1/18
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Continua van migratie
Migratie is geen binair fenomeen maar valt op zes assen: intern ↔ internationaal | vrijwillig ↔ gedwongen | tijdelijk ↔ permanent | legaal ↔ clandestien | hooggeschoold ↔ laaggeschoold | rijk ↔ arm
Neoklassieke macro-theorie
Migratie vloeit voort uit geografische verschillen in vraag en aanbod van arbeid. Arbeid stroomt van regio's met lage lonen naar regio's met hoge lonen, totdat er internationaal loonnevenwicht ontstaat.
Arbeidsmarkt = centrale verklarende factor
Beleidsimplicatie: vermindering van loonverschillen zou migratie doen afnemen
Neoklassieke micro-theorie
Rationele individuen maximaliseren hun nut via een kosten-batenanalyse. Ze migreren als de verwachte netto-opbrengst positief is (rekening houdend met hun human capital), en kiezen het land met de hoogste verwachte baten.
Migratie = investering in menselijk kapitaal
Verschil met macro: focus op het individu, niet op aggregate loonstromen
New Economics of Migration (NELM)
Migratiebeslissingen worden genomen door het huishouden (of bredere familie), niet door het individu. Doel is risicospreiding via meerdere inkomensbronnen, als reactie op het ontbreken van krediet- en verzekeringsmarkten.
Relatieve inkomenspositie (t.o.v. buren) telt mee, niet enkel absolute lonen
Kritiek: focus op huishouden kan conflicten binnen het gezin maskeren
Duale arbeidsmarkttheorie (Piore)
Moderne geïndustrialiseerde economieën hebben een structurele en permanente behoefte aan goedkope arbeid. De arbeidsmarkt is gesegmenteerd in een primaire sector (stabiel, kapitaalsintensief) en een secundaire sector (ongeschoold, flexibel). Migranten vullen de secundaire sector in.
Demografische trigger: wegvallen van vrouwen en jongeren uit laagstatusjobs
Migranten hebben een ander referentiekader: loon is hoog t.o.v. thuisland + tijdelijk perspectief
Wereldsysteemtheorie (Wallerstein, jaren '70–'80)
Historisch-structurele theorie: kernlanden dringen perifere regio's in een kapitalistische logica, wat lokale economieën ontwricht (land, fabrieken, grondstoffen) en interne én internationale migratie op gang brengt.
Materiële én ideologische linken spelen een rol
Bijkomend effect: inmenging van kernlanden om investeringen te beschermen → conflict → vluchtelingenstromen
Kritiek: inzicht in richting van migratie blijft ambigu
Sociale netwerk theorie
Migratienetwerken (familie, vrienden, gemeenschap in het bestemmingsland) vormen sociaal kapitaal dat de verwachte kosten verlaagt en de verwachte opbrengsten verhoogt. Eens een drempel bereikt, heeft migratie een intern momentum: kettingmigratie.
Moderne variant: sociale media fungeren als digitaal netwerk (bv. TikTok over de Darién Gap)
Institutionele theorie
Het onevenwicht tussen vraag en aanbod, grenscontroles en migratiebeleid creëren een niche voor instituties: enerzijds zwarte-marktorganisaties (smokkelaars), anderzijds humanitaire organisaties (NGO's).
Gebruik van smokkelaars neemt sterk toe naarmate migranten verder van hun thuisland komen
Theorie van cumulatieve causatie (Massey)
Eerdere migratie verandert de sociale en economische context zodanig dat verdere migratie waarschijnlijker wordt. Mechanismen:
Groeiende sociale netwerken in het bestemmingsland
Toenemende ongelijkheid in het herkomstland
Landverwerving in het herkomstland
Ontstaan van een migratiecultuur
Institutionalisering (smokkelaars, rekruteringsbureaus)
Functionalistisch paradigma
Migratie = rationele optimalisatiestrategie via kosten-batenberekening. Leidt inherent tot evenwicht. Voorbeelden: neoklassieke theorieën, NELM, netwerktheorieën Problemen: te statisch en reductionistisch, verklaart geen geografische ongelijkheden, migratie creëert nieuwe ongelijkheden (dus geen evenwicht)
Historisch-structureel paradigma
Migratie = uitkomst van structurele machtsongelijkheden die op zijn beurt ongelijkheden (re)produceert. Voorbeelden: duale arbeidsmarkttheorie, wereldsysteemtheorie Problemen: weinig ruimte voor human agency, migranten worden als passieve slachtoffers voorgesteld
Agency vs. structure
Agency: de (beperkte maar reële) mogelijkheid van mensen om onafhankelijk keuzes te maken en structuren aan te passen
Structure: factoren en instituties die ongelijkheden bestendigen en de keuzes van mensen limiteren
Zowel functionalistische als historisch-structurele theorieën slagen er niet in beide adequaat te combineren
De dichotomie 'vrijwillig' vs. 'gedwongen' migratie is een valse dichotomie: migratie ligt op een continuüm
Het Aspirations-Capabilities Framework
Migratie = altijd een functie van aspiraties én capabilities, binnen een gepercipieerde geografische opportuniteitsstructuur.
Aspiraties
Wil om te migreren:
Instrumentele aspiraties: inkomen, veiligheid
Intrinsieke aspiraties: vrijheid, avontuur, zelfontplooiing
Meer capabilities → hogere aspiraties (bv. onderwijs verhoogt kennis over buitenland)
Capabilities
Vermogen om te migreren:
Positieve vrijheid ('freedom to'): reële middelen zoals inkomen, opleiding, sociale netwerken, juridische rechten, visum
Negatieve vrijheid ('freedom from'): afwezigheid van externe beperkingen zoals grenscontroles
Soft deportation
Indirecte administratieve, sociale of economische druk waardoor mensen schijnbaar 'vrijwillig' vertrekken.
Bijkomende kritieken op bestaande theorieën
Te weinig aandacht voor herkomstgebieden ('receiving country bias')
Methodologisch nationalisme: de natiestaat als vanzelfsprekende analyse-eenheid, waardoor transnationale processen worden onderschat
Internationale en interne migratie worden ten onrechte als aparte fenomenen bestudeerd
Weinig aandacht voor vluchtelingen
Problematisch onderscheid tussen vrijwillige en gedwongen migratie