H3/ Leerpsychologie (ANDER deel 2 lang?)

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/129

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 3:26 PM on 6/5/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

130 Terms

1
New cards

Wat is operante conditionering?

Gedragsverandering door het samen voorkomen van gedrag en een prikkel (gevolg).

2
New cards

Wat is de formule voor operante conditionering?

Sd : R → Sr (discriminatieve prikkel : gedrag → bekrachtiger)

3
New cards

Wat betekent Sd in de drie-termen-contingentie?

Discriminatieve prikkel: het signaal of de situatie die aangeeft dat gedrag gevolgd zal worden door een gevolg.

4
New cards

Wat betekent R in de drie-termen-contingentie?

Response: het gedrag, bijvoorbeeld springen.

5
New cards

Wat betekent Sr in de drie-termen-contingentie?

Bekrachtiger: het gevolg dat volgt op het gedrag, bijvoorbeeld voedsel.

6
New cards

Wat is het verschil tussen klassieke en operante conditionering qua bewustzijn van gedrag?

Bij klassieke conditionering verandert het gedrag onbewust. Bij operante conditionering leert het organisme zelf actief gedrag te stellen om een gevolg te verkrijgen.

7
New cards

Wat is een Sd (discriminatieve prikkel)?

Een prikkel die aangeeft of een bepaald gedrag (R) gevolgd zal worden door een bekrachtiger (Sr); speelt een centrale rol in operante conditionering.

8
New cards

Wat betekent het descriptieve/procedurele perspectief op Sd?

Sd onderscheidt situaties waarin gedrag gevolgd wordt door een Sr van situaties waarin dat niet zo is; het kan gaan om één prikkel, een reeks prikkels of een klasse.

9
New cards

Wat betekent het functionele perspectief op Sd?

Sd heeft een effect op gedrag omdat het bestaan van een R-Sr-relatie wordt aangeduid; gedrag komt vaker voor na de Sd.

10
New cards

Wat is een functionele stimulusklasse?

Een groep prikkels die dezelfde Sd-functie hebben, bijvoorbeeld alle rode objecten die hetzelfde gedrag aankondigen.

11
New cards

Wat betekent stimuluscontrole in therapie?

Gedrag onder controle brengen van nuttige Sd's zodat functioneel gedrag wordt uitgelokt

12
New cards

Wat is een Sr (bekrachtiger/resultaat)?

De Sr is het resultaat of de reinforcer; het gaat over de uitkomst van gedrag.

13
New cards

Wat kan een Sr beschrijven volgens het descriptief/procedureel perspectief?

Eén prikkel (bv. een voedselbrokje) Reeks prikkels (bv. 10 brokjes, 1 per minuut) Klasse van prikkels (bv. rode brokjes)

14
New cards

Wat is het doel van therapie met betrekking tot Sr's?

Inzicht krijgen in de gevolgen van gedrag (Sr's) om gedragsverandering te stimuleren.

15
New cards

Wat is de belangrijke therapeutische vraag bij het werken met Sr's?

Hoe zorg ik ervoor dat negatieve gevolgen invloed krijgen op gedrag, zodat gedragsverandering mogelijk wordt?

16
New cards

Wat is operant gedrag (R)?

Gedrag dat een invloed heeft op de omgeving en waarvan de gevolgen een rol spelen.

17
New cards

Wat is het A-B-C-schema in gedragstherapie?

Een schema om probleemgedrag te analyseren: A = Antecedent (wat gebeurt er vlak vóór?) B = Behavior (het gedrag zelf) C = Consequent (wat gebeurt er net na het gedrag?)

18
New cards

Wat is een bekrachtiger?

Een prikkel die - als gevolg op gedrag - leidt tot een toename in de frequentie van dat gedrag.

19
New cards

Wat is een straf?

Een prikkel die - als gevolg op gedrag - leidt tot een afname in de frequentie van dat gedrag.

20
New cards

Wat was Skinners visie op gedrag en maatschappij?

Principes van operante conditionering kunnen gebruikt worden om de maatschappij ten goede te laten evolueren.

21
New cards

Wat is vermijdingsleren (bekrachtiging)?

Gedrag neemt toe in frequentie omdat het voorkomt dat een negatieve prikkel optreedt — dus het vermijdt iets onaangenaams.

22
New cards

Waarom kan vermijdingsgedrag problematisch zijn op lange termijn?

Het houdt gedrag in stand en kan leiden tot stoornissen zoals angststoornissen.

23
New cards

Wat is het doel van exposure met responspreventie?

Leren dat vermijding niet nodig is en dat de verwachte negatieve uitkomst vaak niet optreedt.

24
New cards

Wat is ontsnappingsgedrag (bekrachtiging)?

Een gedrag neemt toe in frequentie omdat het een onaangename prikkel stopt.

25
New cards

Wat is het verschil tussen vermijding en ontsnapping?

Vermijding voorkomt iets onaangenaams, ontsnapping beëindigt iets dat al onaangenaam aanwezig is.

26
New cards

Waarom is ontsnappingsgedrag therapeutisch relevant?

Het versterkt zichzelf zoals vermijding, en houdt vaak problematisch gedrag in stand.

27
New cards

Wat is sensory reinforcement?

Een vorm van bekrachtiging waarbij gedrag toeneemt door zintuiglijke input in plaats van materiële beloning.

28
New cards

Wat functioneert als bekrachtiger bij sensory reinforcement?

Zintuiglijke prikkels zoals licht, geluid en beweging, zolang gedrag daardoor toeneemt.

29
New cards

Wanneer is conditionering sterker?

Als de Sd of Sr intenser en relevanter is.

30
New cards

Wat is een voorbeeld van een intense Sd?

Een fel lampje is een sterker signaal dan een zacht lampje.

31
New cards

Wat is een voorbeeld van een intense Sr (straf)?

Een harde schok beïnvloedt gedrag meer dan een milde schok.

32
New cards

Wat is het risico van geleidelijke opbouw van strafintensiteit?

Ervaring met milde straffen kan immuniseren tegen intensere straf → gedrag verandert niet.

33
New cards

Wat leert straf mensen niet?

Wat ze wél moeten doen — daarom is bekrachtiging van gewenst gedrag effectiever.

34
New cards

Wat houdt modeling van agressie in?

Mensen leren agressief gedrag door observatie, vooral als straf fysiek of vernederend is.

35
New cards

Wat toont het voorbeeld met de stekelbaarzen aan over de relatie tussen R en Sr?

De effectiviteit van een bekrachtiger hangt af van het specifieke gedrag dat eraan voorafgaat. Ring zwemmen → vrouwtje (R1-Sr2) werkt beter dan R1-Sr1; staaf bijten → mannetje (R2-Sr1) werkt beter dan R2-Sr2.

36
New cards

Waarom vergt drukken op een hendel om een schok te vermijden meer conditionering?

Het is minder intuïtief gedrag en vraagt dus meer training.

37
New cards

Wat is Premack's inzicht over bekrachtigers?

Een bekrachtiger is gedrag, niet de prikkel zelf (bijvoorbeeld "eten" als gedrag).

38
New cards

Op welke twee inzichten baseert Premack zich?

Gedragingen verschillen in natuurlijke frequentie Een waarschijnlijker gedrag kan een minder waarschijnlijk gedrag bekrachtigen

39
New cards

Geef een voorbeeld van Premack's principe.

Kans op eten (hoogfrequent gedrag) afhankelijk maken van hendel duwen (laagfrequent gedrag) → duwen wordt bekrachtigd.

40
New cards

Wat betekent het grootmoederprincipe bij Premack?

"""Je mag op de tablet als je huiswerk hebt gemaakt"" → hoogfrequent gedrag bekrachtigt laagfrequent gedrag."

41
New cards

Wat is het verschil tussen de klassieke visie en Premack's visie op bekrachtiging?

Klassiek: beloon met snoep Premack: laat iemand iets doen wat ze liever doen na iets minder gewilds.

42
New cards

Wat is de kernidee van het responsdeprivatiemodel?

Gedrag dat beperkt wordt onder het gewenste niveau kan functioneren als bekrachtiger.

43
New cards

Wat is een voorwaarde voor het responsdeprivatiemodel?

De situationele frequentie moet lager zijn dan de natuurlijke frequentie.

44
New cards

Wat toonde het onderzoek van Allison & Timberlake (1974) aan?

Als de toegang tot een voorkeurssmaak (A) beperkt wordt, kan een minder aantrekkelijke smaak (B) toch als bekrachtiger werken.

45
New cards

Wat bepaalt of een Sr bekrachtigend is volgens het Premack-principe?

Het gedrag dat eraan voorafgaat — bijv. tabletgebruik is pas bekrachtigend na huiswerk maken.

46
New cards

Wat benadrukt het responsdeprivatiemodel over de context?

Zelfs bij hetzelfde gedrag bepaalt de toegang die je hebt gehad (situatie) of het bekrachtigend werkt.

47
New cards

Wat is de klinische relevantie van Sr-revaluatie?

Sr's zijn niet statisch; hun waarde kan veranderen, wat gedrag vermindert (bv. beloning → schaamte → minder gedrag).

48
New cards

Wat is het verschil tussen willekeurig en onwillekeurig gedrag qua aansturing?

Willekeurig gedrag = somatisch zenuwstelsel → bewuste aansturing Onwillekeurig gedrag = autonoom zenuwstelsel → onbewust

49
New cards

Wat is een toepassing van onrechtstreekse controle over autonome reacties?

Relaxatietraining bij angststoornissen, paniekaanvallen, stress, slaapklachten.

50
New cards

Wat bewijst het rattenexperiment over autonome controle?

Dat autonome reacties zoals hartslag ook rechtstreeks beïnvloed kunnen worden via beloning.

51
New cards

Wat is biofeedback?

Een toepassing waarbij je bewuste feedback krijgt over autonome functies zoals hartslag, bloeddruk of EEG-activiteit.

52
New cards

Welke aspecten van gedrag kunnen veranderen door bekrachtiging (Sr)?

Frequentie (hoe vaak) Kracht (hoe intens) Variabiliteit (hoe voorspelbaar of afwisselend)

53
New cards

Wat toont onderzoek van Neuringer (2002) aan over belonen van variatie?

Dat organismen méér variatie gaan tonen in hun gedrag als je variatie zelf beloont.

54
New cards

Wat is shaping?

Geleidelijk gedrag veranderen door steeds selectiever te belonen; van breed naar specifiek gedrag.

55
New cards

Wat toont shaping aan over bekrachtiging?

Dat bekrachtiging verfijnd, creatief gedrag kan opleveren — afhankelijk van hoe je het inzet.

56
New cards

Waarom werkt shaping effectief voor nieuw gedrag?

Omdat je kleine gedragsverschillen benut en systematisch gedrag geleidelijk vormt via bekrachtiging.

57
New cards

Wat is contingentiebewustzijn?

De mate waarin iemand zich bewust is van het verband tussen gedrag (G) en bekrachtiging (beloning/versterking).

58
New cards

Wat is onbewuste operante conditionering (verbal conditioning)?

Gedrag verandert zonder dat de persoon zich bewust is van de contingentie.

59
New cards

Wat is DRO (Differential Reinforcement of Other behavior)?

Bekrachtig gedrag dat incompatibel is met ongewenst gedrag, in plaats van straf toe te passen.

60
New cards

Waarom wordt DRO gebruikt?

Omdat het handig is als de oorzaak van probleemgedrag onduidelijk of moeilijk direct aan te pakken is.

61
New cards

Wat is het Differential Outcomes Effect (DOE)?

Unieke uitkomsten versterken het leerproces doordat elke stimulus-responsrelatie een specifieke, voorspelbare bekrachtiger heeft.

62
New cards

Wat is het voordeel van unieke Sr's t.o.v. generieke Sr's?

Unieke Sr's leiden tot sneller leren en betere prestaties.

63
New cards

Wat is een Non-Differential Outcomes Procedure?

Elke stimulus kan leiden tot meerdere uitkomsten, wat zorgt voor minder voorspelbaarheid en slechter leren.

64
New cards

Wat is een Sr-vormende ingreep (EO)?

Een contextuele factor die bepaalt in welke mate een bekrachtiger aantrekkelijk en dus effectief is.

65
New cards

Wat doet een Sr-vormende ingreep met een bekrachtiger?

Verandert de bekrachtigingswaarde: maakt iets aantrekkelijker (↑) of minder aantrekkelijk (↓).

66
New cards

Wat is contingentie in operante conditionering?

De mate waarin een bekrachtiger (Sr) afhankelijk is van gedrag (R).

67
New cards

Wat toont het onderzoek van Hammond (1980) aan?

Contingentie beïnvloedt gedrag sterker dan frequentie of nabijheid.

68
New cards

Waarom is lage contingentie problematisch bij gedragstraining?

Als beloning ook komt zonder gewenst gedrag, daalt de effectiviteit van de bekrachtiging.

69
New cards

Wat is het verschil tussen contingentie en contiguïteit?

Contingentie = verband tussen gedrag en gevolg, contiguïteit = nabijheid in tijd.

70
New cards

Wat is continue bekrachtiging?

Elke respons wordt gevolgd door een bekrachtiger → snelle aanleerfase, maar ook snelle uitdoving.

71
New cards

Wat is partiële (intermitterende) bekrachtiging?

Responsen worden soms gevolgd door een bekrachtiger → gedrag is resistenter tegen uitdoving.

72
New cards

Wat is een Fixed Ratio (FR) schema?

Gedrag wordt bekrachtigd na een vast aantal responsen.

73
New cards

Wat is een typisch gedragspatroon bij FR-schema's?

Post-reinforcement pause: gedrag neemt kort af na bekrachtiging.

74
New cards

Wat is een Variabele Ratio (VR) schema?

Gedrag wordt bekrachtigd na een gemiddeld aantal responsen; exact aantal is onvoorspelbaar.Bv. gokautomaten: soms winst na 1 munt, soms na 5, soms na 10.

75
New cards

Wat is een typisch gedragspatroon bij VR-schema's?

Geen post-reinforcement pause; mensen reageren constant.

76
New cards

Wat is het effect van VR-schema's op gedrag?

Zeer hoge weerstand tegen uitdoving (extinctie).

77
New cards

Wat is een Fixed Interval Schema (FI)?

De eerste respons na een vast tijdsinterval wordt bekrachtigd.

78
New cards

Wat is een typisch gedragspatroon bij FI-schema's?

Post-reinforcement pause gevolgd door geleidelijke toename in gedrag naarmate het interval nadert.

79
New cards

Wat is het effect van gedrag vóór het interval bij FI?

Geen effect — enkel de eerste respons ná het interval telt.

80
New cards

Wat is een Variabel Interval Schema (VI)?

De eerste respons ná een onvoorspelbaar tijdsinterval wordt bekrachtigd.

81
New cards

Wat is een typisch gedragspatroon bij VI-schema's?

Stabiele, regelmatige respons zonder duidelijke pauzes.

82
New cards

Welk schema is het meest resistent tegen uitdoving?

Variabel Interval (VI) → door onvoorspelbaarheid blijft gedrag aanhouden.

83
New cards

Welk type bekrachtigingsschema geeft het meest stabiele gedrag?

Variabele schema's (zoals VR of VI) → constanter gedrag, bijna rechte lijn zonder pauzes.

84
New cards

Welke schema's geven gemiddeld meer gedrag: ratio- of intervalschema's?

Ratio-schema's → bekrachtiging hangt af van gedrag zelf, niet van tijd.

85
New cards

Rangschik de responssterkte van schema's (van sterk naar zwak).

VR - snel, stabiel, moeilijk te doven FR - snel, met pauzes VI - matig stabiel FI - traag, met duidelijke pauzes

86
New cards

Hoe werkt stimuluscontrole in gedragstraining?

Gedrag vindt alleen plaats in aanwezigheid van de juiste Sd (discriminatieve stimulus).

87
New cards

Hoe toont de Skinner-box met twee keuzetoetsen keuzegedrag aan?

Duiven kiezen vaker voor de toets met het schema dat meer bekrachtiging oplevert.

88
New cards

Wat zijn 'concurrent schedules'?

Twee of meer gedragsopties met elk een eigen bekrachtigingsschema.

89
New cards

Wat is de kern van het Matching Law?

Gedrag wordt verdeeld in verhouding tot hoeveel bekrachtiging elke optie oplevert.

90
New cards

Wat is een uitbreiding van het Matching Law volgens behavioral economics?

Niet enkel het aantal beloningen telt, maar ook de waarde van de beloning en de wachttijd tot de bekrachtiging.

91
New cards

Wat is een belangrijke nuance bij het interpreteren van de marshmallowtest?

Het resultaat zegt niet alleen iets over wilskracht, maar ook over context en betrouwbaarheid van de omgeving.

92
New cards

Wat bleek uit het experiment van Rachlin & Green?

Duiven konden leren om te wachten op de grotere, uitgestelde beloning.

93
New cards

Wat is secundaire bekrachtiging?

Gedrag wordt beïnvloed door prikkels die indirect gekoppeld zijn aan primaire behoeften.

94
New cards

Wat is het verschil tussen primaire en secundaire bekrachtigers?

Primaire bekrachtigers = voldoen aan biologische behoeften Secundaire bekrachtigers = prikkels die toegang geven tot primaire bekrachtigers

95
New cards

Wat is geconditioneerde bekrachtiging?

Een neutrale prikkel (bv. toon) wordt bekrachtigend door herhaaldelijke koppeling met een primaire bekrachtiger.

96
New cards

Wat zijn token reinforcers?

Symbolische beloningen zoals geld die gebruikt kunnen worden om andere (primaire) bekrachtigers te verkrijgen.

97
New cards

Wat is symbolische bekrachtiging?

Bekrachtigers zoals complimenten of likes die niet biologisch of door conditionering werken, maar staan voor status of erkenning.

98
New cards

Wat is een token economy?

Een systeem waarbij mensen symbolische beloningen (zoals stickers of punten) verdienen die ingewisseld kunnen worden voor echte bekrachtigers.

99
New cards

Wat is het "extinction burst"-effect?

Vlak na het stoppen van de bekrachtiger neemt gedrag kort toe (bv. rat duwt vaker), daarna daalt het gedrag.

100
New cards

Welke gedragsverandering zie je vaak tijdens een extinction burst?

Meer variatie in gedrag (bv. harder of anders duwen).