H4 (ASS) Cognitieve modellen van intelligentie en infoverwerking

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/107

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 7:33 PM on 5/31/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

108 Terms

1
New cards

onderscheid cognitieve benadering en informatieverwerkingsbenadering: wat houden deze benaderingen in?

- cognitieve benadering: cognitieve processen die mensen gebruiken om intelligentietesten te beantwoorden

- informatieverwerkingsbenadering: wat er gebeurt in de hersenen wnr we een intelligentietest afnemen (= hersenprocessen)

2
New cards

historische achtergrond van de informatieverwerkingsbenadering en cognitieve benadering?

- Galton: intelligentie = constitutional fitness (aangeboren mentale fitheid)

-> hij dacht: snelle reacties op prikkels = slim zijn

(informatieverwerking)

- Wissler testte Galtons idee: mat reactietijd bij studenten en keek of er verband was met succes

-> resultaat: GEEN verband

(cognitief)

- GEVOLG: informatieverwerkings OZ en cognitieve psychologie splitsen zich op (in jaren 60-70 kwamen ze weer samen)

3
New cards

Wat waren 2 problemen met Wisslers onderzoek?

1) Hij testte alleen universiteitsstudenten➤ Die lijken veel op elkaar qua intelligentie (=homogene groep) → minder verschillen → moeilijk om verbanden te zien.

2) Zijn metingen waren onnauwkeurig➤ De instrumenten waren nog niet precies genoeg om goede conclusies te trekken

4
New cards

Psychometrische modellen & cognitieve modellen:

-> Spearman (grondlegger g-factor): uit welke 3 basis-denkprocessen bestaat intelligentie?

Spearman:

- apprehension of experience (snel en juist waarnemen wat er gebeurt)

- eduction of relations (verbanden leggen)

- education of correlates (voorspellen wat erbij hoort of logisch volgt)

-> deze processen overlappen & vormen samen de g-factor

5
New cards

Psychometrische modellen & cognitieve modellen:

-> Wat stelde Carroll vast?

g-factor alleen is niet genoeg om intelligentie uit te leggen:

- er zijn meerdere meerdere intelligentiefactoren nodig omdat andere cognitieve vaardigheden worden gebruikt, afhankelijk van de subtest

6
New cards

samenhang tussen psychometrische en cognitieve modellen?

- Psychometrische modellen (zoals IQ-tests) meten hoe goed iemand presteert.

- Cognitieve modellen proberen te verklaren hoe mensen denken tijdens een taak.

-> Ze vullen elkaar aan = ze zijn complementair: samen geven ze een volledig beeld van hoe menselijke intelligentie werkt.

7
New cards

Wat voorspellen psychometrische modellen? Wat doen ze niet?

ze voorspellen prestaties op items, maar ze verklaren ze niet

8
New cards

Wat is het doel van de cognitieve psychologie?

Het identificeren van de cognitieve architectuur: welke cognitieve processen bevinden zich tussen stimulus en respons?

9
New cards

Waarop zijn cognitieve theorieën vaak gebaseerd?

computationele systemen

10
New cards

Welke 3 dingen moet een computationeel systeem kunnen?

- perceptie: omgeving kunnen waarnemen

- categorisatie: omgeving kunnen opdelen in relevante toestanden

- ophaling: kunnen ophalen van herinneringen en deze classificaties kunnen verbinden met eerder opgeslagen informatie

11
New cards

Wat zijn Elementaire Cognitieve Taken (ECT's)?

Simpele mentale taken (zoals reactietijd meten) die basale mentale processen meten.

vb. verplaatsen van aandacht tussen 2 taken

12
New cards

Wat is het Schoolbord model?

= manier om uit te leggen hoe info in ons brein wordt verwerkt tussen wat we waarnemen en hoe we reageren.

13
New cards

Het eenvoudige Schoolbord model van de cognitieve psychologie

1. input (zintuigelijke info): komt binnen via zintuigen en tijdelijk opgeslagen in sensorische buffer

2. stimulus apprehension & verwerking: selecteren van relevante info uit de buffer en het verder verwerken ervan

3. daarna komt info in WG: 2 geheugenprocessen (modaliteitsspecifiek): primary memory (passief) & working memory (actief)

4. LTG: onderscheid tussen

-> episodisch geheugen: persoonlijke ervaringen

-> semantisch geheugen: feitenkennis

5. executieve functies: helpen bij stellen van doelen, maken van plannen, onderdrukken van irrelevante info -> laat ons meerdere taken tegelijkertijd uitvoeren

6. output: soms zorgt het WG rechtstreeks tot de initiatie van een motorische actie

14
New cards

Schoolbordmodel

Uit welke 3 belangrijke stappen bestaat Stimulus apprehension en Verwerking?

1. apprehensie: detecteren van veranderingen in info

2. discriminatie: onderscheid maken tussen stimuli

3. codering: identificeren

15
New cards

Schoolbord model

-> wat is mogelijk dr de organisatie van WG?

-> welke vormen bestaan er van het WG?

-> wat initieert informatie uit het WG soms?

- dr organisatie: meerdere taken tegelijkertijd uitoefenen mogelijk (één vd twee taken zal wel beter uitgevoerd worden)

- WG bestaat uit modaliteitsspecifieke onderdelen: verbaal, ruimtelijk, auditief, ... (verklaart wrm je verschillende soorten info tegelijkertijd kan verwerken)

- soms motorische reactie!

16
New cards

Schoolbord model

Op welke manier zijn het WG en LTG verbonden?

Ze zijn mutueel verbonden

- WG fungeert als schoolbord om info nr LTG te sturen

- WG haal info op uit LTG

17
New cards

Schoolbord model

Waarvoor is het WG cruciaal?

Waarvoor is het LTG cruciaal?

WG: voor Gf

LTG: voor Gc

18
New cards

Wat is differentiële activatie?

Je hersenen selecteren specifiek wat nodig is.

Je haalt relevante kennis naar je werkgeheugen

19
New cards

Wat is self-terminating search?

Een strategie waarbij een zoekproces stopt zodra het doel is gevonden.

Bv. bij het zoeken naar een specifiek object in een lijst, stopt de zoekactie zodra het object wordt ontdekt, in plaats van de lijst volledig door te zoeken.

20
New cards

Wat is de exhaustieve memory search?

Een zoekstrategie waarbij alle beschikbare informatie of mogelijke opties in het geheugen worden doorzocht, zelfs nadat het doel al gevonden is. Het proces stopt pas wanneer alle opties zijn gecontroleerd, ongeacht wanneer het juiste antwoord wordt gevonden.

21
New cards

Wat is Donder's paradigma?

-> wat wordt gemeten?

-> hoe wordt dat gedaan / formule?

- het meten van de snelheid van mentale processen

- we meten het verschil in reactietijd bij onafhankelijke seriële verwerking

- je ontwikkelt 2 taken die op 1 aspect van elkaar verschillen en berekent het verschil in reactietijd

- formule: R (reactietijd van het proces) = R (taak met extra proces) - R (taak zonder proces)

22
New cards

Donder's paradigma: wat is een snelheid-accuraatheid trade-off?

-> welk soort antwoorden worden daarom enkel in experimenten gebruikt?

Dit betekent dat er een balans is tussen snelheid en nauwkeurigheid

-> als je sneller wil reageren maak je meestal fouten

-> als je nauwkeuriger wil zijn duurt het vaak langer

In experimenten wordt enkel gebruik gemaakt van correcte antwoorden, zodat je kunt vergelijken hoe mensen GOED reageren.

23
New cards

Donder's paradigma: waarvan hebben we voldoende nodig?

We hebben voldoende trials (herhalingen) nodig van een taak om betrouwbare resultaten te verkrijgen.

-> één meting zegt niet genoeg

24
New cards

Op welke 3 assumpties is Donder's paradigma gebaseerd?

- seriële verwerking: mentale stappen gebeuren in een vaste volgorde

- een proces mag pas gestart worden als het vorige is afgerond

- snelheid van het ene proces is volledig onafhankelijk van de snelheid van een ander proces (= taken beïnvloeden elkaar niet)

25
New cards

Enkelvoudige (simpele) reactietijd taak = SRT's?

-> wat houdt deze taak in?

-> hoe snel reageren mensen gemiddeld?

Zo snel mogelijk reageren op 1 stimulus (vb. druk als je een rood vierkant ziet)

≠ processen: waarnemen, beslissen en motorische respons

-> mensen reageren na ongeveer 200/250 ms (500-600 ms wnr cognitieve taak toegevoegd)

26
New cards

Wat zijn Choice Reaction Time Tasks? (CRT's)

Je moet hierbij reageren op meerdere stimuli. Vb. Q indrukken bij rood, M bij groen.

Reactietijd wordt gemeten.

27
New cards

wat is: CRT, CRT2, CRT4, CRT8

CRT = beslissing over 1 iets

CRT2: binaire beslissing

CRT4: beslissing tussen 4 stimuli

CRT8: beslissing tussen 8 stimuli

...

28
New cards

Welk verband vinden we tussen aantal stimuli bij CRT en SRT's en reactietijd?

Recht evenredig verband:

hoe meer stimuli om uit te kiezen/waartussen men moet beslissen -> hoe langer de reactietijd

<p>Recht evenredig verband:</p><p>hoe meer stimuli om uit te kiezen/waartussen men moet beslissen -&gt; hoe langer de reactietijd</p>
29
New cards

Wat is het verband tussen IQ en reactietijd (Jensen)?

Als je betrouwbaar meet, hangt intelligentie samen met reactietijd:

- negatieve correlaties tussen IQ en reactietijd:

mense met een hoger IQ reageren sneller (lagere reactietijd)

- ze hebben meer consistente reactietijden!

- ze worden minder vertraagd, naarmate er meer keuzes zijn (lagere slope)

30
New cards

Wat is Movement Time (MT)?

De tijd die het kost om een motorische reactie uit te voeren, vanaf het moment van beslissing tot het voltooien van de actie.

31
New cards

Wat is een lexicale beslissingstaak?

Een cognitieve taak waarbij deelnemers moeten beslissen of een gegeven reeks letters een geldig woord is of niet.

= om specifieke onderdelen van cognitieve processen te meten

32
New cards

Wat is een semantische beslissingstaak?

Een cognitieve taak waarbij mensen moeten beslissen of het getoonde woord binnen een categorie past.

vb. schaap, paard, tafel, koe

33
New cards

Wat is inspectietijd?

de minimale hoeveelheid tijd die iemand nodig heeft om een eenvoudige visuele prikkel waar te nemen en daar een juiste beslissing over te nemen in 75% van de gevallen.

34
New cards

Wat zijn difussion models?

Beschrijven hoe beslissingen langzaam worden genomen door bewijs te accumuleren tot een drempel wordt bereikt, en worden gebruikt om reactietijden en keuzes in cognitieve taken te verklaren.

35
New cards

Wat is de Inspection Time Task (IT)?

- 2 lijnen worden kort getoond, gevolgd dr visuele maskering

- vraag: welke lijn is langer?

- tijd dat iem de lijnen mag zien wordt steeds korter

-> meten hoeveel tijd je nodig hebt om in 75% van de gevallen nog correct te antwoorden (beter dan kansniveau)

-> individuele verschillen

<p>- 2 lijnen worden kort getoond, gevolgd dr visuele maskering</p><p>- vraag: welke lijn is langer?</p><p>- tijd dat iem de lijnen mag zien wordt steeds korter</p><p>-&gt; meten hoeveel tijd je nodig hebt om in 75% van de gevallen nog correct te antwoorden (beter dan kansniveau)</p><p>-&gt; individuele verschillen</p>
36
New cards

Voordelen inspectietijdtaak

- vermijdt invloed van motoriek

- richt zich puur op perceptuele processen

- laadt op cognitieve verwerkingssnelheid in intelligentiebatterijen

37
New cards

Wat is de correlatie tussen intelligentie en SRT's?

Zo goed als onbestaand.

38
New cards

Wat is de correlatie tussen verwerkingssnelheid en g?

-> beperking van ...?

-> te weinig ...?

-> temporele stabiliteit?

-> na correcties voor deze beperkingen?

tussen -.3 en -.4: hoe sneller iem info verwerkt, hoe hoger de score op intelligentie (g)

- beperking van bereik: veel studies gebruiken enkel studenten, maar = homogene groep -> minder sterke verbanden

- te weinig proeftrials -> geen betrouwbare meting!

- matige temporele stabiliteit (= krijg je ongeveer dezelfde score als je de test later opnieuw doet?) -> .6 = matig -> DUS meting niet zo stabiel over tijd

-> betekent dat contextfactoren een rol spelen

- na correcties voor deze beperkingen: relatie tussen verwerkingssnelheid en g blijkt toch sterker te zijn -> tussen - 0.6 en - 0.7

39
New cards

Wat betekenen de correlaties tussen cognitieve taken (voor verwerkingssnelheid) en g?

-> 2 interpretaties?

-> voor welke interpretatie is er evidentie?

1) elke elementaire cognitieve taak meet een ander cognitief proces en heeft een eigen bijdrage

2) telkens wordt fundamentele snelheid van het zenuwstelsel gemeten -> dus: ze meten toch iets gemeenschappelijks (drm vinden we vergelijkbare correlaties met g: 0.6-.07)

-> er is evidentie voor beide interpretaties

40
New cards

Er is evidentie voor beide interpretaties van de correlaties tussen cognitieve taken (voor verwerkingssnelheid) en g

-> leg uit

1) er is een specifiek patroon van correlaties:

-> bepaalde cognitieve taken correleren sterker met g dan andere.

-> dat wijst erop dat verschillende taken verschillende aspecten van intelligentie meten

2) duur van de taak speelt mee:

hoe langer een taak gemiddeld duurt, hoe sterker de correlatie met g; omdat langere taken meer aandacht, denkwerk en geheugen vragen

MAAR: als een taak te lang duurt, wordt ze misschien vermoeiend of saai → dan neemt de correlatie weer af.

41
New cards

Hoe correleert inspectietijd (IT) met verschillende subtesten van de WAIS-R?

- IT correleert met alle subtesten van de WAIS-R

- meest gecorreleerd met Digit Symbol = subtest die laagst op g-factor laadt

-> IT GEEN GOEIE MAAT VOOR G-FACTOR, maar wel voor perceptuele snelheid

42
New cards

Niveau's van verbale verwerking (4)

- fysische identiteit: vb. "a" is visueel gelijk aan "a"

- naamidentiteit: hebben dezelfde letters dezelfde naam/klank ookal zien ze er anders uit vb. "A" en "a"

- lexicale identificatie: is het een echt woord? (vb. MEELAK)

- semantische identificatie: nagaan wat het woord betekent (vb. KAMEEL)

43
New cards

Verband tussen verschillende niveau's van verbale inhoud en reactietijd?

- maak onderscheid tussen hoog en laag IQ

1) bij alle taken zijn personen met een hoog IQ sneller

2) het verschil tussen mensen met een hoog en laag IQ wordt groter naarmate de taken complexer worden (vb. semantische identificatie is complexer dan fysische identiteit)

3) lineaire stijging bij beide groepen: hoe complexer de taak, hoe trager reageren (= hogere reactietijd)

<p>1) bij alle taken zijn personen met een hoog IQ sneller</p><p>2) het verschil tussen mensen met een hoog en laag IQ wordt groter naarmate de taken complexer worden (vb. semantische identificatie is complexer dan fysische identiteit) </p><p>3) lineaire stijging bij beide groepen: hoe complexer de taak, hoe trager reageren (= hogere reactietijd) </p>
44
New cards

Wat is het verband tussen de gemiddelde reactietijd op ECT's en de correlatie met die taak met de g-factor?

r = 0.98 = bijna perfect lineair!!!

- taken die meer tijd kosten hangen sterke samen met g

- simpele taken met korte reactietijden meten minder goed de g-factor

45
New cards

Wat zijn 2 grote problemen bij het gebruik van cognitieve taken om intelligentie te meten?

1) Verschillende mensen gebruiken verschillende cognitieve strategieën -> mensen lossen dezelfde taak op met verschillende strategieën

-> maakt het moeilijk om een algemene relatie te leggen tussen intelligentie en verwerkingssnelheid

2) Snelheid-accuraatheid trade-off (SATO):

-> sommigen kiezen om snel te reageren en anderen nemen meer tijd voor nauwkeurigheid

-> DUS: een trage snelheid kan komen door de strategie en niet door trage mentale verwerking -> opletten bij interpretatie!

46
New cards

Wat analyseren diffusiemodellen?

Ze analyseren niet alleen hoe snel, maar ook hoe en waarom iemand tot een beslissing komt.

47
New cards

Wat zijn 4 belangrijke parameters van diffusiemodellen?

1) starting point = plek waar je beslissingsproces begint

2) non-decision time: tijd die niet nr het besluit zelf gaat, maar nr andere processen

3) treshhold: beslissingsdrempel: de hoeveelheid evidentie die je nodig hebt om tot een beslissing te komen

-> hoge drempel: je wacht langer en wil zeker zijn = langzamer en nauwkeuriger

-> lage drempel: je beslist sneller, maar met weinig bewijs = sneller en meer fouten

4) drift: hoe snel je info verwerkt om tot een juiste beslissing te komen

-> hoge drift: je verzamelt snel genoeg bewijs -> snelle & correcte beslissingen

-> lage drift: weinig of onduidelijk bewijs -> langzaam of onzeker

48
New cards

Hogere leeftijd: wat met tresshold en non-decision time?

+ waarvoor is er geen evidentie op hogere leeftijd?

hoe ouder -> strengere treshhold en langere non-decision time

GEEN evidentie voor minder snelle verwerking

49
New cards

Wat zijn 2 verschillende betekenissen van het begrip werkgeheugen?

-> waarvoor zijn deze betekenissen belangrijk?

belangrijke onderdelen voor intelligentieonderzoek:

1) tijdelijk bijhouden van informatie zonder verwerking (situatiebewustzijn, modaliteitsspecifieke opslag)

2) centrale verwerker

-> focussen van de aandacht

-> uitvoeren van mentale operaties

-> bijhouden van info tijdens mentale bewerkingen

-> bijhouden van doelen en subdoelen

50
New cards

Wat is situation awareness?

Het bewust zijn van wat er om je heen gebeurt, het begrijpen van die informatie en het vooruitzien van wat er kan gebeuren, vooral in complexe of snel veranderende situaties.

51
New cards

Wat zijn 4 belangrijke maten (taken) voor het werkgeheugen?

1) cijferreeksen voorwaarts: passief bijhouden van verbale info (<-> achterwaarts: bijhouden en bewerkingen erop uitvoeren-

2) geheugenspan: bijhouden van info tijdens mentale bewerkingen (= een taak waarbij je info moet onthouden, maar tegelijkertijd ook iets anders doen)

-> er zijn verschillende spantaken (leesspan, numerieke span, ... -> allemaal substantieel gecorreleerd, dus er is 1 overkoepelende factor)

3) aandachtstaken

4) dubbeltaken (maar: niet noodzakelijk om geheugencapaciteit te meten) = twee taken tegelijkertijd uitvoeren

52
New cards

Wat is een geheugenspanhaak?

Wat houdt dit in?

= bijhouden van informatie tijdens mentale bewerkingen

er zijn verschillende spantaken: leesspan, numerieke span MAAR ze hebben 1 overkoepelende factor

vb. mensen krijgen verschillenden zinnen na elkaar aangeboden en moeten dan telkens het laatste woord van een zin onthouden

MAAR: woorden knn niet allemaal opgeslagen worden in de fonologische loop: meestal 2-5 woorden knn onthouden worden

-> hier zijn individuele verschillen op!

<p>= bijhouden van informatie tijdens mentale bewerkingen</p><p>er zijn verschillende spantaken: leesspan, numerieke span MAAR ze hebben 1 overkoepelende factor</p><p>vb. mensen krijgen verschillenden zinnen na elkaar aangeboden en moeten dan telkens het laatste woord van een zin onthouden</p><p>MAAR: woorden knn niet allemaal opgeslagen worden in de fonologische loop: meestal 2-5 woorden knn onthouden worden</p><p>-&gt; hier zijn individuele verschillen op! </p>
53
New cards

Wat houden eenvoudige aandachtstaken in?

-> wnr worden deze taken zo goed als perfect uitgevoerd?

- men krijgt twee kolommen met letters en moet reageren als men een klinker ziet

-> hoge toon horen: blijven bij de kolom die ze aan het lezen zijn

-> lage toon horen: wisselen van kolom bekijken

- indien IQ > 100: men voert dit zo goed als perfect uit

<p>- men krijgt twee kolommen met letters en moet reageren als men een klinker ziet</p><p>-&gt; hoge toon horen: blijven bij de kolom die ze aan het lezen zijn</p><p>-&gt; lage toon horen: wisselen van kolom bekijken</p><p>- indien IQ &gt; 100: men voert dit zo goed als perfect uit</p>
54
New cards

Wat zijn duale taken?

persoon moet focussen op twee bronnen van informatie tegelijkertijd:

- doet beroep op je aandacht & je geheugen!

- dit vraagt een continue aandachtsverschuiving v/d ene taak nr de andere zonder verlies van al te veel info

vb. in auto rijden en muziek luisteren

55
New cards

Wat houdt de taak cijferreeksen voorwaarts in?

+ op welk geheugen doet Voorwaarts beroep? op welk geheugen doet achterwaarts beroep?

VOORWAARTS: het passief bijhouden van verbale informatie

VOORWAARTS doet beroep op passief werkgeheugen (primary memory)

ACHTERWAARTS doet beroep op de centrale werker = actief werkgeheugen (working memory)

56
New cards

Verband tussen WG en intelligentie: onderscheid cijferreeksen voorwaarts en cijferreeksen achterwaarts?

-> bij welke soort is de g-lading groter?

g-lading is groter bij cijferreeksen achterwaarts

57
New cards

Waarvoor zijn duale taken niet perse nodig?

voor het meten van de WG-capaciteit

58
New cards

Verband tussen WG en intelligentie: relatie leesspan en Gc?

0 . 50

59
New cards

Verband tussen WG en intelligentie: verband g-factor en algemene WG-factor?

-> evidentie hiervoor?

-> effectgrootte afhankelijk van?

zeer hoog verband!

-> evidentie studie (1990): bijna perfecte relatie bij luchtmachtrekruten met ASVAB

-> verschillende effectgrootte afhankelijk van analysemethode

60
New cards

Effectgrootte tussen WG en g is afhankelijk van het analysemodel

- Ackerman's model?

- Oberauer's model?

-> voor welk model is er vandaag vooral steun?

- Links (Ackerman et al., 2005):▪︎ Correlatie tussen werkgeheugen en g = 0.50 → matig sterk verband▪︎ Werkgeheugen en g worden als losse constructen gemodelleerd▪︎ Er is minder overlap tussen de twee

- Rechts (Oberauer et al., 2005):▪︎ Correlatie tussen werkgeheugen en g = 0.85 → heel sterk verband▪︎ Werkgeheugen en g zijn nauwer verbonden, bijna hetzelfde gemodelleerd▪︎ Grote overlap tussen de twee constructen

-> vandaag vooral steun vr dit model! (sterke correlaties tussen g en werkgeheugentaken)

<p>- Links (Ackerman et al., 2005):▪︎ Correlatie tussen werkgeheugen en g = 0.50 → matig sterk verband▪︎ Werkgeheugen en g worden als losse constructen gemodelleerd▪︎ Er is minder overlap tussen de twee</p><p>- Rechts (Oberauer et al., 2005):▪︎ Correlatie tussen werkgeheugen en g = 0.85 → heel sterk verband▪︎ Werkgeheugen en g zijn nauwer verbonden, bijna hetzelfde gemodelleerd▪︎ Grote overlap tussen de twee constructen</p><p>-&gt; vandaag vooral steun vr dit model! (sterke correlaties tussen g en werkgeheugentaken)</p>
61
New cards

Welk aspect van het WG voorspelt de g-factor het beste?

-> waarvan is dit afhankelijk?

-> US-studie?

-> EU & Aziatische studie?

-> Griekenland-China?

-> Colom et al. (2016)?

-> culturele verschillen?

Afhankelijk van de studie is het een ander aspect!

US-studie: aandachtscontrole

EU & Aziatische studie: geheugencomponent

Griekenland-China: vonden gemiddelde verschillen tussen landen, zelfde relaties tussen WG en g

Colom et al. (2016): toont belang van geheugencomponent aan, want het is een voorwaarde voor andere WG-processen (als je info niet tijdelijk kan bijhouden, kan je ook geen bewerkingen doen)

culturele verschillen: kinderen in Australië willen het vooral snel doen, terwijl kinderen in België het vooral goed willen doen

62
New cards

Problemen bij de relatie tussen WG en intelligentie?

1) Het ene mysterieus concept vervangen door een ander mysterieus concept brengt ons niet vooruit ("iemand is slim, omdat die een goed werkgeheugen heeft", maar "wat is werkgeheugen dan precies?")

2) Er ontstaat verwarring door verschillende taken:

-> cijferreeksen voorwaarts meten vooral kortetermijngeheugen.

-> cijferreeksen achterwaarts vragen meer manipulatie en dus meer werkgeheugen.

⚠️ Maar in de praktijk worden ze soms allebei als “werkgeheugentaken” bestempeld.→ Dit maakt resultaten moeilijk te vergelijken en te interpreteren.

63
New cards

Wat is Brunwickian Symmetry?

Als je 2 dingen met elkaar vergelijkt (vb. cognitieve vaardigheden), dan moeten ze vergelijkbaar zijn in complexiteit. -> anders krijg je zinloze conclusies.

-> deze symmetrie kan toegepast worden op studies over de relatie tussen WG en intelligentie

64
New cards

Welke 3 stadia worden onderscheden in het klassiek raamwerk voor het proces van verbaal begrip?

- zuiver linguistieke processen

- hogere orde verwerkinig

- situatiemodel

65
New cards

Wat valt er onder verbaal begrip?

De vaardigheid om zowel geschreven als gesproken communicatie te begrijpen.

66
New cards

Wat betekent hoge verbale competentie niet noodzakelijk? Wat is onwaarschijnlijk?

het betekent niet noodzakelijk een hoge logische of mathematische competentie, MAAR het is onwaarschijnlijk dat er een lage competentie zal zijn

-> als je het goed doet in het ene domein heb je grotere kans om het ook goed te doen in het andere domein

67
New cards

Waarmee gaat lage verbale competentie meestal samen?

Welke uitzondering is er?

Met een lage logische en mathematische competentie.

M.u.v. Williams Syndroom: een genetische aandoening waarbij men vaak een hogere verbale intelligentie heeft dan de algemene intelligentie

-> MAAR: zijn zwak tov hun leeftijdsgenoten: tendentie om te reageren op de letterlijke betekenis van woorden/zinnen, begrijpen geen ironie

68
New cards

Wat kan 90% van de 15-jarigen niet volgens PISA-onderzoeken (2018)?

feiten van opinies in artikels onderscheiden

69
New cards

Wat is taalbegrip volgens Kintch?

Het is een interactief proces met feedback tussen:

- woordbegrip & syntax (verwerken van grammaticale structuur) = laag niveau van begrip

- tekstmodel & situatiemodel = hoog niveau van begrip

70
New cards

Wat is tekstmodel?

Het gaat over verbanden leggen tussen zinnen om ze te begrijpen.

71
New cards

Wat is situatiemodel (taalbegrip)?

Een mentale representatie van de situatie waar de tekst over gaat.

= tekst in context interpreteren

72
New cards

Welke 3 stadia onderscheidt Kintch?

1) laag niveau van begrip (bestaat uit woordbegrip & syntax)

2) tekstmodel

3) situatiemodel

73
New cards

Wat is Baddeley's drie minuten redeneertest?

een test die linguïstische vaardigheden meet op een laag niveau (syntax en woordbegrip) -> iedereen die kan lezen, kan deze taak, maar er zijn individuele verschillen in reactietijd.

<p>een test die linguïstische vaardigheden meet op een laag niveau (syntax en woordbegrip) -&gt; iedereen die kan lezen, kan deze taak, maar er zijn individuele verschillen in reactietijd.</p>
74
New cards

Baddeley's drie minuten redeneertest: hoe correleert deze met verbale intelligentie?

0 . 60 -> dus: ook eenvoudige cognitieve processen zeggen iets over uw intelligentie.

75
New cards

Hoe laadt de woordkennis van de WAIS op de g-factor?

MAAR? (linguïstische vaardigheden op een laag niveau)

.80, MAAR woordkennis is op zich geen informatie-verwerkingscomponent -> het kennen van woorden zegt niet direct iets over cognitieve verwerkingssnelheid of probleemoplossend vermogen.

wél belangrijk = snelheid waarmee info wordt opgehaald!

(hoe snel kan iem een woord herkennen en gebruiken?)

76
New cards

Waarbinnen zijn weinig individuele verschillen te vinden qua verbaal begrip?

semantische priming: woorden die recent getoond worden voor testafname hebben een snellere reactietijd als ze in testen zitten

77
New cards

Wat is het effect van WG op zinsherkenning?

hoe groter het WG -> hoe sneller + meer gedifferentieerd mensen zinnen kunnen verwerken en begrijpen.

-> mensen met groter WG blijven rekening houden met alle mogelijke betekenissen

-> mensen met kleiner WG kiezen één alternatief en gaan daarmee verder

78
New cards

Wat heeft een kleinere impact bij mensen met een groter WG?

Welke conclusie kunnen we hieruit trekken?

gelijktijdige taken hebben minder impact -> WG is minder benadeeld door gelijktijdige taken

-> DUS: verbaal werkgeheugen is niet alleen opslag, maar ook procescapaciteit

m.a.w.: het gaat niet enkel om hoeveel informatie je kunt vasthouden,

Maar ook om hoe efficiënt je die informatie kunt gebruiken tijdens cognitieve taken zoals zinsbegrip of redeneren.

79
New cards

Linguïstische vaardigheden op een hoog niveau

"In case you missed it, a few days ago, Senator Clinton tried to spend $1 million on the Woodstock Concert Museum. Now, my friends, I wasn't there. I'm sure it was a cultural and pharmaceutical event ... I was tied up at the time."

Senator John McCain, Oct. 29, 2007, at a Republican debate in Orlando, Florida

(hoog niveau = tekstmodel & situatiemodel(

er is een complexe wisselwerking tussen LTG en WG:

- tekstmodel: zin per zin ontleden en de betekenis per zin aanpassen aan de nieuwe info die je krijgt

- situatiemodel: de context die je kent toepassen op de tekst

-> weinig achtergrondkennis hebben kan dus een probleem vormen

80
New cards

Welk onderscheid vormt een probleem om te knn begrijpen of iemand al dan niet linguïstische vaardigheden op een hoog niveau heeft?

onderscheid culturele achtergrond en vaardigheid

- begrijpt iemand een tekst minder goed omdat hij/zij minder vaardig is in taalverwerking?

- of omdat hij/zij niet de juiste culturele of contextuele achtergrondkennis heeft?

81
New cards

Wat is visuele vaardigheid en wat is ruimtelijke vaardigheid?

Visueel = de vaardigheid om objecten in het visuele veld waar te nemen, te herkennen en te analyseren

Ruimtelijk = vaardigheden om objecten mentaal te manipuleren

82
New cards

Wat is spatiale vaardigheid?

= het kunnen redeneren over echte of ingebeelde bewegingen in de ruimte, inclusief je eigen positie tov andere mensen of objecten

83
New cards

Waarvoor staat Gv?

visueel-ruimtelijke verwerking

84
New cards

Wat zijn 5 typische testen (factoren) voor visueel-ruimtelijke vaardigheden (Gv)?

-> welke correlaties worden gevonden?

1) closure of forms

2) speed of closure

3) speed of rotation

4) visualization

5) memory for shapes

-> er worden substantieel correlaties gevonden tussen de factoren, wijst op onderliggende gemeenschappelijke factor

85
New cards

Wat is de relatie tussen de g-factor en wegzoeken?

De g-factor is een voorspeller voor wegzoeken.

86
New cards

Uit de 5 typische testen: welke correleren het hoogst?

Speed of rotation & vizualization (.77)

87
New cards

Wat is closure of forms (test voor Gv)?

= vormherkenning uit incomplete informatie: je ziet een deels verborgen of onvolledige tekening en moet herkennen wat het voorstelt

88
New cards

Wat is speed of closure? (test voor Gv)?

Hoe snel kan je een vorm vanuit incomplete informatie herkennen?

89
New cards

Wat is speed of rotation? (test voor Gv)?

Zo snel mogelijk voorspellen hoe een object eruit zal zien na rotatie.

90
New cards

Wat is vizualisation?

Mentale bewerkingen doen op visuele info.

91
New cards

Wat is memory for shapes?

Vormen onthouden in het KTG.

92
New cards

Welke 2 zaken gebruiken dezelfde mentale operaties binnen visueel-ruimtelijke vaardigheid?

-> welke taak kunnen we hiervoor gebruiken?

Bewerkingen op waargenomen & op voorgestelde figuren (mentale voorstelling) gebruiken dezelfde mentale operaties.

taak:

- Links: Target (doelstimulus) – bijv. de letter R en een pijl.

- Rechts: Comparison (vergelijkingsstimulus) – een gedraaide of gespiegeld-versie van de target.

- De taak van de proefpersoon is om te bepalen of de comparison overeenkomt met of verschilt van de target (na rotatie of spiegeling).

<p>Bewerkingen op waargenomen &amp; op voorgestelde figuren (mentale voorstelling) gebruiken dezelfde mentale operaties.</p><p>taak: </p><p>- Links: Target (doelstimulus) – bijv. de letter R en een pijl.</p><p>- Rechts: Comparison (vergelijkingsstimulus) – een gedraaide of gespiegeld-versie van de target.</p><p>- De taak van de proefpersoon is om te bepalen of de comparison overeenkomt met of verschilt van de target (na rotatie of spiegeling).</p>
93
New cards

Wat blijkt uit reactietijdstudins van mentale rotaties?

-> wat werd getest?

-> wat zien we als een letter in tegenwijzerzin geroteerd is?

-> wat is het doordeel bij tussentijdse oriëntaties?

Hoe verder een object mentaal geroteerd moet worden, hoe langer de reactietijd.

wat getest: een letter werd getoond in een geroteerde versie: deelnemer moet oordelen of het dezelfde letter is of het spiegelbeeld?

reactietijd neemt lineair toe met rotatiehoek, MAAR: als je een letter 90° tegenwijzerszin moet draaien, kiezen mensen vaak om die als 270° met de klok mee te roteren (dat voelt natuurlijker).

oordeel tussentijdse oriëntaties: hoe meer de aangeboden letter afwijkt van de verwachte of normale oriëntatie, hoe langer de reactietijd.

94
New cards

Experiment: Met welke soorten intelligentie (3) hangen verschillende visuele/ruimtelijke taken samen?

-> wat kunnen we concluderen?

Gc = crystallized intelligentie

Gv = visueel-ruimtelijke intelligentie

Gs = verwerkingssnelheid (speed)

conclusie: hoe complexer de visueel-ruimtelijke taak (zoals combineren + draaien), hoe sterker de relatie met ruimtelijke intelligentie (Gv)

ook positive manifold: naarmate taken complexer worden op één domein gaat het meer correleren met andere domeinen

<p>Gc = crystallized intelligentie</p><p>Gv = visueel-ruimtelijke intelligentie</p><p>Gs = verwerkingssnelheid (speed)</p><p>conclusie: hoe complexer de visueel-ruimtelijke taak (zoals combineren + draaien), hoe sterker de relatie met ruimtelijke intelligentie (Gv)</p><p>ook positive manifold: naarmate taken complexer worden op één domein gaat het meer correleren met andere domeinen</p>
95
New cards

Expriment visualisatietaak (A in driehoek)

- correleert met andere visuele intelligentietaken

- verschillen in hoe hard mensen zich iets mentaal kunnen voorstellen (kan helpen, maar niet noodzakelijk om goed te zijn in taken)

<p>- correleert met andere visuele intelligentietaken</p><p>- verschillen in hoe hard mensen zich iets mentaal kunnen voorstellen (kan helpen, maar niet noodzakelijk om goed te zijn in taken)</p>
96
New cards

Experiment visualisatietaak (A in driehoek): wat is een betere voorspeller voor Gv: objectief gemeten visuele en ruimtelijke vaardigheden of subjectieve zelfinschattingen?

objectief gemeten visuele en ruimtelijke vaardigheden

<p>objectief gemeten visuele en ruimtelijke vaardigheden</p>
97
New cards

Wat is vizualization (test voor Gv)?

Bewerkingen op visueel materiaal: hoe zal een figuur eruit zien als ik ... verander?

98
New cards

Wat is memory of shapes (test voor Gv)?

Test je visueel-ruimtelijk geheugen.

Je ziet een reeks vormen en moet ze daarna herkennen of reconstrueren.

= vormen onthouden in KTG

99
New cards

Er is evidentie voor .... op ... representaties van ... stimuli

-> wat is het ruimtelijk IQ?

-> waarover gaat het hierbij niet noodzakelijk? geslachtsverschil?

er is evidentie voor mentale bewerkingen op interne representaties van externe stimuli

-> het ruimtelijk IQ =

Constructie van mentale representaties (iets mentaal opbouwen),

Retentie (vasthouden van beelden in het geheugen),

Manipulatie (bijv. roteren, spiegelen, herschikken in gedachten

-> het gaat niet noodzakelijk over bewuste waarneming: ruimtelijke verwerking kan ook plaatsvinden zonder dat mensen bewustzijn hiervan

-> vrouwen doen meer aan visueel bewust voorstellen

100
New cards

Ruimtelijke IQ-tests: met wat zijn ze moeilijk te meten?

-> wat zijn nieuwe mogelijkheden?

- met klassieke IQ-tests

- nieuwe mogelijkheden zijn er met virtuele omgevingen