1/7
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Wat is een transitief werkwoord volgens de zinsleer? (+ voorbeeld
Werkwoorden die in het werkwoordelijk gezegde de aanwezigheid van een lijdend voorwerp vereisen.
"De dijken doorsnijden het landschap.
Wat is een intransitief werkwoord? (+ voorbeelden
Werkwoorden die niet (of slechts onder bijzondere omstandigheden) met een lijdend voorwerp kunnen optreden.
"Jan komt." of "Het sneeuwt."
Wat is een pseudo-transitief werkwoord? (+ voorbeelden)
Werkwoorden waarbij een lijdend voorwerp kan voorkomen, maar waarbij dit niet vereist is.
"Hij at (een koek)." of "Heidi leest (de krant)."
Wat betekent syntactische valentie van een werkwoord?
De mogelijkheid of de capaciteit van een werkwoord om zich met een specifiek aantal verplichte zinsdelen ("moet-deeltjes" of argumenten) te verbinden
BV: Lisa geeft haar broer een cadeau
Hier heeft het werkwoord geven drie verplichte delen nodig
Wie geeft? → Lisa (onderwerp)
Wat wordt gegeven? → een cadeau (lijdend voorwerp)
Aan wie wordt het gegeven? → haar broer (meewerkend voorwerp)
👉 Het werkwoord geven heeft dus een valentie van 3.
Wat is Nulvalentie (nulplaatsing)? (+ voorbeeld)
Werkwoorden (vaak onpersoonlijk over het weer) die buiten een loos onderwerp 'het' geen enkele andere aanvulling eisen (1).
* Voorbeeld: "Het sneeuwt."
Wat is Monovalentie (éénplaatsing)? (+ voorbeeld)
Werkwoorden die naast het werkwoord slechts één element (het onderwerp) eisen (1).
* Voorbeeld: "Maaike springt." (1)
Welke 5 combinaties vallen onder Bivalentie (tweeplaatsing)?
Het werkwoord eist een onderwerp PLUS één van de volgende verplichte argumenten:
1. Lijdend voorwerp
2. Voorzetselvoorwerp
3. Plaatsobject
4. Richtingsobject
5. Maatobject
Welke 3 patronen van Trivalentie (drieplaatsing) worden in de slides genoemd?
Het werkwoord eist een onderwerp PLUS:
1. Lijdend voorwerp (LV) + Meewerkend voorwerp (MV)
2. Lijdend voorwerp (LV) + Voorzetselvoorwerp (VZV)
3. Lijdend voorwerp (LV) + Plaatsobject