1/724
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
het geld
l'argent
> zwart geld
de l'argent noir
> met gepast geld betalen
payer la somme exacte
het bankbiljet (-ten) = het briefje (-s)
le billet de banque (2)
het betaalmiddel (-en)
le moyen de paiement
het kleingeld
la monnaie (dans le sens d'un 'ensemble de pièces')
de portefeuille (-s)
le portefeuille
de portemonnee (-s)
le porte-monnaie
het bedrag (-en)
le montant
duur >< goedkoop
cher >< bon marché
Voordelig
avantageux
betaalbaar
payable, abordable
de hoeveelheid (-heden)
la quantité
bedragen (bedroeg, h. bedragen)
s'élever à, se monte à
het muntstuk (-ken) de munt (-en)
la pièce de monnaie - le jeton - la monnaie
verdienen (verdiende, h. verdiend)
gagner - mériter
≠ winnen (won, h. gewonnen)
gagner
uitgeven (gaf uit, h. uitgegeven)
dépenser
besteden aan (besteedde, h. besteed)
consacrer à
opbrengen (bracht op, h. opgebracht)
rapporte
afronden (rondde af, h. afgerond)
arrondir
afdingen (dong af, h. afgedongen)
marchander
geld witwassen (waste wit, h. witgewassen)
blanchir de l'argent
kopen (kocht, h.gekocht)
acheter
verkopen (verkocht, h. verkocht)
vendre
huren (huurde, h. gehuurd)
louer
verhuren (verhuurde, h. verhuurd)
donner en location
berekenen (berekende, h. berekend)
calculer, faire le compte
de huur
le loyer
de euro (-'s)
l'euro
de (euro)cent (geen meervoud!)
le centime
de valuta (-'s)
la devise
de wisselkoers (-en)
le taux de change
betalen (betaalde, h. betaald) > contant betalen = cash betalen
payer payer cash
wisselen (wisselde, h. gewisseld)
changer
omrekenen (rekende om, h. omgerekend)
convertir
omzetten (zette om, h. omgezet)
convertir
de creditcard (-s) kredietkaart (-en)
la carte de crédit. (2)
de bankkaart (-en) bankpas (-sen)
la carte de banque
de pincode (-s)
le code secret
de geldautomaat (-maten)
le distributeur de billets
de waarde (-n / -s)
la valeur
waard
ça vaut
het budget (-ten)
le budget
het vermogen (-s) = de rijkdom (-men)
la richesse
het fortuin (-en) de erfenis (-sen)
la fortune l'héritage
erven (erfde, h. geërfd)
hériter
de bank (-en)
la banque
het (bank)agentschap (-pen)
l'agence (bancaire)
de (bank)rekening (-en)
le compte en banque
> geld op een rekening zetten (zette, h. gezet)
mettre de l'argent sur un compte
storten (stortte, h. gestort)
verser
het rekeningnummer (-s)
le numéro de compte
de overschrijving (-en)
le virement
de betaling (-en) > een betaling doen
le paiement effectuer un paiement
de transactie (-s) = de verrichting (-en)
la transaction, l'opération
de begunstigde (-en)
le bénéficiaire
de opdrachtgever (-s)
le donneur d'ordre
de mededeling (-en)
la communication
het afschrift (-en) = het uittreksel (-s)
l'extrait de compte
het saldo (-'s)
le solde
de spaarrekening (-en)
le compte épargne
de zichtrekening (-en)
le compte à vue
sparen (spaarde, h. gespaard) = geld opzijleggen
épargner
≠ besparen (bespaarde, h. bespaard)
épargner quelque chose (toujours + cod)
bezuinigen (bezuinigde, h. bezuinigd)
épargner quelque chose (toujours + cod)
opnemen (nam op, h. opgenomen)
retirer de l'argent
afhalen (haalde af, h. afgehaald)
retirer de l'argent
iemand geld verschuldigd zijn
devoir de l'argent à quelqu'un
de bankier (-s)
le banquier
de kluis (kluizen) = de safe (- s)
le coffre-fort
het loket (-ten)
le guichet
bankieren (bankierde, h. gebankierd
faire des transactions bancaires (un verbe)
de cheque(-s)
le chèque
de markt (-en)
le marché
de rente [-s / -n] = de int(e)rest (-en)
l'intérêt
> interest opbrengen (bracht op, h. opgebracht)
produire, rapporter de l'intérêt
het kapitaal
le capital
de opbrengst (-en) = het rendement (-en)
le rendement
de rentevoet (-en)
le taux d'intérêt
rendabel
rentable, profitable
de winst (-en) >< het verlies (-liezen)
le bénéfice >< la perte
> winst / verlies maken
enregistrer un bénéfice/ une perte
stijgen (steeg, is gestegen)
augmenter
omhooggaan (ging omhoog, is omhooggegaan)
augmenter
toenemen (nam toe, is toegenomen)
augmenter
dalen (daalde, is gedaald)
diminuer
omlaaggaan (ging omlaag, is omlaaggegaan)
diminuer
afnemen (nam af, is afgenomen)
diminuer
de groei
la croissance, l'expansion, l'essor
de stijging (-en) = de toename (-n/-s)
l'augmentation, l'accroissement
>< de daling (-en) = de afname (-n/-s)
la diminution
de beurs (beurzen)
la bourse
het aandeel (-delen) / de actie
l'action (2)
een beursgenoteerd aandeel
une action cotée en bourse
de beurswaarde van een aandeel
la valeur boursière d'une action
de koers van een aandeel
le cours d'une action
schommelen (schommelde, h. geschommeld)
Fluctuer
inschrijven op een aandeel (schreef in, h. ingeschreven)
Souscrire à une action
aandelen uitgeven (gaf uit, h. uitgegeven)
émettre des actions