1/122
Een complete set flashcards voor de thematische woordenschat van Accounting Administration, inclusief begrippen, documenten, belastingen, loonadministratie en software.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Activa
Bezittingen van een bedrijf, zoals machines, gebouwen en banktegoeden.
Passiva
Schulden en verplichtingen van een bedrijf, zoals leningen en openstaande facturen.
Balans
Een financieel overzicht van de activa, passiva en het eigen vermogen van een bedrijf op een bepaald moment.
Resultatenrekening (winst- en verliesrekening)
Een overzicht van de inkomsten en uitgaven over een periode.
Eigen vermogen
Het deel van het bedrijfskapitaal dat door de eigenaren wordt ingebracht.
Vreemd vermogen
Geleend geld dat het bedrijf moet terugbetalen.
Liquiditeit
De mate waarin een bedrijf zijn korte termijn verplichtingen kan nakomen.
Solvabiliteit
De mate waarin een bedrijf met zijn eigen vermogen aan zijn schulden kan voldoen.
Exploitatierekening
Een overzicht van de opbrengsten en kosten uit de normale bedrijfsvoering.
Afsluiten
Een financiële periode (bijv. maand of jaar) boekhoudkundig afronden.
Afschrijving
De waardevermindering van activa zoals machines en gebouwen.
Amortisatie
Het geleidelijk aflossen van een lening of schuld.
Overlopende posten
Kosten of opbrengsten die al geboekt moeten worden, maar pas later worden betaald of ontvangen.
Rentevoet
De kosten van een lening, uitgedrukt als een percentage per jaar.
Boekwaarde
De waarde van een actief na afschrijving.
Materiële vaste activa
Tastbare bezittingen zoals gebouwen en machines.
Immateriële vaste activa
Niet-tastbare bezittingen zoals patenten en goodwill.
Goodwill
De meerwaarde van een bedrijf bij overname, bovenop de boekhoudkundige waarde.
Boekhouden
Financiële gegevens systematisch bijhouden.
Controleren
Nakijken of de boekhouding correct is.
Afstemmen
Vergelijken van boekhoudkundige gegevens met externe gegevens (bijv. bankafschriften).
Afschrijven (werkwoord)
De waarde van een actief verminderen over een bepaalde periode.
Reserveren
Geld opzij zetten voor toekomstige kosten of investeringen.
Verantwoorden
Financiële gegevens uitleggen en onderbouwen.
Factuur
Een rekening voor geleverde goederen of diensten.
Proforma-factuur
Een voorlopige factuur die nog niet juridisch bindend is.
Creditnota
Een correctie op een eerdere factuur (bijvoorbeeld bij retourzendingen).
Debetnota
Een factuur die extra kosten toevoegt aan een eerdere factuur.
Kasboek
Een overzicht van alle contante betalingen en ontvangsten.
Bankafschrift
Een overzicht van transacties op een bankrekening.
Grootboek
Het totaaloverzicht van alle financiële transacties.
Journaalpost
Een boekhoudkundige registratie van een transactie.
Memorialboek
Een boek waarin diverse financiële mutaties worden geregistreerd die niet in een specifiek dagboek passen.
Financieel jaarverslag
Een rapport over de financiële situatie en prestaties van een onderneming.
Kasstroomoverzicht
Een rapport over de in- en uitgaande geldstromen van een bedrijf.
Liquiditeitsbegroting
Een prognose van de verwachte kasstromen.
Journaal
Een overzicht van alle boekhoudkundige transacties.
Memoriaalboeking
Een correctieboeking die niet direct aan een factuur of betaling gekoppeld is.
Opstellen
Financiële documenten maken.
Registreren
Een transactie vastleggen in de administratie.
Afletteren
Facturen en betalingen met elkaar matchen.
Opboeken
Een bedrag aan een bepaalde rekening toewijzen.
Splitsen
Een bedrag verdelen over meerdere grootboekrekeningen.
BTW (Belasting Toegevoegde Waarde)
Een belasting op goederen en diensten.
Accijns
Belasting op specifieke producten zoals alcohol en tabak.
BTW-aangifte
De periodieke rapportage van de ontvangen en betaalde BTW aan de belastingdienst.
Omzetbelasting
Een ander woord voor BTW; belasting die geheven wordt op de omzet van een bedrijf.
Vennootschapsbelasting
Belasting over de winst van een onderneming (voor BV’s en NV’s).
Loonheffing
Belasting die wordt ingehouden op het salaris van een werknemer en afgedragen aan de Belastingdienst.
Inkomstenbelasting
Belasting die particulieren en ondernemers betalen over hun inkomsten.
Aftrekposten
Kosten die bedrijven of particulieren mogen aftrekken van hun belastbare winst.
Voorbelasting
De BTW die een bedrijf betaalt bij inkoop en mag verrekenen met ontvangen BTW.
Dividendbelasting
Belasting op uitgekeerde winsten aan aandeelhouders.
Berekenen
Belastingbedragen uitrekenen.
Aangeven
Belastingaangiftes indienen bij de belastingdienst.
Afdragen
Belastingen of heffingen betalen.
Aangifte doen
Belastingen indienen bij de Belastingdienst.
Verrekenen
De betaalde BTW aftrekken van de ontvangen BTW.
Aftrekken
Specifieke kosten verminderen in de belastingaangifte.
Betalingsbalans
Een overzicht van alle inkomende en uitgaande betalingen van een bedrijf.
Kredietlimiet
Het maximale bedrag dat een klant op krediet kan besteden.
Leasing
Een vorm van financiering waarbij een bedrijf activa huurt in plaats van koopt.
Factoring
Het verkopen van openstaande facturen aan een externe partij om direct geld te ontvangen.
Liquiditeitsratio
De verhouding tussen de kortlopende activa en kortlopende verplichtingen van een bedrijf.
Debiteuren
Klanten die nog moeten betalen.
Crediteuren
Leveranciers die nog betaald moeten worden.
Openstaande posten
Facturen die nog niet betaald zijn.
Betalingstermijn
De periode waarin een factuur betaald moet worden (bijv. 30 dagen).
Automatische incasso
Een methode waarbij betalingen automatisch worden afgeschreven van een bankrekening.
SEPA-overschrijving
Een Europese standaard voor bankoverschrijvingen.
Kasstroombeheer
Het monitoren en plannen van inkomende en uitgaande betalingen.
Verwerken
Betalingen registreren en afletteren.
Storneren
Een foutieve betaling terugboeken.
Overboeken
Geld van de ene naar de andere rekening verplaatsen.
Betalen
Geld overmaken naar een leverancier.
Incasseren
Geld innen van een klant.
Aanmanen
Een klant herinneren aan een openstaande betaling.
Brutoloon
Het loon vóór aftrek van belasting en premies.
Nettoloon
Het loon dat een werknemer daadwerkelijk ontvangt na inhoudingen.
Werkgeverslasten
Extra kosten die een werkgever betaalt bovenop het brutoloon, zoals sociale premies.
Cafetariaplan
Een flexibel beloningssysteem waarin werknemers hun arbeidsvoorwaarden kunnen kiezen.
Bijtelling
Het bedrag dat bij het loon wordt opgeteld als een werknemer een auto van de zaak rijdt.
Dertiende maand
Een extra maand salaris als bonus aan het einde van het jaar.
Uitbetalen
Lonen overmaken naar werknemers.
Break-evenpunt
Het punt waarop kosten en opbrengsten precies gelijk zijn.
EBIT
Earnings Before Interest and Taxes; de winst vóór rente en belastingen.
EBITDA
Earnings Before Interest, Taxes, Depreciation, and Amortization; de winst vóór rente, belastingen, afschrijvingen en amortisatie.
ROI
Return on Investment; de verhouding tussen de winst en de investering.
Rentabiliteit
Hoeveel winst een bedrijf maakt ten opzichte van de investering.
Quick ratio
Een maatstaf voor de liquiditeit, waarbij alleen direct beschikbare middelen worden meegerekend.
Analyseren
Financiële gegevens interpreteren om trends en verbeterpunten te vinden.
Benchmarken
Financiële prestaties vergelijken met andere bedrijven.
Projecteren
Toekomstige financiële prestaties inschatten op basis van data.
Arbowetgeving
Regels over veiligheid en gezondheid op de werkvloer.
Fiscale eenheid
Een groep van bedrijven die als één entiteit belasting betaalt.
Privacywetgeving (AVG)
Regels over het verwerken van persoonsgegevens.
UBO-register
Een register waarin de uiteindelijke belanghebbenden van bedrijven worden geregistreerd.
Boekhoudplicht
De wettelijke verplichting om een administratie bij te houden.
Rapporteren
Financiële gegevens verstrekken aan overheidsinstanties.
Verklaren
Uitleg geven over financiële of fiscale kwesties.