1/72
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
la tête
het hoofd
l’épaule
de schouder
le dos
de rug
le ventre
de buik
la jambe
het been
le genou
de knie
le pied
de voet
la main
de hand
le bras
de arm
le doigt
de vinger
le nez
de neus
la bouche
de mond
les yeux
de ogen
l’œil
het oog
l’oreille
het oor
le visage
het gezicht
le bandage
het verband
le comprimé
de pil
le corps
het lichaam
le docteur
de dokter
l’infirmier, l’infirmière
de verpleger, de verpleegster
le médicament antidouleur
de pijnstiller
la pommade
de zalf
avoir mal à
pijn hebben aan
bouger
bewegen
examiner
onderzoeken
lever
opheffen
se blesser à
zich kwetsen aan
se casser
breken
se couper
zich snijden
tousser
hoesten
à part ça
behalve dat / daarnaast
être en pleine forme
in topvorm zijn
être enrhumé
verkouden zijn
être enrhumée
verkouden zijn
être faible
zwak zijn
être fatigué
moe zijn
être fatiguée
moe zijn
le coeur
het hart
l’orteil
de teen
la dent
de tand
la gorge
de keel
la nuque
de nek
la poitrine
de borstkas
l’asthme
de astma
le rhume
de verkoudheid
la diarrhée
de diarree
l’entorse
de verstuiking, de verzwikking
la fièvre
de koorts
la grippe
de griep
déprimé
gedeprimeerd, neerslachtig
déprimée
gedeprimeerd, neerslachtig
l’hôpital
het ziekenhuis
l’ambulance
de ziekenwagen
la clinique
het ziekenhuis
la pharmacie
de apotheek
l’appareil dentaire
de (tand)beugel
le glaçon
het ijsblokje
le sparadrap
de pleister
la pastille
het tabletje
aider
helpen
appeler
roepen, opbellen
avancer
vooruitgaan
avoir le vertige
zich draaierig voelen
avoir le bras cassé
een gebroken arm hebben
battre
kloppen (van het hart)
courir
lopen, rennen
garder le lit
in bed blijven
marcher
stappen
rester
blijven
s’arrêter
stoppen
se brûler
zich verbranden
tomber
vallen