Week 1 ZS 1+ HC 1

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/230

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 3:19 PM on 6/21/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

231 Terms

1
New cards

Wat is het fysiologische doel van de hemostase?

Het fysiologische proces stop bloedverlies na een vaatbeschadiging, terwijl de bloedstroom in de rest van de circulatie behouden blijft.

2
New cards

Welke overkoepelende hoofdbestanddelen zorgen samen voor het proces van de hemostase?

De vaatwand (het endotheel), trombocyten, het stollingssysteem, stollingsinhibitoren (antistollingsmechanismen) en de fibrinolyse.

3
New cards

Wat is het gezamenlijke resultaat van het samenspel tussen de vijf hoofdbestanddelen van de hemostase?

De vorming van een gecontroleerd en lokaal stolsel zonder dat er ongewenste trombose ontstaat.

4
New cards

Wanneer treedt Stadium 1: Vasoconstrictie van de hemostase op?

Bij beschadiging van een bloedvat.

5
New cards

Welke mechanismen liggen ten grondslag aan het ontstaan van Stadium 1: Vasoconstrictie?

Een lokaal spierspasme (vaatspasme) van het vat en tromboxaan A2 (een vasoconstrictor afkomstig uit trombocyten).

6
New cards

Wat is het gevolg van een grotere vaatbeschadiging op het vaatspasme tijdens de vasoconstrictie?

Een grotere beschadiging geeft een sterker vaatspasme.

7
New cards

Wat gebeurt er op microniveau bij een vaatwanddefect aan het begin van de trombocytenadhesie bij Stadium 2: Primaire hemostase?

Subendotheliaal collageen komt vrij.

8
New cards

Via welke specifieke receptor binden trombocyten aan circulerend von Willebrand factor (vWF) tijdens de trombocytenadhesie?

De GP-Ib-receptor.

9
New cards

Wat is het mechanisme en de functie van de binding van von Willebrand factor (vWF) tijdens de trombocytenadhesie?

vWF bindt aan het collageen in de vaatwand en vormt zo een brugmolecuul tussen de trombocyt en het collageen.

10
New cards

Via welke specifieke receptor kan de trombocyt direct of indirect binden aan fibronectine tijdens de trombocytenadhesie?

De GP-Ia-receptor.

11
New cards

Wat is de eigenschap van fibronectine wat betreft binding tijdens de trombocytenadhesie?

Het bindt aan collageen.

12
New cards

Wat is het gevolg van de trombocytenactivatie binnen Stadium 2: Primaire hemostase?

Uit de alfa- en dense granulae van de trombocyt komen stoffen vrij (waaronder ADP en tromboxaan) die zorgen voor verdere activatie van trombocyten.

13
New cards

Wat is het directe gevolg van de trombocytenactivatie aan het begin van de trombocytenaggregatie?

Een vormverandering van de plaatjes.

14
New cards

Wat is het mechanisme dat in werking treedt bij de vormverandering van de plaatjes tijdens de trombocytenaggregatie?

Het flip-flopmechanisme, waarbij door omkering van de membraan de GP-IIb/IIIa-receptor zich aan het trombocytoppervlak bevindt.

15
New cards

Welke specifieke structuur wordt gebonden door de GP-IIb/IIIa-receptor aan het trombocytoppervlak tijdens de trombocytenaggregatie?

Fibrinogeen.

16
New cards

Wat is de functie en het gevolg van de binding van fibrinogeen aan de GP-IIb/IIIa-receptor tijdens de trombocytenaggregatie?

Fibrinogeen vormt een brug tussen andere geactiveerde trombocyten die deze receptor ook aan hun oppervlakte hebben.

17
New cards

Wat is de definitie van Stadium 3: Secundaire hemostase?

Dit is het proces waarbij door activatie van stollingsfactoren in het bloed fibrineddraden worden gevormd.

18
New cards

Wat gebeurt er op microniveau met Tissue Factor (TF) door beschadigd endotheel aan het begin van de secundaire hemostase?

Subendotheliaal gelegen Tissue Factor (TF) komt in aanraking met het bloed.

19
New cards

Wat is de directe vervolgstap nadat Tissue Factor (TF) in aanraking komt met het bloed?

TF vormt een complex met de actieve factor VIIa (TF/factor VIIa-complex).

20
New cards

Wat is het directe gevolg van de binding aan het TF/factor VIIa-complex?

Factor X wordt omgezet in het actieve factor Xa.

21
New cards

Wat is de directe vervolgstap nadat factor Xa is gevormd in de stollingscascade?

Factor Xa zet, samen met cofactor V, factor II (protrombine) om in factor IIa (trombine).

22
New cards

Wat is het directe gevolg van de vorming van factor IIa (trombine) in de stollingscascade?

Factor IIa zorgt voor de omzetting van fibrinogeen in fibrine.

23
New cards

Welke specifieke structurele eigenschap bezitten geactiveerde trombocyten aan hun oppervlak ten behoeve van de stollingscascade?

Ze bevatten negatief geladen fosfolipiden aan hun oppervlak.

24
New cards

Wat is de functie van het negatief geladen fosfolipidenoppervlak van geactiveerde trombocyten?

Dit oppervlak fungeert als basis waarop stollingsfactoren kunnen binden en stollingscomplexen kunnen vormen voor een efficiënte cascade.

25
New cards

Waarom is calcium essentieel tijdens de stollingscascade op het fosfolipidenoppervlak?

Het laat de vitamine K-afhankelijke stollingsfactoren II, VII, IX en X hechten aan het negatief geladen fosfolipidenoppervlak.

26
New cards

Wat is het gevolg van een tekort aan calcium voor de stollingscascade?

Stollingscomplexen kunnen niet gevormd worden en de stollingscascade verloopt niet normaal.

27
New cards

Wat zijn de morfologische basiskenmerken van trombocyten?

Trombocyten zijn platte, kernloze celfragmenten.

28
New cards

Uit welke cellen, op welke locatie en onder invloed van welk hormoon worden trombocyten gevormd?

Uit megakaryocyten in het beenmerg onder invloed van het hormoon trombopoëtine.

29
New cards

Waar wordt het hormoon trombopoëtine geproduceerd?

In de lever.

30
New cards

Wat is de gemiddelde levensduur van een trombocyt?

Ongeveer 10 dagen.

31
New cards

Hoeveel trombocyten worden er gemiddeld per uur aangemaakt?

Gemiddeld 8 miljard trombocyten per uur.

32
New cards

Wat is de normale referentiewaarde voor het aantal trombocyten per liter bloed?

Tussen de 150 en 450 miljard trombocyten.

33
New cards

Welke overkoepelende activatieroutes kunnen leiden tot de activatie van trombocyten?

Shear stress, ADP, epinefrine, collageen, trombine en tromboxaan.

34
New cards

Wat is het directe intracellulaire gevolg van de verschillende activatieroutes in de trombocyt?

Een verhoging van de intracellulaire calciumconcentratie in de trombocyt.

35
New cards

Wat is het gevolg van de verhoging van de intracellulaire calciumconcentratie in de granules van de trombocyt?

Vasoactieve stoffen (zoals ADP en TXA2) worden afgegeven uit de granules.

36
New cards

Wat gebeurt er met glycoproteïnen aan het celoppervlak gelijktijdig met de afgifte van stoffen uit de granules?

Specifieke glycoproteïnen aan het celoppervlak worden geactiveerd of tot expressie gebracht.

37
New cards

Wat is de specifieke functie van de receptor GP Ia/IIa bij de activatieroutes?

Het bindt aan collageen in het beschadigde deel van de vaatwand voor hechting.

38
New cards

Wat is de specifieke functie van de receptor GP Ib/V/IX bij de activatieroutes?

Het bindt aan de von Willebrand factor (VWF), die fungeert als een brug tussen de trombocyt en het beschadigde vaatoppervlak om de trombocyt af te remmen en steviger te laten hechten.

39
New cards

Wanneer komt het receptorcomplex GP IIb/IIIa tot expressie en wat is de functie ervan bij de activatieroutes?

Het komt na vormverandering tot expressie en bindt fibrinogeen, wat de onderlinge verbinding en aggregatie van trombocyten mogelijk maakt.

40
New cards

Wat kan er gebeuren wanneer de fysiologische processen van de hemostase verstoord raken?

Er kan trombose ontstaan.

41
New cards

Wat is de definitie en samenstelling van een trombus?

Een gelokaliseerde, vaste massa van bloedbestanddelen binnen een bloedvat of het hart, bestaande uit fibrine, trombocyten en bloedcellen waarvan de exacte samenstelling varieert.

42
New cards

Wat is de definitie van een embolus?

Losgeraakt materiaal van een trombus (geheel of gedeeltelijk) dat via de bloedbaan wordt meegevoerd.

43
New cards

Wat is de definitie en het gevolg van een embolie?

Het proces waarbij een embolus vastloopt in een kleiner bloedvat, wat kan leiden tot ischemie (verminderde doorbloeding) en infarcering of weefselbeschadiging.

44
New cards

Welke overkoepelende risicofactoren vormen samen de Triade van Virchow voor het ontstaan van trombose?

Hypercoagulabiliteit, hemodynamische veranderingen en vaatwandbeschadiging.

45
New cards

Wat houdt de risicofactor hypercoagulabiliteit uit de Triade van Virchow in?

Een verhoogde stollingsneiging van het bloed.

46
New cards

Welke specifieke fenomenen vallen onder de hemodynamische veranderingen uit de Triade van Virchow?

Stase (vertraagde of stilstaande bloedstroom) of turbulente bloedstroming.

47
New cards

Wat houdt de risicofactor vaatwandbeschadiging uit de Triade van Virchow in?

Beschadiging, disfunctie of structurele afwijkingen van het endotheel.

48
New cards

Wat zijn de morfologische kenmerken van de normale binnenbekleding van het endotheel?

Het vormt de binnenbekleding van bloedvaten en heeft een glad, antitrombotisch oppervlak.

49
New cards

Wat is de functie van stikstofmonoxide (NO) dat door het endotheel wordt geproduceerd?

Het veroorzaakt vasodilatatie en remt trombocytenaggregatie.

50
New cards

Welke algemene processen worden gereguleerd door een normaal functionerend endotheel?

Hemostase, inflammatie en vaattonus.

51
New cards

Welke specifieke risicofactoren kunnen aan de basis liggen van de initiatie van een atherosclerotische plaque?

Hypertensie, hypercholesterolemie, diabetes mellitus, obesitas en roken.

52
New cards

Wat is het directe gevolg van de risicofactoren op het endotheel tijdens de initiatiefase van plaquevorming?

Beschadiging of disfunctie van het endotheel, waardoor de permeabiliteit van de vaatwand toeneemt.

53
New cards

Wat gebeurt er tijdens de infiltratiefase van de atherosclerotische plaquevorming?

Lipoproteïnen (vooral LDL-cholesterol) en ontstekingscellen dringen de vaatwand binnen.

54
New cards

Wat gebeurt er op cellulair niveau tijdens de adhesie- en migratiefase van de plaquevorming?

Adhesiemoleculen komen tot expressie, monocyten hechten aan het endotheel en migreren naar de intima.

55
New cards

Hoe verloopt het mechanisme van schuimcelvorming en wat is het directe morfologische resultaat hiervan?

Monocyten differentiëren tot macrofagen, nemen geoxideerd LDL op en transformeren tot schuimcellen, waarvan de ophoping de fatty streak vormt.

56
New cards

Wat gebeurt er op cellulair niveau tijdens de fase van plaqueprogressie?

Gladde spiercellen migreren vanuit de media naar de intima, produceren extracellulaire matrixcomponenten (zoals collageen) en vormen een fibreuze kap boven de lipidenkern.

57
New cards

Wat is het mechanische gevolg van de atherosclerotische plaque tijdens de progressiefase?

Het kan het vaatlumen vernauwen.

58
New cards

Wat kan er gebeuren met de fibreuze kap tijdens de laatste fase van atherosclerose en wat is daarvan het directe gevolg?

De fibreuze kap kan verzwakken en ruptureren, waardoor sterk trombogeen materiaal in contact komt met het bloed.

59
New cards

Wat is het gevolg van het contact tussen het bloed en het trombogene materiaal na een plaqueruptuur?

Dit activeert de trombocyten en de stollingscascade, met de vorming van een trombus tot gevolg.

60
New cards

Tot welke acute klinische aandoeningen kan een trombusvorming na een plaqueruptuur leiden?

Acute cardiovasculaire aandoeningen zoals een myocardinfarct of een cerebrovasculair accident (CVA).

61
New cards

Wat is de definitie van een hemorragische diathese?

Een verzamelterm voor aandoeningen met een verhoogde bloedingsneiging door stoornissen in de hemostase.

62
New cards

Welke overkoepelende oorzaken kunnen ten grondslag liggen aan een hemorragische diathese?

Trombocytenstoornissen, stollingsfactordeficiënties, vasculaire defecten en stoornissen in de fibrinolyse.

63
New cards

Wat is het mechanisme en het gevolg van trombocytenstoornissen bij een hemorragische diathese?

Trombocytopenie (tekort) of trombocytopathieën (onvoldoende functie), waardoor de primaire hemostase deficiënt is.

64
New cards

Wat is het gevolg van stollingsfactordeficiënties bij een hemorragische diathese?

Onvoldoende fibrinevorming.

65
New cards

Wat is het pathofysiologische kenmerk van vasculaire defecten bij een hemorragische diathese?

Een verhoogde fragiliteit van de vaatwand.

66
New cards

Wat is het pathofysiologische gevolg van stoornissen in de fibrinolyse bij een hemorragische diathese?

Overmatige afbraak van gevormde stolsels.

67
New cards

Wat zijn de laboratoriumtechnische kenmerken van de erfelijke stollingsstoornis hemofilie?

Gekenmerkt door een verlengde geactiveerde partiële tromboplastinetijd (aPTT), een normale protrombinetijd (PT) en verlaagde factoractiviteit.

68
New cards

Wat is het biochemische gevolg van de laboratoriumafwijkingen bij hemofilie?

Verminderde trombine- en fibrinevorming.

69
New cards

Wat is de specifieke oorzaak van hemofilie A?

Een tekort aan factor VIII.

70
New cards

Wat is de specifieke oorzaak van hemofilie B?

Een tekort aan factor IX.

71
New cards

Wat is het gezamenlijke biochemische mechanisme van factor VIII en factor IX in de cascade?

Factor VIII functioneert als cofactor voor factor IX; samen zijn zij noodzakelijk for de activatie van factor X.

72
New cards

Wat is de epidemiologische status van de Von Willebrand ziekte?

Dit is de meest voorkomende erfelijke bloedingsneiging en treft ongeveer één op de duizend mensen in Nederland.

73
New cards

Bestaat er slechts één variant van de Von Willebrand ziekte?

Er bestaan verschillende typen van deze aandoening.

74
New cards

Wat zijn de fysiologische locaties van het Von Willebrand factor (VWF)?

Het circuleert opgevouwen in het bloed en bevindt zich in de vaatwand.

75
New cards

Welke verschillende functies heeft het Von Willebrand factor (VWF) binnen de hemostase?

Het maakt trombocytenadhesie mogelijk bij hoge stroomsnelheid (cruciaal in arteriën), fungeert als ligand voor aggregatie en draagt stollingsfactor VIII in de circulatie.

76
New cards

Wat is het klinische gevolg van een afwijkende concentratie van het Von Willebrand factor (VWF)?

Een te lage concentratie VWF veroorzaakt een bloedingsneiging; een te hoge concentratie veroorzaakt een tromboseneiging.

77
New cards

Wat is de algemene definitie van de secundaire hemostase?

De secundaire hemostase bestaat uit een stollingscascade.

78
New cards

Wat is het initiële activatiemechanisme van de secundaire hemostase?

Tissue factor (TF) bindt aan factor VII (fVII), waardoor fVII wordt omgezet in de actieve vorm: factor VIIa (fVIIa).

79
New cards

Op welke specifieke cellen bevindt Tissue Factor (TF) zich fysiologisch?

Op subendotheliale cellen, waaronder gladde spiercellen en fibroblasten.

80
New cards

Onder welke omstandigheden en op welke wijze wordt Tissue Factor (TF) blootgelegd aan het bloed?

Onder normale omstandigheden komt TF niet in contact met het bloed; het wordt blootgelegd bij beschadiging van het endotheel of tijdens inflammatie.

81
New cards

Wat is Stap 1 van de hoofdroute van de stollingscascade?

Het TF/fVIIa-complex activeert factor X tot factor Xa (fXa).

82
New cards

Wat is Stap 2 van de hoofdroute van de stollingscascade?

Factor Xa vormt samen met cofactor V (fV) het prothrombinase-complex.

83
New cards

Wat is Stap 3 van de hoofdroute van de stollingscascade?

Het prothrombinase-complex zet factor II (protrombine) om in factor IIa (trombine).

84
New cards

Wat is Stap 4 van de hoofdroute van de stollingscascade?

Trombine katalyseert de omzetting van oplosbaar fibrinogeen in onoplosbaar fibrine, wat leidt tot de vorming van een stabiel fibrinestolsel.

85
New cards

Waarom zijn er versterkingslussen aanwezig in de stollingscascade?

Om het proces te intensiveren.

86
New cards

Hoe reageert de stollingscascade op een hoge concentratie van het TF-fVIIa-complex?

Het activeert voornamelijk factor X (fX).

87
New cards

Hoe reageert de stollingscascade op een lage concentratie van het TF-fVIIa-complex?

Het activeert vooral factor IX (fIX), waarna factor IXa (fIXa) vervolgens op zijn beurt weer factor X kan activeren.

88
New cards

Op welke wijze wordt de functie van factor Xa (fXa) en factor IXa (fIXa) versterkt bij het activeren van trombine?

Ze worden in hun functie respectievelijk versterkt met hulp van cofactor factor V (fV) en cofactor factor VIII (fVIII).

89
New cards

Wat is het mechanisme van de eerste positieve feedbacklus door trombine via factor XI?

Trombine activeert factor XI (fXI), waarna factor XIa vervolgens factor IX activeert, wat leidt tot een verdere toename van trombinevorming.

90
New cards

Wat is het mechanisme van de tweede positieve feedbacklus door trombine via cofactoren?

Trombine stimuleert de vorming van de noodzakelijke cofactoren V en VIII, waarmee het zijn eigen productie versterkt.

91
New cards

Wat is het klinische gevolg bij patiënten met een aangeboren tekort of volledige afwezigheid van factor VIII of factor IX?

Ze vertonen een ernstige bloedingsneiging.

92
New cards

Wat is het doel van stollingsremming in het vaatbed?

Het handhaven van een goed werkend evenwicht voor het stollingssysteem via endogene (intrinsieke) remmers.

93
New cards

Wat is het mechanisme op Niveau 1 van de stollingsremming?

Remming van het TF/factor VIIa-complex door tissue factor pathway inhibitor (TFPI).

94
New cards

Wat is het mechanisme op Niveau 2 van de stollingsremming?

Remming van de cofactoren V en VIII door geactiveerd proteïne C (APC).

95
New cards

Wat is het mechanisme op Niveau 3 van de stollingsremming?

Remming van factor Xa en IIa door antitrombine (AT).

96
New cards

Wat is de definitie van fibrinolyse?

Het proces waarbij het stolsel weer wordt afgebroken na wondgenezing.

97
New cards

Wat is de eerste stap in het mechanisme van de fibrinolyse?

Plasminogeen wordt door plasminogeenactivatoren omgezet in plasmine.

98
New cards

Welke twee specifieke stoffen zijn de belangrijkste fysiologische plasminogeenactivatoren?

Tissue-type plasminogeenactivator en urokinase-type plasminogeenactivator.

99
New cards

Wat is de directe actie van het gevormde plasmine binnen de fibrinolyse?

Plasmine breekt het onoplosbare fibrine af tot oplosbare fibrinedegradatieproducten, waaronder D-dimeer.

100
New cards

Welke specifieke remmer remt de plasminogeenactivatoren binnen het fibrinolytische systeem?

PAI-1.