1/125
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
être
zijn
être en train de
aan het … zijn
avoir
hebben
avoir envie de
zin hebben in / zin hebben om te
avoir l’air +adj.
er … uitzien
avoir besoin de
nodig hebben
avoir … ans
… jaar oud zijn
avoir peur (de)
bang zijn (van)
avoir lieu
plaatsvinden
aller
gaan
faire
doen / maken
faire attention (à)
opletten (voor)
il fait +adj.
het is … weer
dire
zeggen
interdire (de)
verbieden (om te)
pouvoir
kunnen / mogen
vouloir
willen
prendre
nemen
apprendre
leren
apprendre à
leren om te
comprendre
begrijpen
entreprendre
beginnen met / ondernemen
surprendre
verrassen
devoir
moeten
s’asseoir
gaan zitten
être assis
zitten
battre
slaan / verslaan
se battre
vechten
combattre
bestrijden / vechten tegen
boire
drinken
bouillir
koken (van vloeistof)
conclure
besluiten / afsluiten
exclure
uitsluiten
inclure
bijvoegen
connaître
kennen
paraître
lijken
apparaître
verschijnen
disparaître
verdwijnen
reconnaître
herkennen
Je suis en train d’étudier.
Ik ben aan het studeren.
J’ai envie d’un biscuit.
Ik heb zin in een koekje.
J’ai envie de venir.
Ik heb zin om te komen.
Elle a l’air triste.
Zij ziet er verdrietig uit.
Tu as besoin d’argent?
Heb je geld nodig?
Elle a 20 ans aujourd’hui.
Zij is 20 jaar vandaag.
J’ai peur d’araignées.
Ik ben bang van spinnen.
Le concert a lieu lundi.
Het concert vindt plaats maandag.
Il a appris à marcher.
Hij heeft leren lopen.
Il faut l’apprendre par coeur.
Je moet het uit het hoofd leren.
Je m’assieds dans le sofa.
Ik ga zitten in de zetel.
Je suis assis dans le sofa.
Ik zit in de zetel.
Le pot-au-feu doit bouillir 2 heures.
De stoofpot moet 2 uur koken.
Le chef prépare/cuisine/cuit la soupe.
De chef kookt de soep.
La soupe bout.
De soep kookt.
Elle paraît sévère.
Zij lijkt streng.
Il paraît qu’elle vient.
Het lijkt dat ze komt.
courir
lopen
parcourir
doorkruisen / snel doorlezen
croire
geloven / denken
croire en
geloven in
cueillir
plukken
écrire
schrijven
décrire
beschrijven
(s’)inscrire (à)
(zich) inschrijven (in/voor)
émouvoir
ontroeren
envoyer
verzenden, sturen
renvoyer
terugsturen
falloir
moeten
fuir
ontvluchten
Ils ont fui leur pays.
Ze zijn hun land ontvlucht.
s’enfuir (de)
wegvluchten (van)
Ils se sont enfuis de l’explosion.
Ze zijn weggevlucht van de explosie.
haïr
haten
lire
lezen
élire
verkiezen
relire
herlezen, nalezen
mettre
plaatsen/zetten/leggen/doen
se mettre à +inf.
beginnen
mets tes affaires dans le sac.
Doe je spullen in de tas.
Elle s’est mise à pleurer.
Ze is beginnen wenen.
permettre
toestaan
promettre (de)
beloven (om te)
admettre
toegeven
mourir (de)
sterven (aan)
plaire
leuk vinden
ça me plaît beaucoup.
Ik vind dat erg leuk.
se plaire
prettig vinden
pleuvoir
regenen
recevoir
ontvangen/krijgen
apercevoir
opmerken
décevoir
ontgoochelen
résoudre
oplossen
rire
lachen
sourire (à)
glimlachen (naar)
savoir
weten / kunnen
Il sait bien nager.
Hij kan goed zwemmen.
suffire
voldoende zijn
ça suffit!
zo is het genoeg!
il suffit de…
je hoeft maar…
suivre
volgen