1/69
Deze begrippenlijst dekt de volledige geschiedenisstof voor de pabo toelatingstoets, van de prehistorie tot de moderne tijd, inclusief vaardigheden en de tien tijdvakken.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Historische bron
Alle overblijfselen uit het verleden die informatie geven over dat verleden, zoals voorwerpen, brieven, rekeningen en foto’s.
Standplaatsgebondenheid
Het verschijnsel waarbij de positie en ervaringen van iemand het denken en handelen bepalen, wat vaak blijkt uit de tijd, plaats en persoon die een bron heeft gemaakt.
Decennium
Een periode van 10 jaar.
Eeuw
Een periode van 100 jaar.
Continuïteit
Aspecten van het verleden die over een langere periode gelijk blijven, zoals de langdurige invloed van de kerk op het leven.
Prehistorie
De tijd waaruit geen geschreven berichten bewaard zijn; deze eindigde op wereldniveau rond 3000v.C. en in de Lage Landen rond 50v.C.
Nomadische levenswijze
Een manier van leven waarbij mensen geen vaste woonplaats hebben, maar rondtrekken en leven van wat de natuur hen biedt.
Jagers-verzamelaars
Mensen met een nomadische levenswijze die leven van de jacht en van natuurproducten zoals vruchten en wortels.
Agrarische Revolutie
De overgang van het nomadisch bestaan van jagers-verzamelaars naar een boerenbestaan met een vaste woonplek.
Bandkeramiekers
De eerste boeren in de Lage Landen (5300 tot 4900v.C.), vernoemd naar hun aardewerk dat versierd was met banden.
Hunebedbouwers
De eerste boeren boven de grote rivieren (3400 tot 2850v.C.) die grote stenen grafplaatsen bouwden.
Schrift
De ontwikkeling van deze vaardigheid, zoals vastgelegd op kleitabletten in het Nabije Oosten, markeerde het begin van de historie rond 3000v.C.
Agrarisch-stedelijke samenleving
Een samenleving waarin zowel landbouw plaatsvindt als steden bestaan, zoals bij de Grieken en de Romeinen.
Polytheïsme
Het geloof in meerdere goden, zoals Jupiter, Mars en Venus in de Romeinse tijd.
Limes
De noordgrens van het Romeinse Rijk, gevormd door de rivieren de Donau en de Rijn en een verdedigingslinie met wachttorens.
Romanisatie
Het proces waarbij de inheemse bevolking aspecten van de Romeinse cultuur overneemt, zoals schrift, geld en technologie.
Monotheïsme
Het geloof in één god, zoals in het christendom en de islam.
Constantijn de Grote
De eerste Romeinse keizer die in 313 voor het christendom koos en de vervolgingen stopte.
Missionarissen
Geestelijken zoals Willibrord en Bonifatius die naar de Lage Landen kwamen om de bevolking te bekeren tot het christendom.
Mekka
De plaats waar de islam in 622 ontstond en waar iedere gelovige indien mogelijk één keer in het leven naartoe reist.
Volksverhuizingen
De invallen van Germaanse stammen aan de noordgrens van het Romeinse Rijk vanaf 300n.C.
Karel de Grote
De vorst die in 800 keizer werd over het Frankische Rijk en zijn gebied bestuurde via het leenstelsel.
Leenstelsel
Een bestuurssysteem (feodaal stelsel) waarbij een leenheer (keizer) gebieden in leen geeft aan leenmannen of vazallen.
Hofstelsel
Een economisch systeem op grote, zelfvoorzienende landgoederen (domeinen) waar horigen werkten voor een heer.
Horigheid
De status van boeren die aan de grond van een heer gebonden zijn en diensten moeten leveren in ruil voor bescherming.
Drieslagstelsel
Een landbouwmethode waarbij grond twee jaar wordt bebouwd en één jaar braak ligt om de productie te verhogen.
Kruistochten
Legertochten uit West-Europa in de 12e en 13e eeuw om heilige plaatsen te bevrijden van mohammedanen.
Hanze
Een verbond van handelssteden in Noord-Duitsland en de noordoostelijke Lage Landen voor internationale handel.
Gilden
Verenigingen van werklieden met hetzelfde beroep in een stad, vaak om de kwaliteit te waarborgen en markten te regelen.
Stadsrechten
Voorrechten gekocht van een landsheer, zoals een eigen bestuur, verdedigingswerken en het recht om markten te houden.
Centralisatie
Het proces waarbij een vorst een land vanuit één centraal punt bestuurt met behulp van ambtenaren en een eenheidsmunt.
Renaissance
De wedergeboorte van de belangstelling voor de klassieke oudheid in de late Middeleeuwen.
Heliocentrisch wereldbeeld
De wetenschappelijke constatering van Copernicus en Galilei dat de zon het middelpunt van het heelal is en niet de aarde.
Erasmus
Een internationale geleerde die Bijbelteksten bestudeerde en pleitte voor een kritische houding via nieuwe vertalingen.
Hervorming / Reformatie
De scheuring in de rooms-katholieke kerk door kritiek van personen als Luther en Calvijn, die leidde tot het protestantisme.
Beeldenstorm
Het weghalen en vernielen van beelden in kerken door calvinisten in 1566, beginnend in Vlaanderen.
Willem van Oranje
De leider van de opstand tegen de Spanjaarden in de Tachtigjarige Oorlog, ook bekend als de Vader des Vaderlands.
Plakkaat van Verlatinge
Het document uit 1581 waarmee de Nederlandse gewesten Filips II officieel afzetten als hun vorst.
Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden
De in 1588 opgerichte staat bestaande uit de zeven opstandige Noord-Nederlandse gewesten.
Handelskapitalisme
Een economisch systeem waarbij handelaren hun winst opnieuw investeren in bedrijven om de groei te bevorderen.
VOC (Verenigde Oost-Indische Compagnie)
Een in 1602 opgerichte vereniging met een monopolie op de zeehandel tussen de Republiek en Azië.
WIC (West-Indische Compagnie)
Een in 1621 opgerichte compagnie die handel dreef met Afrika en Amerika, waaronder de slavenhandel.
Gedogen
Het toestaan van praktijken die eigenlijk wettelijk verboden zijn, zoals de schuilkerken van katholieken in de Gouden Eeuw.
Absolutisme
Een regeringsvorm waarbij de koning, zoals Lodewijk XIV, alle macht heeft zonder invloed van anderen.
Driehoekshandel
De handel tussen Europa, Afrika en Amerika, waarbij geweren werden geruild voor slaven, en slaven voor plantageproducten.
Abolitionisme
De beweging die streed voor de afschaffing van de slavernij.
De Verlichting
Een denkwijze uit de 18e eeuw gericht op gelijke rechten, wetenschap en de strijd tegen misstanden door kerk en staat.
Patriotten
Leden van de burgerij die aan het eind van de 18e eeuw de stadhouder wilden afzetten en de macht eerlijk wilden verdelen.
Decimaal stelsel
Het tijdens de Franse Tijd ingevoerde uniforme matensysteem gebaseerd op de kilo en de meter.
Thorbecke
De man die de Grondwet van 1848 schreef, die de macht van de koning beperkte en een parlementair stelsel introduceerde.
Industrialisatie
Het proces waarbij werk verschuift van handarbeid naar machines in fabrieken.
Sociale kwestie
De slechte leef- en werkomstandigheden van de arbeidersklasse tijdens de industriële revolutie.
Verzuiling
De opdeling van de samenleving in gescheiden levensbeschouwelijke groepen (katholiek, protestants, socialistisch, liberaal).
Modern imperialisme
Het streven van Europese landen naar koloniën voor grondstoffen en als afzetmarkt voor hun industrieproducten.
Wapenwedloop
Een situatie waarin landen steeds meer en betere wapens aanschaffen om niet achter te blijven bij hun vijanden.
Loopgraven
Gangen in de grond waarin soldaten in de Eerste Wereldoorlog bescherming zochten tegen vijandelijk vuur.
Vrede van Versailles
Het verdrag uit 1919 dat de Eerste Wereldoorlog beëindigde en zware straffen aan Duitsland oplegde.
Interbellum
De periode tussen de Eerste en de Tweede Wereldoorlog.
Beurskrach
De plotselinge instorting van de effectenbeurs in de VS in 1929, wat het begin van de Grote Depressie markeerde.
Nationaalsocialisme
De ideologie van Hitler die antiparlementair, antiliberaal en antisemitisch van aard was.
Holocaust
De grootschalige vervolging en vernietiging van de Joden in Europa tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Blitzkrieg
Een snelle verrassingsaanval met een sterk leger om de vijand snel te kunnen verslaan.
Hongerwinter
De winter van 1944 tot 1945 waarin in West-Nederland door een tekort aan voedsel en brandstof veel mensen overleden.
Politionele acties
De term voor de koloniale oorlog die Nederland tussen 1945 en 1949 voerde tegen de onafhankelijkheidsbeweging in Indonesië.
Koude Oorlog
De gespannen toestand van 'gewapende vrede' tussen het kapitalistische Westen en het communistische Oosten tussen 1948 en 1989.
Marshallplan
Het Amerikaans economisch herstelplan dat West-Europa na de Tweede Wereldoorlog hielp bij de wederopbouw.
Verzorgingsstaat
Een maatschappijvorm waarin de overheid zorgt voor het welzijn van burgers via wetten zoals de AOW.
Gastarbeid
Het aantrekken van buitenlandse arbeiders uit Zuid-Europa, Marokko en Turkije vanaf de jaren zestig.
Ontzuiling
Het verdwijnen van de scheidingen tussen de verschillende levensbeschouwelijke zuilen in de samenleving.
Watersnoodramp
De natuurramp in de nacht van 31januari op 1februari1953 die grote delen van Zeeland en Zuid-Holland trof.