1/114
Een uitgebreide set flashcards van alle termen uit de PSYCHOLOGIE $$2040$$ begrippenlijst, inclusief mensbeelden, cognitieve biases, sociale psychologie en technologie-effecten.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
The blank slate
Het idee dat de mens begint als een onbeschreven blad.
The noble savage
Het idee dat de mens van nature goed is, maar door de samenleving tot corruptie en agressie wordt gebracht.
The ghost of the machine
Een ziel die beslissingen maakt onafhankelijk van de biologie.
Naturalistic fallacy
Een naturalistische drogreden waarbij men iets doet zonder feitelijke vaststelling, of de aanname dat men uit een beschrijving geen morele regels kan afleiden.
Survival of the fittest
Het principe dat degenen met de meest aangepaste eigenschappen voor de omgeving zullen overleven.
Social darwinisme
Het idee dat mensen met disabilities niet aangepast zijn aan de omgeving en daarom in een plaats gestoken of uitgeroeid worden.
Ultieme verklaring
Een evolutionaire verklaring die vraagt waartoe iets (X of Y) dient.
Proximale verklaring
Een verklaring die zoekt naar de directe oorzaak waardoor iets (X of Y) veroorzaakt wordt.
Strategisch pluralisme
Dat mensen verschillende voortplantingsstrategieën volgen, afhankelijk van hun omgeving en persoonlijke kenmerken.
Commitment scepticisme bias
Het lichtelijk wantrouwig zijn tegenover mannen.
Sexual overperception bias
De neiging om te denken dat vrouwen hen willen.
Mental fitness indicator theory
De theorie dat complex gedrag, zoals dansen, spelen of piano, dient als een indicator voor fitness.
Rival-derogation tactics
Tactieken bij intraseksuele competitie om de vijand schade te berokkenen, bijvoorbeeld door roddelen, body-shaming of reputatieschade.
Parental investment theory
Dat de hoeveelheid ouderlijke investering de parings- en gedragstrategieën van soorten stuurt.
Gedragseconomie
Kiezen door optimaliseren (keuzes overwegen), 2. Unbiased beliefs/rationele verwachting, 3. Eigenbelang, 4. Consumentensoevereiniteit (geen zelfbeheersingsprobleem).
Verliesaversie
Het psychologische feit dat het gewicht van een verlies sterker doorweegt dan dat van een winst, waardoor men moeilijk kan omgaan met verliezen.
Zekerheidseffect
De neiging om voor zekerheid te kiezen, omdat dit beter wordt geacht dan een potentieel verlies.
Anchoring effect
Het verschijnsel waarbij een beoordeling afhankelijk is van een referentiepunt, ook wel de anchor genoemd.
Opportuniteitskosten
De waarde van het beste alternatief dat men opgeeft wanneer men een keuze maakt.
Transactienut
Het plezier beleven aan het kopen van dingen die normaal gezien duurder zijn of meer waard zijn.
Bezitseffect
De neiging om een hogere waarde te hechten aan iets zodra het van ons is.
Mental accounting
Het openen van verschillende mentale rekeningen (bijv. voor hobby of supermarkt) waarbij het bijhouden van de stand niet eenvoudig tussen rekeningen verschuifbaar is.
Cognitieve betrekking
De bereidheid (willingness) om actie te ondernemen.
alarmerend vs. dismissive
Alarmerenden ondernemen actie, terwijl dismissives wel geïnteresseerd zijn maar anderen proberen te overtuigen dat het klimaat een complot is.
Judgemental discounting
Het risico voor onszelf anders inschatten dan voor anderen.
Optimism bias
Het optimistisch zijn over de risico's die je zouden kunnen overkomen.
Tokenism
Gedrag dat impactvol lijkt, maar dat in werkelijkheid helemaal niet is.
Rebound effect
Op het ene domein heel zuiver bezig zijn, maar dit vervolgens compenseren op een ander vlak.
Hot cognition hypothesis
Dat we niet zo rationeel denken en vaak niet alle feiten op een rijtje zetten.
Confirmation bias
Het bevestigd willen vinden van wat we al geloven en het negeren van data die ons niet uitkomen.
Apofonie
Het zien van patronen op plaatsen waar ze niet aanwezig zijn.
Hyperactive (predator) detection agency
Het constant zien van problemen en dreigingen, ook waar deze niet echt aanwezig zijn.
Availability bias
Het construeren van een wereldbeeld op basis van zeer beperkte informatie die op dat moment beschikbaar is.
Image-theorie
Het wij-tegen-de-rest principe (ingroup vs. outgroup), zoals de strijd tegen mainstream media.
Free-rider probleem
Het gebruikmaken van collectieve goederen (zoals klimaat of dijken) zonder bij te dragen aan het onderhoud ervan.
Solastalgie
Heimwee ervaren terwijl men gewoon thuis is.
Ambiguous loss
Het gevoel iets verloren te hebben zonder dit specifiek te kunnen benoemen.
Horse-shoe theory
Dat de uitersten van het politieke spectrum naar elkaar toe neigen in hun hang naar totalitarisme.
Dieptepsychologie
Op onbewuste complexen en onderdrukte verlangens, zoals beschreven door Freud en Jung.
Neo-Freudianen
leggen meer nadruk op bewuste processen.
Humanisten
Dat de persoonlijkheid gevormd wordt door het streven naar groei en geluk (zoals bij Maslow en Rogers).
Persoonlijkheid
Als variaties in de intensiteit van verschillende trekken.
Moral foundations theory
Dat we sterke intuïtieve oordelen hebben over juist/fout, en dat de rationele rechtvaardiging pas daarna volgt.
Agendasetting
Media bepalen niet per se de opinies, maar genereren aandacht voor specifieke thema's.
Framing
Het aanreiken van kaders waarbinnen informatie door het publiek begrepen kan worden.
Authoritarian personality
Een persoonlijkheid met neigingen tot antidemocratisch gedrag en fascistische overtuigingen.
Antidemocratisch gedrag
Afwijzing van politiek pluralisme en het afkalven van de scheiding der machten (zoals wetgeving negeren).
Fascistische overtuigingen
Gebrek aan burgerlijke vrijheden, weinig vrijheid, agressie en geweld.
Right-Wing Authoritarianism scale
Onderwerping aan autoriteit, viseren van minderheidsgroepen (agressie) en vasthouden aan de overtuigingen van de machthebbende.
Left-Wing Authoritarianism scale
Anti-hiërarchische agressie, anti-conventionalisme (verheerlijking progressieve waarden) en top-down censuur (cancelculture).
Sociale identiteitstheorie
Het proces waarbij we onszelf en anderen indelen in groepen om een positief zelfbeeld te behouden.
Sociale categorisatie
Het indelen van mensen in categorieën zoals "wij" (ingroup) en "zij" (outgroup).
Sociale identificatie
Het internaliseren van groepslidmaatschap als een deel van het eigen zelfbeeld.
Sociale vergelijking
Het vergelijken van de eigen groep met anderen om de eigen groep superieur te laten lijken.
Nationalisme
Het benadrukken van de ingroup van de natie tegenover een outgroup.
Populisme
Het verdeelt de samenleving in het "volk" (ingroup) tegenover de "elite" (outgroup).
Sociale mobiliteit
Het verlaten van de eigen groep.
Sociale creativiteit
Het nemen van een andere vergelijkingsbasis of het anders definiëren van de groep.
Competitie
Het wedijveren met een andere groep, wat kan leiden tot conflict.
Negativity bias
Het principe dat slecht nieuws beter verkoopt dan goed nieuws.
Hedonisme
Het streven naar zinnelijk genot via zintuigen en sensaties als een aaneenschakeling van genotsmomenten.
Eudaimonia
is gelinkt aan een zinvol leven en innerlijke tevredenheid, waar een mens echt naar kan streven.
Cantril ladder
Een meetmethode om geluk (momenteel en best mogelijke leven) in kaart te brengen.
Easterlin paradox
Dat het gelukspeil in rijke westerse landen nagenoeg constant blijft, ondanks de stijging in welvaart en levensverwachting.
Relativiteitstheorie
Dat een mens als sociale diersoort, hoeveel hij ook heeft, altijd meer wil.
Cognitieve dimensie
Een gedeelde visie, wederzijds begrip en gedeelde doelstellingen of richting.
Structurele dimensie
Het bestaan van sociale netwerken of interacties binnen een groep of land.
Relationele dimensie
De mate van betrouwbaarheid van de leden binnen een bepaalde groep.
Negatieve vrijheid
De afwezigheid van externe beperking en de vrijheid om te doen wat je wilt.
Positieve vrijheid
De mogelijkheid om te kiezen en te handelen in overeenstemming met eigen wil en doelen.
Positive happiness bias
Het feit dat het tonen van negatieve emoties niet overal getolereerd wordt, wat vaak leidt tot somatisering.
Negative happiness bias
Het idee dat het tonen van geluk wordt gezien als opscheppen.
Welvaartsparadox
Het verschijnsel dat de westerse mens het nog nooit zo goed heeft gehad, maar zich tegelijkertijd nog nooit zo slecht voelde.
Mood modules
Functies die aantrekken en afstoten en belonen of straffen via plezier en pijn, wat zorgt voor flexibiliteit bij de beoordeling van een situatie.
Default state of contentment
Een positieve basishouding die aantrekkelijk is voor voortplanting en verbonden is met "eudaimonisch geluk".
Sociolinguïstiek
De sociologische functie van taal.
Newspeak
Taal gebruiken als instrument om rebellie te voorkomen door nieuwe woorden te vervangen voor de oude.
Saphir-Whorf hypothese
Dat men niet kan spreken over concepten waarvoor men geen taal heeft (omvat linguïstisch determinisme en relativiteit).
Linguïstisch determinisme
De stelling dat taal het denken en de werkelijkheid volledig bepaalt.
Linguïstische relativiteit
Het idee dat taal het denken en de werkelijkheid beïnvloedt en dat er veel woorden nodig zijn voor beschrijvingen.
Neo-whorfianisme
De overtuiging dat taal de kijk van iemand beïnvloedt, maar dat dit niet onontkoombaar is.
Agentive language
Taalgebruik waarin een handeling expliciet wordt toegeschreven aan een handelaar (agent), met nadruk op verantwoordelijkheid.
Deontologisch proces
Een intuïtief, automatisch proces gebaseerd op wat als plicht wordt ervaren.
Utilitaristisch proces
Een rationeel, evaluatief proces waarbij gekeken wordt naar de consequenties voor het grootste goed voor de grootste groep.
Trolley-dilemma
De strijd tussen een utilitaristische berekening (één doden om vijf te redden) en de emotionele weerstand tegen doden.
Cognitive fluency
Het spreken van een vreemde taal vertraagt het proces, waardoor men rationeler reageert en eerder deliberatieve dan intuïtieve oordelen velt.
Zeitgeist
De tijdsgeest.
Saving normal
De noodzaak om bepaalde gedragingen weer als normaal te gaan zien.
Armchair diagnoses
Diagnoses die worden gesteld zonder dat er goed onderzoek is verricht.
People-first
Mensen benaderen als unieke individuen in plaats van hen te definiëren door hun stoornis of diagnose.
Identity-first
Het herstellen van een positieve sociale identiteit zonder te focussen op gebreken, met een pleidooi voor respect en trots.
Augmented Reality
Live beelden waarbij een laagje met toegevoegde elementen bovenop de werkelijkheid wordt geplaatst.
Mixed Reality
Een vermenging van de werkelijke en virtuele wereld waarbij de gebruiker verbonden blijft met de echte wereld.
Immersie
De mate waarin men de dingen rondom zich niet meer percipieert.
Sense of embodiment
De mate waarin men het gevoel heeft dat men echt in Virtual Reality zit en dat de virtuele lichamelijke eigenschappen de eigen eigenschappen zijn.
Sense of self-location
Het gevoel aanwezig te zijn in de wereld en het idee hebben dat men echt beweegt in de virtuele ruimte.
Sense of agency
Het gevoel dat men controle heeft over het (virtuele) lichaam.
Sense of body ownership
De uitdaging in de virtuele wereld om een uniek lichaam te creëren dat als het eigen lichaam voelt.
Top-down verwerking
Verwerking die loopt van het centrale zenuwstelsel/de hersenen naar de periferie.
Bottom-up verwerking
Het sturen van zintuiglijke gegevens (zien, voelen, ruiken) naar het centrale zenuwstelsel voor verwerking.