abc

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/109

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 4:46 PM on 5/16/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

110 Terms

1
New cards

Wat is het biologische belang van het element Natrium (Na) in het menselijk lichaam?

Zorgt voor de reguliere vochtbalans, spiercontractie en zenuwgeleiding.

2
New cards

Wat is het biologische belang van het element Kalium (K)?

Cruciaal voor zenuwgeleiding en spiercontractie.

3
New cards

Wat zijn de vijf biologische functies van Calcium (Ca)?

Botbestanddeel, spiercontractie, prikkelgeleiding in het hart, bloedstolling en vrijstelling van hormonen.

4
New cards

Welk element fungeert in het lichaam als een stabilisator bij enzymreacties?

Magnesium.

5
New cards

Wat is de functie van Fosfaat in het menselijk lichaam?

Fungeert samen met Calcium als botbestanddeel en is belangrijk bij biochemische reacties zoals de vorming van ATP.

6
New cards

Voor welk biologisch proces is IJzer (Fe) absoluut noodzakelijk?

Zuurstoftransport.

7
New cards

Welk element is een onmisbaar bestanddeel van ons maagzuur?

Chloor.

8
New cards

Op welk achtervoegsel eindigen de namen van sachariden vrijwel altijd?

-op -ose.

9
New cards

In welke drie categorieën worden sachariden ingedeeld op basis van grootte?

Monosachariden, disachariden en polysachariden.

10
New cards

Zijn sachariden wateroplosbaar of vetoplosbaar?

Wateroplosbaar.

11
New cards

Hoeveel koolstofatomen zitten er typisch in de ringstructuur van een suiker?

Meestal zes- of vijfring suikers.

12
New cards

Geef een specifiek voorbeeld van een vijfring-suiker.

Ribose.

13
New cards

Geef een specifiek voorbeeld van een zesring-suiker.

Glucose.

14
New cards

Welke drie belangrijke monosachariden worden er benoemd in de stof?

Fructose, Glucose en Galactose.

15
New cards

Uit welke monosachariden is de disacharide Sucrose opgebouwd?

Fructose en Glucose (Fru + Glu).

16
New cards

Uit welke monosachariden is de disacharide Maltose opgebouwd?

Glucose en Glucose (Glu + Glu).

17
New cards

Uit welke monosachariden is de disacharide Lactose opgebouwd?

Glucose en Galactose (Glu + Gal).

18
New cards

Welke twee polysachariden vormen een belangrijke energievoorraad, en bij welk type organismen horen ze?

Zetmeel (in planten) en Glycogeen (in dieren).

19
New cards

Waaraan moet je primair denken als je het woord "sachariden" ziet?

Energie opslag.

20
New cards

Hoe reageren vetzuren op water?

Hydrofoob (waterafstotend).

21
New cards

Uit welke moleculegroep zijn vetzuren initieel opgebouwd?

Uit acetyl.

22
New cards

Welke twee varianten van vetzuren bestaan er met betrekking tot chemische bindingen?

Verzadigde of onverzadigde vetzuren.

23
New cards

Welke basismolecule vormt de ruggengraat voor triglyceriden en fosfolipiden?

Glycerol.

24
New cards

Waaruit is een fosfolipide precies opgebouwd?

Een basis van glycerol, twee vetzuurstaarten en een fosfaatgroep.

25
New cards

Waaruit is een triglyceride precies opgebouwd?

Een basis van glycerol en drie vetzuurstaarten.

26
New cards

Wat is de chemische oplosbaarheid van een triglyceride?

Hydrofoob of lipofiel (vetoplosbaar).

27
New cards

Wat betekent de term "amfipatisch" met betrekking tot fosfolipiden?

Fosfolipiden bezitten zowel een hydrofiel gedeelte (de kop) als een hydrofoob gedeelte (de staart).

28
New cards

Wat zijn de twee belangrijkste functies van cholesterol?

Vormen van de celmembraan (rigiditeit) en basis voor de productie van steroïdhormonen.

29
New cards

Wat zijn de vier hoofdbestanddelen van de celmembraan?

Fosfolipiden, Cholesterol, Eiwitten en Suikers (koolhydraten).

30
New cards

Wat is de primaire rol die je moet onthouden bij de term "lipiden"?

Energie opslag en opbouw van celmembranen.

31
New cards

Uit welke bouwstenen zijn proteïnen opgebouwd?

Aminozuren.

32
New cards

Uit welke drie functionele delen bestaat een aminozuur?

Een aminogroep (-NH2), een carboxylgroep (-COOH) en een variabele zijketen.

33
New cards

Hoeveel essentiële en hoeveel niet-essentiële aminozuren zijn er in totaal?

8 essentiële aminozuren en 12 niet-essentiële aminozuren.

34
New cards

Onder welke specifieke voorwaarde is een proteïne wateroplosbaar?

Indien de proteïne een polaire zijketen bezit.

35
New cards

Welke vier hoofdfuncties moet je onthouden bij proteïnen?

Energie, enzymen, structuur en transport.

36
New cards

Welke twee proteïnen zijn voorbeelden van contractiele structuren, en wat is hun functie?

Actine en myosine; zij voorzien in spiercontractie.

37
New cards

Geef een voorbeeld van een hormonaal proteïne en leg de functie uit.

Insuline; het is een signaalmolecule dat cellen aanspoort om suiker op te nemen.

38
New cards

Geef een voorbeeld van "protectie"-eiwitten.

Immunoglobulines (antilichamen) die ingezet worden om indringers te bestrijden.

39
New cards

Wat is Rhodopsine en wat doet het?

Een receptor-proteïne in het netvlies van het oog dat een signaal stuurt bij lichtinval.

40
New cards

Wat is de rol van het proteïne Ferritine?

Fungeert als een ijzeropslagmolecule in het lichaam.

41
New cards

Wat is de rol van Hemoglobine?

Een transport-eiwit dat zuurstof transporteert aan de hand van een Fe-atoom.

42
New cards

Wat is de rol van het eiwit RUBISCO?

Een enzym dat een koolstof toevoegt (carboxylatie) tijdens fotosynthese.

43
New cards

Geef een voorbeeld van een structureel proteïne dat benoemd is.

Spider silk (spinnenzijde).

44
New cards

Welke twee belangrijke nucleïnezuren worden er genoemd?

DNA en RNA.

45
New cards

Welke twee stikstofbasen behoren tot de "purine bases"?

Adenine en Guanine.

46
New cards

Welke twee stikstofbasen behoren tot de "pyrimidine bases" in DNA?

Cytosine en Thymine.

47
New cards

Welke functionele groep bevindt zich aan het 5' einde van een nucleïnezuur?

Een fosfaatgroep.

48
New cards

Waaraan moet je altijd denken bij de term "nucleïnezuren"?

Genetische informatie.

49
New cards

Wat is de algemene definitie van fotosynthese?

Het proces waarbij zonlicht wordt gebruikt om glucose en zuurstof (O2) aan te maken uit koolstofdioxide (CO2) en water.

50
New cards

In welk organel vindt fotosynthese plaats?

In de chloroplast.

51
New cards

Welk essentieel molecuul maakt fotosynthese mogelijk en hoe doet het dat?

Chlorofyl; deze molecule komt door zonlicht in een aangeslagen toestand en kan hierdoor een elektron afgeven.

52
New cards

Geef de ongebalanceerde reactievergelijking van fotosynthese.

6CO2 + 12H2O → C6H12O6 + 6O2 + 6H2O.

53
New cards

Geef de gebalanceerde reactievergelijking van fotosynthese.

6CO2 + 6H2O + Licht → C6H12O6 + 6O2.

54
New cards

Uit welke twee opeenvolgende stappen bestaat fotosynthese?

De lichtreactie en de donkerreactie.

55
New cards

Voor welke stap is direct zonlicht noodzakelijk?

Alleen voor de lichtreactie.

56
New cards

Waarom wordt de tweede stap de "donkerreactie" genoemd?

Omdat voor deze stap geen zonlicht noodzakelijk is.

57
New cards

Wat is de chemische vergelijking van de lichtreactie op zich?

2H2O → O2 + 4H+ + 4e− + 3ATP + NADPH.

58
New cards

Wat is de chemische vergelijking van de donkerreactie op zich?

6H2O + 6CO2 → C6H12O6.

59
New cards

Hoeveel ATP kost het voltooien van één donkerreactie?

18 ATP.

60
New cards

Hoeveel keer moet de lichtreactie plaatsvinden om één donkerreactie mogelijk te maken, en waarom?

6 keer, om aan de eis van 18 ATP te komen.

61
New cards

Geef de netto vergelijking van de lichtreactie in het grotere geheel.

12H2O + 12NADP + 18 ADP + 18P → 6O2 + 12NADPH + 18 ATP.

62
New cards

Geef de netto vergelijking van de donkerreactie in het grotere geheel.

6CO2 + 12NADPH + 18 ATP + 12H2O → C6H12O6 + 6H2O + 12NADP + 18 ADP + 18P.

63
New cards

Wat is de samengevoegde reactievergelijking van beide netto reacties?

6CO2 + 6H2O → C6H12O6 + 6O2.

64
New cards

Wat is Glycolyse?

Proces in het cytosol waarbij glucose in tien stappen wordt afgebroken tot twee moleculen pyruvaat.

65
New cards

Wat wordt er naast pyruvaat nog meer geproduceerd tijdens de glycolyse?

NADH en H2O.

66
New cards

Wat is de netto ATP-opbrengst van de glycolyse?

2 ATP.

67
New cards

Wat gebeurt er tijdens de decarboxylatie reactie?

Pyruvaat wordt omgezet naar acetyl-CoA.

68
New cards

Wat gebeurt er in de Krebscyclus en waar vindt deze plaats?

In de mitochondriale matrix wordt acetyl-CoA afgebroken tot CO2, H2O, NADH en FADH2.

69
New cards

Wat is de ATP-opbrengst van de Krebscyclus?

2 ATP totaal.

70
New cards

Wat is oxidatieve fosforylatie of eindoxidaties, en waar gebeurt het?

In het binnenste mitochondriale membraan worden NADH en FADH2 gebruikt als elektrondonor.

71
New cards

Welk gas is essentieel bij de eindoxidaties?

Zuurstof (O2).

72
New cards

Waarom wordt dit proces aërobe ademhaling genoemd?

Omdat O2 fungeert als finale elektronacceptor.

73
New cards

Wat is de ATP-opbrengst van uitsluitend de oxidatieve fosforylatie?

34 ATP.

74
New cards

Geef de vereenvoudigde chemische reactievergelijking van de glycolyse.

C6H12O6 + 2 NAD+ + 2 ADP + 2 Pi → 2 pyruvaat + 2 NADH + 2 H+ + 2 ATP + 2 H2O.

75
New cards

Geef de globale reactievergelijking van de citroenzuurcyclus per één molecule pyruvaat.

Pyruvaat + 4 NAD+ + FAD + ADP + Pi + 2 H2O → 3 CO2 + 4 NADH + 4 H+ + FADH2 + ATP.

76
New cards

Geef de globale reactievergelijking van de citroenzuurcyclus per molecule glucose.

2 Pyruvaat + 8 NAD+ + 2 FAD + 2 ADP + 2 Pi + 4 H2O → 6 CO2 + 8 NADH + 8 H+ + 2 FADH2 + 2 ATP.

77
New cards

Geef de reactievergelijking van de eindoxidaties per molecule NADH.

NADH + H+ + 3 ADP + 3 Pi + 1/2 O2 → NAD+ + H2O + 3 ATP.

78
New cards

Geef de reactievergelijking van de eindoxidaties per molecule FADH2.

FADH2 + 2 ADP + 2 Pi + 1/2 O2 → FAD + H2O + 2 ATP.

79
New cards

Hoeveel NADH-moleculen ontstaan er in totaal tijdens glycolyse en citroenzuurcyclus gezamenlijk?

10 NADH.

80
New cards

Geef de reactievergelijking van de eindoxidaties omgerekend voor alle 10 NADH-moleculen.

10 NADH + 10 H+ + 30 ADP + 30 Pi + 5 O2 → 10 NAD+ + 10 H2O + 30 ATP.

81
New cards

Hoeveel FADH2-moleculen ontstaan er in totaal tijdens de citroenzuurcyclus?

2 FADH2.

82
New cards

Geef de reactievergelijking van de eindoxidaties omgerekend voor alle 2 FADH2-moleculen.

2 FADH2 + 4 ADP + 4 Pi + O2 → 2 FAD + 2 H2O + 4 ATP.

83
New cards

Onder welke voorwaarde schakelt het lichaam over op anaëroob metabolisme?

Bij een tijdelijk tekort aan zuurstof.

84
New cards

Wat gebeurt er chemisch tijdens melkzuurgisting?

Pyruvaat wordt in het cytosol omgezet tot lactaat.

85
New cards

Waarom wordt melkzuurgisting anaërobe ademhaling genoemd?

Omdat O2 niet langer fungeert als finale elektronacceptor.

86
New cards

Wat is de netto ATP-opbrengst van melkzuurgisting?

2 ATP.

87
New cards

Geef de globale reactievergelijking van de melkzuurgisting van glucose.

C6H12O6 + 2 ADP + 2 Pi → 2 lactaat + 2 ATP + warmte.

88
New cards

Welke organismen passen alcoholische gisting toe?

Bepaalde gistsoorten.

89
New cards

Wat gebeurt er chemisch bij alcoholische gisting?

Pyruvaat wordt omgezet in ethanol.

90
New cards

In hoeveel tussenstappen verloopt alcoholische gisting, en via welk tussenproduct?

In twee stappen via aceetaldehyde.

91
New cards

Naast ethanol, welk product komt er nog meer vrij bij alcoholische gisting?

CO2.

92
New cards

Wat is de netto ATP-opbrengst van alcoholische gisting?

2 ATP.

93
New cards

Geef de globale reactievergelijking van de alcoholische gisting van glucose.

C6H12O6 + 2 ADP + 2 Pi → 2 CH3CH2OH + 2 CO2 + 2 ATP + warmte.

94
New cards

Vergelijk Aëroob versus Anaëroob: wat is de benodigde inputstof?

Aëroob: Glucose + O2. Anaëroob: alleen Glucose.

95
New cards

Vergelijk Aëroob versus Anaëroob: is de chemische verbranding volledig of onvolledig?

Aëroob volledig; Anaëroob onvolledig.

96
New cards

Vergelijk Aëroob versus Anaëroob: wat is de ATP opbrengst?

Aëroob: 38 ATP. Anaëroob: 2 ATP.

97
New cards

Vergelijk Aëroob versus Anaëroob: wat zijn de eindproducten?

Aëroob: CO2 en H2O. Anaëroob: Lactaat.

98
New cards

Vergelijk Aëroob versus Anaëroob: wat is de locatie in de cel?

Aëroob: cytoplasma en mitochondriën. Anaëroob: cytoplasma.

99
New cards

Vergelijk Aëroob versus Anaëroob: welke specifieke stappen omvatten ze?

Aëroob: Glycolyse, Krebscyclus, Eindoxidaties. Anaëroob: Glycolyse en Gisting.

100
New cards

Hoeveel opbrengst aan CO2, ATP, NADH en FADH2 levert Glycolyse op?

0 CO2, 2 ATP, 2 NADH, 0 FADH2.