1/141
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Risk = probability × severity
Risico is niet alleen de kans dat iets gebeurt, maar ook hoe erg de gevolgen zijn. Een 1% kans op hoofdpijn is niet hetzelfde als een 1% kans op een nucleaire ramp.
Controllability
Een van de twee dimensies van risicoperceptie (Slovic). Kunnen we het risico beheersen of voorkomen? Onbeheersbare risico's voelen dreigender, ook al is de kans klein.
Knowability
Een van de twee dimensies van risicoperceptie (Slovic). Begrijpen we hoe het risico werkt? Onbekende risico's worden als gevaarlijker ervaren dan bekende.
Actual risk vs. perceived risk
Statistisch risico (objectief) en gevoeld risico (subjectief) lopen sterk uiteen. Mensen vrezen terrorisme meer dan hart- en vaatziekten, terwijl die laatste veel meer slachtoffers maken.
Hazard vs. risk
Een hazard heeft de potentie om schade te veroorzaken. Risico ontstaat pas bij blootstelling of actie. Schema: Hazard → Action/exposure → Risk.
Aleatory uncertainty
Onzekerheid door natuurlijke willekeur — niet weg te nemen. Voorbeeld: de exacte uitkomst van een muntworp blijft altijd onzeker.
Epistemic uncertainty
Onzekerheid door ontbrekende kennis — wel te verminderen door onderzoek. Voorbeeld: langetermijneffecten van een nieuw medicijn zijn nog onbekend maar kunnen worden onderzocht.
Risk Society
Theorie van Beck & Giddens. Samenleving verschoven van welvaart produceren naar risico managen. Nieuwe risico's zijn globaal, onzichtbaar en moeilijk omkeerbaar.
Industrial modernity vs. reflexive modernity
1e tijdperk: focus op welvaart, risico's lokaal en zichtbaar. 2e tijdperk: focus op veiligheid, risico's globaal en onzichtbaar.
VUCA world
Volatility (snelle verandering), Uncertainty (onvoorspelbaar), Complexity (veel factoren), Ambiguity (onduidelijke betekenis). Verklaart waarom moderne risico's moeilijker te begrijpen zijn.
Laswell model
Who → says what → in what form → to whom → with what effect? Model voor risico-communicatieproces van zender naar ontvanger.
6 parameters Ekberg
1) Omnipresence, 2) Different understandings, 3) Contested definitions, 4) Reflexivity, 5) Trust shift, 6) Politics of risk.
Omnipresence of risk (Ekberg parameter 1)
Risico's zijn constant aanwezig en zichtbaar via media. We worden dagelijks blootgesteld aan berichten over terrorisme, klimaat en AI. Het gevoel dat risico's overal zijn.
Different understandings of risk (Ekberg parameter 2)
Ideeën over risico veranderden door de tijd. Vroeger: vertrouwen in wetenschap. Nu: risico is ook subjectief en sociaal bepaald. Onderscheid: natural vs. technological, actual vs. perceived, visible vs. invisible risk.
Proliferation of contested risk definitions (Ekberg parameter 3)
Er is geen eenduidige definitie van risico. Begrippen als hazard, danger, crisis en disaster overlappen en worden anders geïnterpreteerd. Dit maakt communicatie moeilijker.
Reflexive orientation to risk (Ekberg parameter 4)
Samenleving monitort en past risico's continu aan op basis van nieuwe kennis. Voorbeeld: gezondheidsrichtlijnen veranderden voortdurend tijdens COVID-19.
Risk and trust (Ekberg parameter 5)
Persoonlijk vertrouwen verschoven naar systeemvertrouwen. We vertrouwen wetenschappers en overheden omdat we niet alles zelf kunnen verifiëren. Paradox: meer afhankelijkheid van experts kan ook angst en twijfel creëren.
Politics of risk (Ekberg parameter 6)
Risicobeheer is onderdeel geworden van politiek en beleid. Verschuiving van klassenpolitiek naar levenspolitiek: focus op kwaliteit van leven, gezondheid en veiligheid.
Loss aversion
Verlies voelt ~2x zwaarder dan even grote winst. Kern van Prospect Theory (Tversky & Kahneman, 1986).
Risk aversion in gains
Bij winstsituaties kiezen mensen liever voor zekerheid dan een grotere maar onzekere winst. Voorbeeld: zeker €1000 boven 50% kans op €2500.
Risk seeking in losses
Bij verliessituaties nemen mensen meer risico om verlies te vermijden. Voorbeeld: liever 50% kans op geen verlies dan zeker €1000 verliezen.
Value curve (Prospect Theory)
Gain side = concaaf (risk aversion). Loss side = convex (risk seeking). Referentiepunt zit in het midden.
Framing effects
Dezelfde informatie anders presenteren leidt tot andere beslissingen. Gain frame voor preventiegedrag, loss frame voor detectiegedrag.
Gain frame vs. loss frame
Gain frame werkt beter voor preventie (vaccinatie, zonnebrandcrème). Loss frame werkt beter voor detectie (kankerscreening). COVID gebruikte veel loss framing.
System 1 (Dual Process Theory)
Snel, automatisch, intuïtief, emotioneel, onbewust, weinig moeite. Voorbeeld: direct remmen als een auto voor je stopt.
System 2 (Dual Process Theory)
Langzaam, bewust, analytisch, logisch, vraagt inspanning. Voorbeeld: kansen berekenen bij medische beslissing.
Attribute substitution
System 1 vervangt een moeilijke vraag door een makkelijkere. "Hoe gevaarlijk is vliegen?" wordt onbewust vervangen door "voelt vliegen eng?"
Kritiek Dual Process Theory
1) Geen twee echte hersensystemen. 2) Ook System 2 maakt fouten (confirmation bias). 3) Risicogedrag kan ook uit bewuste analyse komen.
Verbatim representation (FTT)
Exacte details van informatie: getallen, percentages. Verbatim-denkers focussen op "0,08%" en concluderen: de kans is verwaarloosbaar.
Gist representation (FTT)
Vereenvoudigde kernbetekenis. Gist-denkers denken: "het is maar één keer nodig." Leidt vaker tot veiliger gedrag dan verbatim-denken.
Route 1 naar risicogedrag (FTT)
Impulsiviteit en emotie — handelen zonder nadenken. Vergelijkbaar met System 1.
Route 2 naar risicogedrag (FTT)
Te sterk leunen op exacte getallen (verbatim) in plaats van betekenis. Iemand hoort "0,08% kans" en denkt: het maakt niet uit.
FTT vs. Dual Process Theory
Overlap: beide zien intuïtie als snel. Verschil: FTT zegt dat snelle intuïtie niet altijd emotioneel of irrationeel is. Ervaren arts herkent snel op basis van gist, niet impuls.
Asian Disease Problem
600 mensen lopen risico. Gain frame (200 gered) → mensen kiezen zekerheid. Loss frame (400 sterven) → mensen kiezen gok. Mathematisch identiek maar gist-interpretatie verschilt.
Psychological distance (CLT)
Hoe ver een gebeurtenis zich aanvoelt bepaalt hoe abstract of concreet je erover denkt. Vier dimensies: temporeel, ruimtelijk, sociaal, hypothetisch.
Low construal level (CLT)
Kleine psychologische afstand → concreet, gedetailleerd, "how"-denken → hoger risicogevoel.
High construal level (CLT)
Grote psychologische afstand → abstract, simpel, "why"-denken → lager risicogevoel.
Kritiek CLT (Valkengoed 2023)
Klimaatverandering wordt al als dichtbij ervaren. Psychologische afstand verkleinen leidt niet automatisch tot meer actie.
Affect heuristic
Gevoel als shortcut voor risicobeoordeling. Positief gevoel = lager risico + meer voordelen. Negatief gevoel = hoger risico + minder voordelen.
Integral affect
Emotie direct gekoppeld aan het risico zelf. Voorbeeld: angst voor kanker beïnvloedt hoe je het kankerrisico inschat.
Incidental affect
Emotie van een niet-gerelateerde bron die toch het risico-oordeel beïnvloedt. Voorbeeld: slecht humeur maakt klimaatrisico's ernstiger lijken.
Affect as information
Gevoel wordt gebruikt als bewijs: "ik voel onrust, dus het moet gevaarlijk zijn."
Affect as spotlight
Affect stuurt aandacht naar specifieke informatie die aansluit bij het gevoel.
Affect as motivator
Affect stimuleert actie. Grafische waarschuwingen op sigaretten verhogen stopmotivatie.
Frequencies vs. percentages (affect)
"10 van de 100" roept sterker affect op dan "10%". Frequenties creëren concretere mentale beelden.
Appraisal-Tendency Framework (ATF)
Niet alle negatieve emoties hebben hetzelfde effect. Angst en woede zijn allebei negatief maar leiden tot andere risicooordeelen.
Cognitive appraisal / cognitive fingerprint
Elke emotie heeft een eigen patroon van beoordelingsdimensies: pleasantness, certainty, control, effort, attention, agency.
Representativeness heuristic
Kans inschatten op basis van gelijkenis met een prototype. Leidt tot conjunction fallacy en base-rate neglect.
Conjunction fallacy
A+B lijkt waarschijnlijker dan alleen A. Linda-probleem: "bankmedewerker én feminist" lijkt waarschijnlijker dan "bankmedewerker" — statistisch onmogelijk.
Base-rate neglect
Mensen negeren algemene statistieken en focussen op beschrijvingen. Jack klinkt als ingenieur, maar 70 van de 100 zijn advocaat — mensen negeren die verhouding.
Availability heuristic
Hoe makkelijker iets in gedachten komt, hoe risicovoller het voelt. Zeldzame dramatische events worden overschat.
Causal actors
Actoren die het risico veroorzaken of vergroten.
Managing actors
Actoren die het risico proberen te beheersen of verkleinen.
Affected actors
Actoren die de gevolgen ondervinden.
Issue arena
De ruimte waar stakeholders strijden om de publieke definitie van een risico. Niet alle actoren hebben gelijke macht.
Risk frames (Entman, 1993)
Vier elementen: 1) Problem definition, 2) Causal interpretation, 3) Moral evaluation, 4) Treatment recommendation. Zelfde risico, andere framing = andere discussie.
Problem definition
Eerste frame-element: wat is het probleem eigenlijk? Voorbeeld: fietshelm — gezondheidsactor zegt hoofdletsels, fietsersbond zegt onveilige infrastructuur.
Causal interpretation
Tweede frame-element: wat heeft het veroorzaakt? Wie de oorzaak definieert, bepaalt ook wie de schuld krijgt.
Moral evaluation
Derde frame-element: wie heeft gefaald, wie is verantwoordelijk?
Treatment recommendation
Vierde frame-element: wat moet er gebeuren? Volgt logisch uit probleemdefiniëring en oorzaakinterpretatie.
SARF
Social Amplification of Risk Framework. Risico's reizen door stations en worden vergroot (amplificatie) of verkleind (attenuatie). Geen strikte theorie — beschrijft processen maar voorspelt niet wanneer.
Amplification (SARF)
Het risico lijkt groter of dreigender dan het objectief is. Voorbeeld: zeldzame bijwerking vaccin wordt door sociale media zo groot gemaakt dat mensen stoppen met vaccineren.
Attenuation (SARF)
Het risico lijkt kleiner of minder urgent dan het objectief is.
Amplification stations (SARF)
Tussenpersonen waardoor risicosignaal reist en verandert: journalisten, wetenschappers, sociale media, individuen.
Ripple effect (SARF)
Amplificatie breidt zich uit als golven. Secundaire gevolgen (verlies vertrouwen, beleidswijziging) kunnen groter zijn dan het primaire risico.
Resonance (SARF)
Risico krijgt meer aandacht als het aansluit bij bestaande waarden en belangen.
Gatekeeping
Redacteuren bepalen wat nieuws wordt. Beïnvloed door eigendomsstructuren en institutionele belangen.
News values
Criteria voor nieuwsselectie: conflict, nieuwheid, negativiteit, dramatiek. Zeldzaam + dramatisch = hoge nieuwswaarde.
Prosumer
Publiek is zowel producent als consument van informatie op sociale media.
Echo chambers
Gebruikers komen steeds dezelfde opvattingen tegen omdat algoritmen content tonen die aansluit bij bestaande overtuigingen.
Filter bubbles
Algoritmen personaliseren content op basis van eerder gedrag. Minder variatie in informatie.
Algorithms as invisible amplifiers
Algoritmen belonen engagement en emotie, niet nauwkeurigheid. Controversiële risicoberichten verspreiden zich sneller dan accurate informatie.
Platform affordances
Elk platform heeft eigen kenmerken: persistence, visibility, multimodality, anonymity. Verschillende affordances = verschillende vormen van risico-communicatie.
EPPM — threat
Hoe gevaarlijk is het risico en raakt het mij? Bestaat uit severity (ernst) en susceptibility (kwetsbaarheid).
EPPM — efficacy
Kan er iets aan gedaan worden? Bestaat uit response efficacy (werkt de actie?) en self-efficacy (kan ík het uitvoeren?).
EPPM — hoge dreiging + hoge efficacy
Optimale combinatie: mensen nemen beschermend gedrag aan.
EPPM — hoge dreiging + lage efficacy
Fear control: mensen raken angstig maar voelen zich machteloos. Reactie: vermijding en ontkenning.
MASRisG — responsible concern frame
Hoog risico + hoge efficacy. AI is gevaarlijk maar beheersbaar mits goede regulering.
MASRisG — doom/fear frame
Hoog risico + lage efficacy. AI is gevaarlijk en oncontroleerbaar.
MASRisG — meh/informational frame
Laag risico + geen duidelijke positie. Neutraal en informatief.
MASRisG — tech optimism frame
Laag risico + voordelen centraal. AI als innovatie en oplossing.
Stochastic parrot critique
AI produceert overtuigende tekst zonder de betekenis echt te begrijpen. Kan zelfverzekerd klinken terwijl informatie onjuist is.
Relative risk
Proportionele verandering tussen twee groepen. Klinkt dramatisch maar mist context over beginrisico. Pil-scare: "100% toename" = van 1 naar 2 op 7000.
Absolute risk
Werkelijke numerieke verandering. Geeft realistischer beeld dan relatief risico.
Natural frequencies
"7 van de 100" in plaats van "7%". Maakt Bayesiaans redeneren makkelijker. Mammografie: artsen schatten 90%, correct is ~10%.
Reference class ambiguity
Bij een percentage is onduidelijk waarop het betrekking heeft. "30% kans op regen" kan drie verschillende dingen betekenen.
Consistent denominators
Gebruik bij vergelijkingen altijd dezelfde noemer. Slecht: "1 op 20" én "4 op 5". Goed: "5 op 100" én "80 op 100".
Frequentist view
Kans gebaseerd op historische observaties.
Physical design view
Kans ingebouwd in het systeem zelf. Voorbeeld: dobbelsteen heeft altijd 1/6 kans per zijde.
Degree-of-belief view
Kans als subjectief oordeel op basis van kennis en ervaring.
Verbal probability labels
Woorden zoals "likely" worden zeer verschillend geïnterpreteerd. Grote variabiliteit — ook bij statistici (Willems et al., 2020).
Prosody (Vromans et al., 2024)
Toon beïnvloedt kansinterpretatie. Stijgende intonatie trekt schattingen naar het midden.
Mammography example
Prevalentie 1%, sensitiviteit 90%, vals-positief 9%. Van 1000 vrouwen: 9 echte positieven + 89 vals-positieven = 9/98 ≈ 10%. Niet 90%. Toont kracht van natural frequencies.
Lead-time bias
Vroegere detectie lijkt overleving te verbeteren zonder dat het leven werkelijk verlengd wordt. De klok begint alleen eerder te tikken.
Overdiagnosis bias
Screening detecteert aandoeningen die nooit schadelijk waren geworden. Overlevingscijfers stijgen maar werkelijke sterfte daalt niet.
Evaluability Theory (Hsee & Zhang, 2010)
Mensen wegen makkelijk te evalueren informatie zwaarder. Een getal zonder context is betekenisloos — referentiepunt is nodig.
Reference point / comparison standard
Vergelijkingspunt dat informatie evalueerbaar maakt. "Jouw risico is 6%, gemiddelde is 3%" — nu is het hoog.
Anchoring
Mensen ankeren hun persoonlijk risico aan het populatiegemiddelde. Hoger gemiddelde → eigen risico voelt hoger.
Numbers vs. narratives
Getallen steunen beslissingen. Verhalen geven emotioneel begrip. Combinatie is meest effectief.
Icon arrays
Visuele weergave waarbij icoontjes individuen vertegenwoordigen. Beste format voor proporties en kansen. Reduceert denominator neglect.