

14
New cards

Symbiosevorm

Specifieke manier van langdurig samenleven tussen soorten.

15
New cards

Overleven

Het in stand houden van het individuele leven.

16
New cards

Vrijblijvend

Mutualisme waarbij soorten ook zonder elkaar kunnen.

17
New cards

Coöperatie

Samenwerking tussen individuen voor een gemeenschappelijk voordeel.

18
New cards

Commensalisme

Eén soort heeft voordeel, de ander is neutraal.

19
New cards

Intraspecifieke concurrentie

Strijd tussen soortgenoten om dezelfde hulpbronnen.

20
New cards

Directe intraspecifieke concurrentie

Fysieke confrontatie tussen soortgenoten om hulpbronnen.

21
New cards

Indirecte intraspecifieke concurrentie

Beconcurreren zonder direct fysiek contact.

22
New cards

Aangeboren gedrag / nature

Gedrag dat al bij de geboorte aanwezig is.

23
New cards

Aangeleerd gedrag / nurture

Gedrag dat ontstaat door leerprocessen uit de omgeving.

24
New cards

Instinct

Soortspecifiek, onvrijwillig gedrag dat genetisch is vastgelegd.

25
New cards

Reflex

Automatische, onvrijwillige reactie op een specifieke prikkel.

26
New cards

Associatief leren

Een nieuwe reactie koppelen aan een prikkel.

27
New cards

Klassieke conditionering

Leren waarbij een neutrale prikkel reactie uitlokt.

28
New cards

Geconditioneerde prikkel

Prikkel die na leerproces een specifieke reactie oproept.

29
New cards

Gewenning

Prikkel lokt na herhaling geen reactie meer uit.

30
New cards

Inprenting

Leerproces dat enkel in de vroege levensfase plaatsvindt.

31
New cards

Oefenen en herhalen

Blijven uitvoeren van handelingen om ze aan te leren.

32
New cards

Inzicht

Nieuw gedrag ontwikkelen door begrijpen van situaties.

33
New cards

Proefondervindelijk leren (trial-and-error)

Leren door dingen uit te proberen (vallen en opstaan).

34
New cards

Imitatie

Gedrag aanleren door een ander organisme na te bootsen.

35
New cards

Ontvanger

Organisme dat een boodschap waarneemt.

36
New cards

Zender

Organisme dat een informatiesignaal verstuurt.

37
New cards

Visuele signalen

Communicatie via uiterlijk, kleur of beweging.

38
New cards

Akoestische signalen / auditieve

Communicatie via geluidstrillingen.

39
New cards

Chemische signalen

Communicatie via hormonen of feromonen.

40
New cards

Tactiele signalen

Communicatie via lichamelijk contact.

41
New cards

Sensitieve signalen

Andere term voor tactiele communicatie via aanraking.

42
New cards

Elektrische signalen

Communicatie via elektrische impulsen (vooral in water).

43
New cards

Waarschuwen

Soortgenoten informeren over naderend gevaar.

44
New cards

Afbakenen

Markeren van een eigen territorium.

45
New cards

Jongen terugvinden

Identificeren van nakomelingen via unieke signalen.

46
New cards

Doorgeven van informatie

Communiceren over voedselbronnen of omgeving.

47
New cards

Paarbereidheid or partnerkeuze

Signaleren dat men klaar is voor voortplanting.

48
New cards

Doorgeven van cultuur en kennis

Informatieoverdracht op de lange termijn.

49
New cards

Biodiversiteit

Verscheidenheid in organismen, biotopen en genen.

50
New cards

DNA

Dubbele helix die alle erfelijke informatie bevat.

51
New cards

Genen

Stukjes DNA verantwoordelijk voor specifieke eigenschappen.

52
New cards

Nieuwe eigenschappen

Kenmerken door nieuwe combinaties of mutaties.

53
New cards

Nieuwe combinatie

Mix van genen van beide ouders bij voortplanting.

54
New cards

Mutatie

Toevallige verandering in het DNA.

55
New cards

Nieuwe soort

Groep die niet meer vruchtbaar kan paren.

56
New cards

Evolutie

Proces waarbij over lange tijd nieuwe soorten ontstaan.

57
New cards

Classificeren

Organismen met gemeenschappelijke eigenschappen in groepen plaatsen.

58
New cards

Gemeenschappelijke eigenschappen

Kenmerken die groepen organismen met elkaar delen.

59
New cards

Prokaryoten

Eencelligen zonder celkern of inwendige membranen.

60
New cards

Eukaryoten

Cellen met celkern en organellen.

61
New cards

Twee domeinen

Oude indeling op basis van celkern-aanwezigheid.

62
New cards

Drie domeinen

Moderne indeling: Bacteriën, Archaea en Eukaryoten.

63
New cards

Geen eigen stofwisseling

Viruskenmerk: neemt geen voeding op, geeft geen afval af.

64
New cards

Niet zelfstandig

Virussen hebben een gastheer nodig voor voortplanting.

65
New cards

Groeien niet

Virussen voegen na vorming geen structuren toe.

66
New cards

Geen celmembraan

Virussen zijn geen cellen en missen deze begrenzing.

67
New cards

Stofwisseling starten

Virussen doen dit enkel met hulp van gastheercel.

68
New cards

Andere organismen

Kunnen als gastheer dienen voor virussen of parasieten.

69
New cards

Ziek maken

Schade toebrengen aan gastheer door micro-organismen.

70
New cards

Evolueren

Ontstaan van nieuwe varianten door genetische veranderingen.

71
New cards

Plasmiden

Kleine DNA-ringen in prokaryote cellen.

72
New cards

Cytoplasma

Vloeistof waarin de celonderdelen drijven.

73
New cards

Celmembraan

Regelt de stofuitwisseling met de omgeving.

74
New cards

Celwand

Zorgt voor stevigheid en bescherming van de cel.

75
New cards

Kapsel of slijmlaag

Extra beschermende buitenlaag bij sommige prokaryoten.

76
New cards

Zweephaar

Lang uitsteeksel voor zwemmende voortbeweging.

77
New cards

Pilus

Haarachtig uitsteeksel voor aanhechting of voortbeweging.

78
New cards

Autotrofe

Zelf energierijke organische stoffen aanmaken.

79
New cards

Heterotroof

Voeden met organische stoffen van andere organismen.

80
New cards

Aeroob

Organismen die zuurstof nodig hebben om te leven.

81
New cards

Anaeroob

Organismen die zonder zuurstof kunnen leven.

82
New cards

Ongeslachtelijk

Voortplanting uit één ouder, zonder bevruchting.

83
New cards

Celdeling

Proces waarbij één cel zich in tweeën splitst.

84
New cards

Generatietijd

Tijd nodig voor één cel om twee cellen te vormen.

85
New cards

Rol in de ecosystemen

Functie als producent, consument of reducent.

86
New cards

Biotechnologische toepassingen

Gebruik van micro-organismen ten voordele van de mens.

87
New cards

Vertering

Afbraak van voedsel, vaak met hulp van darmbacteriën.

88
New cards

Broeikaseffect

Opwarming door gassen zoals methaan (CH4) uit archaea.

89
New cards

Reducenten

Organismen die dood organisch materiaal afbreken tot mineralen.

90
New cards

Koolstof- en stikstofkingloop

Cyclus waarbij elementen door prokaryoten gerecycled worden.

91
New cards

Ziekteverwekkers

Micro-organismen die ziektes veroorzaken bij hun gastheer.

92
New cards

Probiotica

Goede bacteriën die de darmflora ondersteunen.

93
New cards

Voedselbederg

Ongecontroleerde groei van micro-organismen op voedingsmiddelen.

94
New cards

Productiemethodes van voedingsmiddelen

Gebruik van fermentatie voor producten als yoghurt.

95
New cards

Genetisch gemodificeerd

DNA aanpassen om gewenste stoffen te produceren.

96
New cards

RNA

Mogelijk genetisch materiaal in bepaalde virussen.

97
New cards

Eiwitmantel of capside

Structuur die het genetisch materiaal van virussen beschermt.

98
New cards

Spike-eiwitten of spikes

Uitsteeksels voor aanhechting op gastheercellen.

99
New cards

Enveloppe

Extra vetmembraan aan de buitenkant van sommige virussen.

100
New cards

Receptor-eiwit

Eiwit op gastheercel waar virale spikes op binden.