Bio: Nucleïnezuren, celcyclus en celdelingen Deel 2

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/143

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

+ beetje van deel 1

Last updated 11:17 AM on 2/22/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

144 Terms

1
New cards
2
New cards
3
New cards
4
New cards
5
New cards
Wat is de celcyclus?
Het proces waarbij een cel in omvang toeneemt (groei) en zich vervolgens deelt (celdeling).
6
New cards
Welke fasen omvat de celcyclus grofweg?
Interfase (groei en voorbereiding) en celdeling.
7
New cards
Wat is de interfase?
De periode tussen twee celdelingen waarin de cel in delingsrust is.
8
New cards
Welke fasen horen bij de interfase?
G1-fase, S-fase, G2-fase.
9
New cards
Wat gebeurt in de G1-fase?
Groei van de cel, toename cytoplasma, productie van proteïnen en nucleotiden.
10
New cards
Wat bepaalt de duur van de celcyclus?
Vooral de G1-fase.
11
New cards
Wat gebeurt in de S-fase?
DNA-replicatie: verdubbeling van het DNA om identieke dochtercellen te garanderen.
12
New cards
Welke enzymen zijn belangrijk bij DNA-replicatie?
Helicase, DNA-polymerase, primase en ligase.
13
New cards
Wat doet helicase?
Ontrolt de DNA-spiraal en verbreekt waterstofbruggen tussen basen.
14
New cards
Wat is de replicatievork?
De V-vormige structuur die ontstaat bij het uit elkaar wijken van de DNA-strengen.
15
New cards
Wat is de functie van DNA-polymerase?
Verbindt vrije nucleotiden volgens complementaire base-paring en verlengt de DNA-streng.
16
New cards
Waarom verloopt DNA-replicatie met twee snelheden?
De leidende streng wordt continu gesynthetiseerd, de volgende streng (lagging strand) in Okazaki-fragmenten.
17
New cards
Wat is een primer en welk enzym maakt deze?
Korte RNA-keten die DNA-polymerase nodig heeft om te starten; gemaakt door primase.
18
New cards
Wat doet ligase tijdens DNA-replicatie?
Verbindt de Okazaki-fragmenten op de lagging strand door fosfodiësterbindingen te vormen.
19
New cards
Waarom is DNA-replicatie semi-conservatief?
Elke nieuwe DNA-molecule bestaat voor de helft uit de oorspronkelijke streng.
20
New cards
Wat gebeurt in de G2-fase?
Controle van DNA op fouten, herstel van schade, aanmaak van histonen en verdubbeling van organellen en celmembraan.
21
New cards
Wat is de G0-fase?
Rustfase waarin cellen niet delen maar differentiëren en hun functie vervullen.
22
New cards
Welke cellen gaan nooit terug naar de G1-fase?
Definitief gedifferentieerde cellen zoals neuronen, rode bloedcellen en zaadcellen.
23
New cards
Wat zijn stamcellen?
Ongedifferentieerde lichaamscellen met blijvende delingscapaciteit.
24
New cards
Wat is mitose?
Celdeling waarbij een diploïde cel (2n) twee genetisch identieke diploïde dochtercellen (2n) produceert.
25
New cards
Wat is het verschil tussen mitose en cytokinese?
Mitose = verdeling van de kern; cytokinese = verdeling van het cytoplasma.
26
New cards
Wat gebeurt tijdens profase van de mitose?
Chromatinedraden spiraliseren tot chromosomen, kernmembraan verdwijnt, asters en spoelfiguur vormen.
27
New cards
Wat gebeurt tijdens metafase?
Chromosomen liggen in het evenaarsvlak en binden aan de trekdraden.
28
New cards
Wat gebeurt tijdens anafase?
Zusterchromatiden worden uit elkaar getrokken naar de celpolen.
29
New cards
Wat gebeurt tijdens telofase?
Chromatiden despiraliseren tot chromatinedraden, kernmembraan en nucleoli hervormen, spoelfiguur verdwijnt.
30
New cards
Wat gebeurt tijdens cytokinese?
Cel wordt ingesnoerd in het evenaarsvlak en twee dochtercellen ontstaan.
31
New cards
Wat is het belang van mitose?
Groei, herstel van weefsels, vervanging van afgestorven cellen en vermenigvuldiging bij eencelligen.
32
New cards
Welke fysische factoren beïnvloeden mitose?
Temperatuur, licht en stralingen.
33
New cards
Welke chemische factoren beïnvloeden mitose?
Mitotica (stimuleren) zoals groeihormoon, antimitotica (remmen) zoals colchicine en taxol.
34
New cards
Wat is meiose?
Celdeling waarbij uit een diploïde cel (2n) vier haploïde dochtercellen (n) ontstaan die genetisch niet-identiek zijn.
35
New cards
Wat zijn de twee opeenvolgende delingen van meiose?
Meiose I en meiose II.
36
New cards
Wat gebeurt in profase I van de meiose?
Homologe chromosomen paren, crossing-over vindt plaats bij chiasmata, spoelfiguur vormt zich.
37
New cards
Wat is een chiasma?

Plaats waar niet-zusterchromatiden van homologe chromosomen elkaar kruisen en DNA uitwisselen.

(Een chiasma (meervoud: chiasmata) is in de biologie een fysieke overkruising van twee chromatiden van homologe chromosomen tijdens de meiose (celdeling). Op deze plekken vindt genetische uitwisseling plaats, bekend als crossing-over, waardoor erfelijk materiaal wordt herschikt)

<p>Plaats waar niet-zusterchromatiden van homologe chromosomen elkaar kruisen en DNA uitwisselen.</p><p></p><p><strong>(</strong>Een <strong>chiasma</strong><span><span> (meervoud: chiasmata) is </span></span><strong><mark data-color="rgba(0, 0, 0, 0)" style="background-color: rgba(0, 0, 0, 0); color: inherit;">in de biologie een fysieke overkruising van twee chromatiden van homologe chromosomen tijdens de meiose (celdeling)</mark></strong><span><span>. Op deze plekken vindt genetische uitwisseling plaats, bekend als crossing-over, waardoor erfelijk materiaal wordt herschikt)</span></span></p>
38
New cards
Wat is het resultaat van crossing-over?
Genetische recombinatie: zusterchromatiden zijn niet langer identiek.
39
New cards
Wat gebeurt tijdens metafase I?
Homologe chromosomen liggen als paren in het evenaarsvlak.
40
New cards
Wat gebeurt tijdens anafase I?
Homologe chromosomen worden uit elkaar getrokken (disjunctie).
41
New cards
Wat gebeurt tijdens telofase I en cytokinese?
Twee haploïde dochtercellen ontstaan, elk chromosoom heeft twee zusterchromatiden.
42
New cards
Wat gebeurt in profase II van de meiose?
Chromatinedraden condenseren opnieuw, asterfiguren vormen zich, kernmembraan verdwijnt.
43
New cards
Wat gebeurt tijdens metafase II?
Chromosomen liggen willekeurig in het evenaarsvlak, trekdraden hechten aan centromeren.
44
New cards
Wat gebeurt tijdens anafase II?
Zusterchromatiden worden gescheiden naar de polen.
45
New cards
Wat gebeurt tijdens telofase II en cytokinese?
Vier haploïde dochtercellen ontstaan uit twee cellen van meiose I.
46
New cards
Waarom is meiose belangrijk?
Productie van haploïde gameten en genetische variatie via crossing-over en mixing.
47
New cards
Wat is mixing in de meiose?
Willekeurige verdeling van paternale en maternale chromosomen in gameten tijdens metafase I.
48
New cards
Hoe draagt crossing-over bij aan genetische variatie?
Het zorgt voor recombinatie, waardoor zusterchromatiden geen perfecte kopieën meer zijn.
49
New cards
Waarom is genetische variatie belangrijk voor een soort?
Het helpt de soort overleven bij veranderende leefomstandighed
50
New cards
Wat is de celcyclus?
Het proces waarbij een cel eerst in omvang toeneemt en zich daarna deelt in twee dochtercellen; bestaat uit interfase en celdeling.
51
New cards
Wat is interfase?
De fase tussen twee celdelingen waarin de cel in delingsrust is en zich voorbereidt op celdeling.
52
New cards
Uit welke fasen bestaat de interfase?
G1-fase, S-fase (synthesefase) en G2-fase.
53
New cards
Wat gebeurt er in de G1-fase?
De cel groeit door toename van cytoplasma, maakt veel proteïnen en nucleotiden aan; chromatine is aanwezig.
54
New cards
Wat bepaalt vooral de duur van de celcyclus?
De G1-fase.
55
New cards
Wat gebeurt er in de S-fase?
DNA-replicatie: verdubbeling van het DNA zodat dochtercellen identiek erfelijk materiaal krijgen.
56
New cards
Wat doet het enzym helicase tijdens DNA-replicatie?
Ontrolt de DNA-spiraal en verbreekt waterstofbruggen tussen complementaire basen, vormt de replicatievork.
57
New cards
Wat zijn de ‘leading’ en ‘lagging strand’?
Leading strand: continu gesynthetiseerd in 5’-3’ richting; lagging strand: in fragmenten (Okazaki-fragmenten) gesynthetiseerd.
58
New cards
Wat doet DNA-polymerase?
Verbindt vrije nucleotiden volgens complementaire baseparing (A-T, C-G) om nieuwe DNA-strengen te maken.
59
New cards
Waarom is een primer nodig bij DNA-replicatie?
DNA-polymerase kan niet zelf starten; primer (RNA) geeft startpunt voor verlenging door polymerase.
60
New cards
Welk enzym maakt de primer?
Primase.
61
New cards
Wat doet ligase tijdens DNA-replicatie?
Verbindt Okazaki-fragmenten op de lagging strand door fosfodiësterbindingen te vormen.
62
New cards
Wat betekent semi-conservatieve replicatie?
Elke nieuwe DNA-molecule bestaat voor de helft uit de oorspronkelijke streng.
63
New cards
Wat gebeurt er met fouten in DNA-replicatie?
DNA-polymerase leest na; grote fouten worden hersteld of leiden tot mutaties.
64
New cards
Wat gebeurt er in de G2-fase?
Controle en herstel van DNA, aanmaak van histonen, organellen en celmembraan, verdubbeling van centrosomen.
65
New cards
Wat is de G0-fase?
Rustfase waarin de cel niet deelt maar differentieert en zijn functie vervult; sommige cellen blijven permanent in G0.
66
New cards
Welke cellen blijven meestal permanent in G0?
Neuronen, rode bloedcellen, zaadcellen.
67
New cards
Wat zijn stamcellen?
Ongedifferentieerde lichaamscellen met blijvende delingscapaciteit.
68
New cards
Wat is mitose?
Celdeling waarbij een diploïde moedercel (2n) twee identieke diploïde dochtercellen (2n) maakt; voor groei en herstel.
69
New cards
Wat is meiose?
Celdeling in voortplantingsorganen waarbij uit een diploïde cel (2n) vier haploïde dochtercellen (n) ontstaan, genetisch niet-identiek.
70
New cards
Waarom is mitose belangrijk?
Voor groei, vervanging van afgestorven cellen en herstel van weefsels.
71
New cards
Waarom is meiose belangrijk?
Voor de productie van gameten met halvering van het chromosomenaantal en genetische variatie.
72
New cards
Wat gebeurt er bij bevruchting?
Twee gameten (n) smelten samen tot een zygote met diploïde chromosomen (2n).
73
New cards
Wat is mitose?
Celdeling waarbij een diploïde moedercel (2n) twee diploïde dochtercellen (2n) vormt die genetisch identiek zijn aan elkaar en aan de moedercel.
74
New cards
Wat is strikt genomen het verschil tussen mitose en cytokinese?
Mitose is de kerndeling (karyokinese); cytokinese is de splitsing van het cytoplasma.
75
New cards
Hoelang duurt mitose ongeveer?
Ongeveer één uur.
76
New cards
Wat gebeurt er in de profase van mitose?
Chromatinedraden spiraliseren en condenseren tot zichtbare chromosomen; kernmembraan en nucleoli verdwijnen; centrosomen vormen asters en spoelfiguur ontstaat.
77
New cards
Wat is een aster in de profase?
Stervormige structuur van microtubuli die uit het centriolenpaar (centrosomen) groeit.
78
New cards
Wat zijn de twee soorten spoeldraden?
Steundraden: van asters naar evenaarsvlak; trekdraden: van asters naar centromeren van chromosomen.
79
New cards
Wat gebeurt er in de metafase?
Chromosomen liggen in het evenaarsvlak, gebonden aan trekdraden; worden zichtbaar voor een karyogram.
80
New cards
Wat gebeurt er in de anafase?
Zusterchromatiden worden uit elkaar getrokken naar de celpolen door verkorting van de trekdraden; steundraden verlengen de cel.
81
New cards
Wat gebeurt er in de telofase?
Spoelfiguur verdwijnt; chromatiden despiraliseren tot chromatinedraden; kernmembraan en nucleoli vormen zich opnieuw.
82
New cards
Wat is cytokinese?
Insnijding van de cel rond het evenaarsvlak door samentrekking van een eiwitring; leidt tot twee dochtercellen met elk de helft van cytoplasma en organellen.
83
New cards
Welke fasen zijn onderdeel van de interfase?
G1-fase (eerste groeifase), S-fase (DNA-replicatie), G2-fase (tweede groeifase), G0-fase (rust / differentiatie).
84
New cards
Wat gebeurt in de G1-fase?
Groei van de cel en aanmaak van proteïnen en nucleotiden.
85
New cards
Wat gebeurt in de S-fase?
DNA-replicatie: verdubbeling van chromatinedraden.
86
New cards
Wat gebeurt in de G2-fase?
Controle van DNA en voorbereiding op mitose; aanmaak van histonen en organellen.
87
New cards
Wat gebeurt in de G0-fase?
Cellen delen niet meer; treden uit de cyclus en differentiëren om hun functie uit te voeren.
88
New cards
Wat is het resultaat van mitose + cytokinese?
Twee genetisch identieke dochtercellen, elk diploïde en identiek aan de moedercel.
89
New cards
Wat is het belang van mitose?
Mitose zorgt voor groei van meercellige organismen, vervanging van afgestorven cellen, herstel van beschadigde weefsels en vermenigvuldiging bij eencelligen/bacteriën.
90
New cards
Welke fysische factoren beïnvloeden de mitose?
Temperatuur, licht en stralingen (UV, röntgen, gamma).
91
New cards
Hoe beïnvloedt temperatuur de mitose bij hoger gewervelde dieren?
Optimum 42°C; beneden 24°C en boven 45°C verloopt mitose niet goed of stopt.
92
New cards
Hoe beïnvloedt licht de mitose bij planten?
Mitose vindt op vaste tijden plaats afhankelijk van belichtingsduur (seizoensgroei).
93
New cards
Hoe beïnvloeden stralingen de mitose?
UV, röntgen- en gammastralen kunnen celdeling doden of misvormen; kunnen kanker veroorzaken of worden gebruikt om kankercellen te bestrijden.
94
New cards
Wat zijn mitotica?
Stoffen die mitose stimuleren, zoals groeihormonen van hypofyse of thyroxine; sommige worden gebruikt in zalven voor wondheling.
95
New cards
Wat zijn antimitotica?
Stoffen die mitose remmen, zoals colchicine en taxol; blokkeren spoelfiguurvorming en worden gebruikt bij chemotherapie.
96
New cards
Waarom is thalidomide berucht in relatie tot mitose?
Het verhinderde mitose in embryonale cellen, wat leidde tot kinderen met ontbrekende of korte ledematen.
97
New cards
Wat is meiose?
Reductiedeling waarbij uit een diploïde moedercel (2n) vier haploïde dochtercellen (n) ontstaan die genetisch niet-identiek zijn.
98
New cards
Hoeveel celdelingen zijn er bij meiose en hoe heten ze?
Twee opeenvolgende delingen: meiose I en meiose II.
99
New cards
Wat gebeurt er in de interfase voorafgaand aan meiose?
Hetzelfde als bij mitose: groei, DNA-replicatie en voorbereiding op deling.
100
New cards
Wat gebeurt er in profase I van meiose?
Chromatinedraden spiraliseren en condenseren tot zichtbare 2n-chromosomen; homologe chromosomen vormen tetraden; crossing-over kan plaatsvinden; asterfiguur en spoelfiguur worden gevormd; kernmembraan en nucleoli verdwijnen.