Send a link to your students to track their progress
110 Terms
1
New cards
Vraag 606. (lawaai) (V.18.6) Het menselijk lichaam is het meest gevoelig voor trillingen tussen:[cite: 6] a) 10 en 10000 Hz[cite: 6] b) 2000 en 4000 Hz[cite: 6] c) 2 en 20 Hz[cite: 6] d) 0,05 en 1 Hz[cite: 6]
Correct antwoord: c) 2 en 20 Hz
2
New cards
Vraag 607. (lawaai) (V.18.7) welke eigenschap (maateenheid) houdt geen verband met geluid[cite: 6] a) Hertz (Hz)[cite: 6] b) Decibel dB(A)[cite: 6] c) lumen (Lm)[cite: 6] d) golflengte ( )[cite: 6]
Correct antwoord: c) lumen (Lm)
3
New cards
Vraag 608. (lawaai) (V.18.8) Het geluidsdrukniveau wordt uitgedrukt in:[cite: 6] a) kg/cm²[cite: 6] b) kg/cm³[cite: 6] c) dB(A)[cite: 6] d) Leq[cite: 6]
Correct antwoord: c) dB(A)
4
New cards
Vraag 609. (lawaai) (V.18.9) Drie machines produceren elk 80 dB(A) aan geluid. Samen produceren ze ongeveer:[cite: 6] a) 80 dB(A)[cite: 6] b) 85 dB(A)[cite: 6] c) 100 dB(A)[cite: 6] d) 160 dB(A)[cite: 6]
Correct antwoord: b) 85 dB(A)
5
New cards
Vraag 610. (lawaai) (V.18.10) Gehoorschade te wijten aan een overdosis geluid:[cite: 6] a) herstelt zich automatisch na 2 uur[cite: 6] b) is blijvend[cite: 6] c) herstelt zich na een lange periode (min 3 maand)[cite: 6] d) is niet relevant omdat het gehoor op dezelfde wijze vermindert met de ouderdom[cite: 6]
Correct antwoord: b) is blijvend
6
New cards
Vraag 611. (lawaai) (V.18.11) Lawaaidoofheid:[cite: 6] a) is hetzelfde als ouderdomsdoofheid[cite: 6] b) herstelt zich steeds terug[cite: 6] c) wordt niet beïnvloed door de frequentie van de geluidsgolven[cite: 6] d) is onherroepelijk[cite: 6]
Correct antwoord: d) is onherroepelijk
7
New cards
Vraag 612. (lawaai) (V.18.12) Vanaf welk geluidsniveau kan gehoorsschade ontstaan?[cite: 6] a) 75 dB(A)[cite: 6] b) 80 dB(A)[cite: 6] c) 85 dB(A)[cite: 6] d) 90dB(A)[cite: 6]
Correct antwoord: b) 80 dB(A)
8
New cards
Vraag 613. (lawaai) (V.18.13) Welk verschijnsel is geen indicatie voor gehoorverlies?[cite: 6] a) moeilijk horen van hoge tonen[cite: 6] b) moeite hebben een gesprek te volgen in een rumoerige omgeving[cite: 6] c) evenwichtsstoornissen[cite: 6] d) horen van piep- en fluittonen die niet uit de omgeving komen[cite: 6]
Correct antwoord: c) evenwichtsstoornissen
9
New cards
Vraag 614. (lawaai) (V.18.14) Lawaaidoofheid kan vastgesteld worden door middel van een:[cite: 6] a) audiosignaal[cite: 6] b) geluidsmeter[cite: 6] c) audiogram[cite: 6] d) audiovisie[cite: 6]
Correct antwoord: c) audiogram
10
New cards
Vraag 615. (lawaai) (V.18.15) Lawaaidoofheid:[cite: 6] a) doet de spraakverstaanbaarheid dalen[cite: 6] b) manifesteert zich steeds over het ganse frequentiebereik (20 tot 20000 Hz)[cite: 6] c) is op te lossen door gebruik van een hoorapparaat[cite: 6] d) kan niet tijdens het werk veroorzaakt worden (geen beroepsziekte)[cite: 6]
Correct antwoord: a) doet de spraakverstaanbaarheid dalen
11
New cards
Vraag 616. (lawaai) (V.18.16) Met lawaaidoofheid wordt bedoeld:[cite: 6] a) Wanneer de spraakverstaanbaarheid verstoord wordt door het achtergrondlawaai[cite: 6] b) Wanneer het gehoorverlies tijdelijk en omkeerbaar is[cite: 6] c) Wanneer het gehoorverlies blijvend en onomkeerbaar is[cite: 6] d) Wanneer de gevoeligheid voor hoge tonen vermindert[cite: 6]
Correct antwoord: c) Wanneer het gehoorverlies blijvend en onomkeerbaar is
12
New cards
Vraag 617. (lawaai) (V.18.17) Lawaaidoofheid bij werknemers treedt vooral op door:[cite: 6] a) de beschadiging van de trilhaarcellen[cite: 6] b) het scheuren van het trommelvlies[cite: 6] c) een verstopping van de buis van Eustachius[cite: 6] d) de overbelasting van de gehoorzenuw[cite: 6]
Correct antwoord: a) de beschadiging van de trilhaarcellen
13
New cards
Vraag 618. (lawaai) (V.18.18) Welke types van geluiden veroorzaakt perslucht:[cite: 6] a) mechanische geluiden.[cite: 6] b) perslucht veroorzaakt geen geluiden laat staan lawaai.[cite: 6] c) luchtgeluiden[cite: 6] d) de antwoorden a en c zijn juist[cite: 6]
Correct antwoord: c) luchtgeluiden
14
New cards
Vraag 619. (lawaai) (V.18.19) De lawaaibestrijding dient volgens de wettelijke voorschriften als volgt te gebeuren:[cite: 6] a) de werkgever stelt persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking ja vermindert tevens de duur van de blootstelling[cite: 6] b) de werkgever stelt persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking of treft maatregelen om de hinder aan de bron te verminderen[cite: 6] c) de werkgever stelt eerst en vooral persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking[cite: 6] d) de werkgever treft eerst en vooral maatregelen om de hinder aan de bron te verminderen[cite: 6]
Correct antwoord: d) de werkgever treft eerst en vooral maatregelen om de hinder aan de bron te verminderen
15
New cards
Vraag 620. (lawaai) (V.18.20) Welke preventiemiddelen heeft men om schadelijke gevolgen van trillingen te vermijden?[cite: 6] a) ontwerp en onderhoud machines verbeteren[cite: 6] b) afstand mens-machine vergroten en bron afschermen[cite: 6] c) demping en persoonlijke bescherming[cite: 6] d) de antwoorden a, b en c zijn juist[cite: 6]
Correct antwoord: d) de antwoorden a, b en c zijn juist
16
New cards
Vraag 621. (ergonomie - psychosociale aspecten) (V.19.1) Ergonomie is een wetenschap die zich bezighoudt met:[cite: 6] a) de veiligheidsvoorzieningen (leuningen, afscherming van bewegende delen van machines,...) op de werkplek[cite: 6] b) de opstellen van de interne noodplannen en manier waarop ze geïmplementeerd moeten worden in het bedrijf[cite: 6] c) De optimale en wederzijdse aanpassing van het werk aan de mens[cite: 6] d) de reïntegratie van de werknemer na ziekte of ongeval[cite: 6]
Correct antwoord: c) De optimale en wederzijdse aanpassing van het werk aan de mens
17
New cards
Vraag 622. (ergonomie - psychosociale aspecten) (V.19.2) Ergonomie heeft tot doel:[cite: 6] a) de arbeidstaak en -situatie aanpassen aan de individuele eigenschappen van de mens[cite: 6] b) de mens aan te passen aan de arbeid[cite: 6] c) het personeel te selecteren[cite: 6] d) de revalidatie van de mensen na een ongeval op de werkplek[cite: 6]
Correct antwoord: a) de arbeidstaak en -situatie aanpassen aan de individuele eigenschappen van de mens
18
New cards
Vraag 623. (ergonomie - psychosociale aspecten) (V.19.3) Ergonomie is de wetenschap die zich bezighoudt met:[cite: 6] a) collectieve en persoonlijke beschermingsmiddelen[cite: 6] b) de optimale en wederzijdse aanpassing van het werk aan de mens[cite: 6] c) de blootstelling aan gevaarlijke stoffen[cite: 6] d) de antwoorden a, b en c zijn juist[cite: 6]
Correct antwoord: b) de optimale en wederzijdse aanpassing van het werk aan de mens
19
New cards
Vraag 624. (ergonomie - psychosociale aspecten) (V.19.4) Ergonomie is de wetenschap die zich vooral bezighoudt met:[cite: 6] a) mensen te selecteren op basis van kennis en vaardigheden[cite: 6] b) het werk zo gemakkelijk mogelijk te maken[cite: 6] c) de relatie tussen mens en werk te optimaliseren[cite: 6] d) de antwoorden a, b en c zijn juist[cite: 6]
Correct antwoord: c) de relatie tussen mens en werk te optimaliseren
20
New cards
Vraag 625. (ergonomie - psychosociale aspecten) (V.19.5) Een ergonomische ontworpen werkplek betekent:[cite: 6] a) dat de minimale veiligheidsvoorschriften worden gerespecteerd op die werkplek[cite: 6] b) dat er rekening werd gehouden met de mogelijkheden en de beperkingen van de werknemer bij het ontwerp van de werkplek[cite: 6] c) dat het werk sterk vereenvoudigd werd[cite: 6] d) de antwoorden a, b en c zijn juist[cite: 6]
Correct antwoord: b) dat er rekening werd gehouden met de mogelijkheden en de beperkingen van de werknemer bij het ontwerp van de werkplek
21
New cards
Vraag 626. (ergonomie - psychosociale aspecten) (V.19.6) In de praktijk is ergonomie gericht op:[cite: 6] a) het werk te optimaliseren[cite: 6] b) het welzijn en de gezondheid te bevorderen[cite: 6] c) het rendement te verhogen[cite: 6] d) de antwoorden a, b en c zijn juist[cite: 6]
Correct antwoord: d) de antwoorden a, b en c zijn juist
22
New cards
Vraag 627. (ergonomie - psychosociale aspecten) (V.19.7) Welke zijn belangrijke omgevingsfactoren op een werkplek met machines?[cite: 6] a) licht en lawaai[cite: 6] b) licht, opslag gevaarlijke stoffen, bezoekers, evacuatiewegen[cite: 6] c) klimaat, verluchting/ventilatie[cite: 6] d) de antwoorden a en c zijn juist[cite: 6]
Correct antwoord: d) de antwoorden a en c zijn juist
23
New cards
Vraag 628. (ergonomie - psychosociale aspecten) (V.19.8) factoren die het klimaat beïnvloeden zijn:[cite: 6] a) luchttemperatuur en luchtvochtigheid[cite: 6] b) goed zicht en voldoende bewegingsruimte[cite: 6] c) aangepaste kledij en PBM[cite: 6] d) de snelheid van werken[cite: 6]
Correct antwoord: a) luchttemperatuur en luchtvochtigheid
24
New cards
Vraag 629. (ergonomie - psychosociale aspecten) (V.19.9) Bij een te hoge omgevingstemperatuur op de werkplek moet de werkgever:[cite: 6] a) de werknemers afschermen van de warmtebron[cite: 6] b) de werkplaats ventileren[cite: 6] c) de antwoorden a, b en c zijn juist[cite: 6] d) rustpauzes inlassen en koele dranken ter beschikking stellen[cite: 6]
Correct antwoord: c) de antwoorden a, b en c zijn juist
25
New cards
Vraag 630. (ergonomie - psychosociale aspecten) (V.19.10) Bij een te lage omgevingstemperatuur op de werkplek moet de werkgever:[cite: 6] a) warme dranken aanbieden, rustpauzes inlassen en kunstmatig verwarmen[cite: 6] b) de werknemers naar huis sturen[cite: 6] c) de snelheid van de luchtstroom op de werkplek beperken en beschermende kledij ter beschikking stellen[cite: 6] d) de antwoorden a en c zijn juist[cite: 6]
Correct antwoord: d) de antwoorden a en c zijn juist
26
New cards
Vraag 631. (ergonomie - psychosociale aspecten) (V.19.11) De ideale luchttemperatuur in een kantoorruimte ligt in de zomer tussen de[cite: 6] a) 18 en 24° C[cite: 6] b) 18 en 26° C[cite: 6] c) 17 en 20° C[cite: 6] d) 20 en 26° C[cite: 6]
Correct antwoord: d) 20 en 26° C
27
New cards
Vraag 632. (ergonomie - psychosociale aspecten) (V.19.12) Er heerst een temperatuur van 21° C in het ganse bedrijf. Is dit ergonomisch optimaal?[cite: 6] a) ja, want je kan toch niet aan iedereen zijn wensen voldoen[cite: 6] b) ja, want iedereen heeft recht op dezelfde temperatuur[cite: 6] c) neen, want de arbeiders verrichten zwaardere fysieke arbeid en hebben dus een grotere warmteproductie[cite: 6] d) ja, want 21° C is voor iedereen en welke arbeid men ook verricht de meest ideale temperatuur[cite: 6]
Correct antwoord: c) neen, want de arbeiders verrichten zwaardere fysieke arbeid en hebben dus een grotere warmteproductie
28
New cards
Vraag 633. (ergonomie - psychosociale aspecten) (V.19.13) Lichamelijke belasting wordt voornamelijk veroorzaakt door:[cite: 6] a) omgevingsfactoren en zithoudingen[cite: 6] b) beweging en houdingen[cite: 6] c) zwaarte van de taak en de fysieke activiteit[cite: 6] d) de duur van de taak[cite: 6]
Correct antwoord: b) beweging en houdingen
29
New cards
Vraag 634. (ergonomie - psychosociale aspecten) (V.19.14) Met de uitwendige belasting van het werk op de mens bedoelt men:[cite: 6] a) de belasting van het werk en de werkomgeving op de mens[cite: 6] b) de belasting veroorzaakt door externen (bezoekers, klanten)[cite: 6] c) de psychosociale belasting[cite: 6] d) De inspanningen die moeten geleverd worden in de buitenlucht[cite: 6]
Correct antwoord: a) de belasting van het werk en de werkomgeving op de mens
30
New cards
Vraag 635. (ergonomie - psychosociale aspecten) (V.19.15) Welke van deze voorbeelden kan je beschouwen als overwegend statische arbeid?[cite: 6] a) dozen op de lopende band zetten[cite: 6] b) een gat boren in de muur met een elektrische boormachine[cite: 6] c) een snoer op een kabelhaspel rollen[cite: 6] d) put graven met een schop[cite: 6]
Correct antwoord: b) een gat boren in de muur met een elektrische boormachine
31
New cards
Vraag 636. (ergonomie - psychosociale aspecten) (V.19.16) Welke maatregelen kan men treffen om statische belasting te beperken bij het tillen van een last?[cite: 6] a) de snelheid van werken verminderen[cite: 6] b) geregeld een rustpauze inlassen[cite: 6] c) rekening houden met de afmetingen van de mens[cite: 6] d) het voorkomen van ongewenste lichaamshoudingen[cite: 6]
Correct antwoord: d) het voorkomen van ongewenste lichaamshoudingen
32
New cards
Vraag 637. (ergonomie - psychosociale aspecten) (V.19.17) Factoren die het risico bij het manueel tillen van lasten bepalen zijn:[cite: 6] a) de afstand waarover de last moet verplaatst worden[cite: 6] b) de vorm van het te tillen voorwerp[cite: 6] c) het opgelegde tempo[cite: 6] d) de antwoorden a, b en c zijn juist[cite: 6]
Correct antwoord: d) de antwoorden a, b en c zijn juist
33
New cards
Vraag 638. (ergonomie - psychosociale aspecten) (V.19.18) Welke van de onderstaande voorbeelden kan beschouwd worden als overwegend statische arbeid?[cite: 6] a) het bedienen van hefbomen[cite: 6] b) het graven met een schop[cite: 6] c) het boren van gaten in het plafond met een elektrische boormachine[cite: 6] d) de antwoorden a en b zijn juist[cite: 6]
Correct antwoord: c) het boren van gaten in het plafond met een elektrische boormachine
34
New cards
Vraag 639. (ergonomie - psychosociale aspecten) (V.19.19) Welke van de onderstaande voorbeelden kan beschouwd worden als overwegend dynamische arbeid?[cite: 6] a) het aanspannen van een kabel[cite: 6] b) het graven met een schop[cite: 6] c) het boren van gaten in het plafond met een elektrische boormachine[cite: 6] d) de antwoorden a en b zijn juist[cite: 6]
Correct antwoord: b) het graven met een schop
35
New cards
Vraag 640. (ergonomie - psychosociale aspecten) (V.19.20) Wat is de bedoeling van een rustperiode?[cite: 6] a) De gelegenheid geven naar het toilet te gaan[cite: 6] b) herstellen van spieren en tot rust komen van de bloedsomloop[cite: 6] c) de mogelijkheid geven aan rokers een sigaret op te steken[cite: 6] d) de antwoorden a, b en c zijn juist[cite: 6]
Correct antwoord: b) herstellen van spieren en tot rust komen van de bloedsomloop
36
New cards
Vraag 641. (ergonomie - psychosociale aspecten) (V.19.21) Welke factor heeft geen invloed op de mentale belasting?[cite: 6] a) de relatie tussen de taak en de capaciteiten van de werknemer[cite: 6] b) ondersteuning door collega's[cite: 6] c) loon[cite: 6] d) werkonzekerheid[cite: 6]
Correct antwoord: c) loon
37
New cards
Vraag 642. (ergonomie - psychosociale aspecten) (V.19.22) Om schade door geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag te vermijden, moet de werkgever?[cite: 6] a) preventiemaatregelen treffen[cite: 6] b) een vertrouwenspersoon aanstellen[cite: 6] c) een einde maken aan het geweld, de pesterijen of ongewenst seksueel gedrag[cite: 6] d) de antwoorden a, b en c zijn juist[cite: 6]
Correct antwoord: d) de antwoorden a, b en c zijn juist
38
New cards
Vraag 643. (ergonomie - psychosociale aspecten) (V.19.23) Tot wie kan een gepeste werknemer zich best eerst richten met zijn klacht?[cite: 6] a) tot de vertrouwenspersoon[cite: 6] b) tot de werkgever[cite: 6] c) tot de veiligheids- en gezondheidscoördinator[cite: 6] d) tot zijn collega's[cite: 6]
Correct antwoord: a) tot de vertrouwenspersoon
39
New cards
Vraag 644. (ergonomie - psychosociale aspecten) (V.19.24) Wie moet een procedure opstellen voor de behandeling van klachten van werknemers in verband met pesten, geweld en ongewenst seksueel gedrag?[cite: 6] a) de personeelsdienst[cite: 6] b) de werkgever[cite: 6] c) de preventiedienst[cite: 6] d) het paritair comité van de sector[cite: 6]
Correct antwoord: b) de werkgever
40
New cards
Vraag 645. (ergonomie - psychosociale aspecten) (V.19.25) Welke is een goede aanbeveling ten aanzien van zitten?[cite: 6] a) regelmatig van zithouding veranderen[cite: 6] b) om de 30 minuten zitten, minimum 10 minuten staan of lopen[cite: 6] c) regelmatig van stoel veranderen[cite: 6] d) de antwoorden a, b en c zijn juist[cite: 6]
Correct antwoord: a) regelmatig van zithouding veranderen
41
New cards
Vraag 646. (ergonomie - psychosociale aspecten) (V.19.26) Wat hoort niet bij de optimale zithouding?[cite: 6] a) ondersteuning van bovenbeen op zitvlak van de stoel[cite: 6] b) voetbankje zodat bovenbeen los van het zitvlak van de stoel blijft[cite: 6] c) rug tegen de rugleuning[cite: 6] d) ontlasting van de schouders door bvb. armsteunen[cite: 6]
Correct antwoord: b) voetbankje zodat bovenbeen los van het zitvlak van de stoel blijft
42
New cards
Vraag 647. (ergonomie - psychosociale aspecten) (V.19.27) Wanneer verdient staand werken de voorkeur op zittend werken?[cite: 6] a) als neerwaartse krachten moeten uitgeoefend worden (bvb. verpakken van materialen)[cite: 6] b) als het werktempo heel hoog ligt[cite: 6] c) bij werkzaamheden die in open lucht moeten plaats grijpen[cite: 6] d) de antwoorden a, b en c zijn juist[cite: 6]
Correct antwoord: a) als neerwaartse krachten moeten uitgeoefend worden (bvb. verpakken van materialen)
43
New cards
Vraag 648. (ergonomie - psychosociale aspecten) (V.19.28) Welke middel of werkwijze is best aangewezen om de belasting bij staand werk te verminderen?[cite: 6] a) regelmatig (bvb. 10 min) enkele minuten gaan zitten[cite: 6] b) gebruik van een stasteun, die een groot deel van het lichaamsgewicht opvangt[cite: 6] c) gebruik van een stoel met verlengde poten zodat zittend kan gewerkt worden[cite: 6] d) de rug steunen tegen een wand of verticaal paneel[cite: 6]
Correct antwoord: b) gebruik van een stasteun, die een groot deel van het lichaamsgewicht opvangt
44
New cards
Vraag 649. (ergonomie - psychosociale aspecten) (V.19.29) Een beeldschermwerkpost kan best zodanig geplaatst worden:[cite: 6] a) dat de werknemer met zijn gezicht naar de toegangsdeur kijkt[cite: 6] b) dat de werknemer met zijn rug naar de deur zit[cite: 6] c) dat de werknemer met zijn gezicht naar een muur zit[cite: 6] d) dat de werknemer zijn andere collega's niet kan zien[cite: 6]
Correct antwoord: a) dat de werknemer met zijn gezicht naar de toegangsdeur kijkt
45
New cards
Vraag 650. (ergonomie - psychosociale aspecten) (V.19.30) Beeldschermwerkers moeten een medisch onderzoek ondergaan?[cite: 6] a) bij de aanwerving[cite: 6] b) nooit[cite: 6] c) om de vijf jaar als hij onder de 50 jaar oud is, om de drie jaar als hij boven de 50 jaar oud is.[cite: 6] d) enkel indien de werknemer dit wenst[cite: 6]
Correct antwoord: c) om de vijf jaar als hij onder de 50 jaar oud is, om de drie jaar als hij boven de 50 jaar oud is.
46
New cards
Vraag 651. (ergonomie - psychosociale aspecten) (V.19.31) Om bij beeldschermwerk reflectie op het scherm te vermijden:[cite: 6] a) wordt het scherm best zo geplaatst dat persoon met de rug naar het raam gekeerd zit[cite: 6] b) wordt het scherm best naar de buitenramen gericht[cite: 6] c) wordt het scherm best loodrecht op de richting van de buitenramen geplaatst[cite: 6] d) wordt het scherm best schuin naar het raam gericht[cite: 6]
Correct antwoord: c) wordt het scherm best loodrecht op de richting van de buitenramen geplaatst
47
New cards
Vraag 652. (ergonomie - psychosociale aspecten) (V.19.32) Het doel van de beeldschermrichtlijn is:[cite: 6] a) belastende werkhoudingen en bewegingen te voorkomen[cite: 6] b) onaangepaste mentale belasting te vermijden[cite: 6] c) risico's voor het gezichtsvermogen te beperken[cite: 6] d) de antwoorden a, b en c zijn juist[cite: 6]
Correct antwoord: d) de antwoorden a, b en c zijn juist
48
New cards
Vraag 653. (PBM) (B.20.1) Persoonlijke beschermingsmiddelen moeten worden gedragen omdat :[cite: 6] a) ze weinig hinder opleveren bij gebruik en relatief goedkoop zijn[cite: 6] b) ze bij een ongeval heel wat letsels kunnen voorkomen[cite: 6] c) ze bij een ongeval alle letsels kunnen voorkomen[cite: 6] d) ze op de werkplaats aanwezig zijn[cite: 6]
Correct antwoord: b) ze bij een ongeval heel wat letsels kunnen voorkomen
49
New cards
Vraag 654. (PBM) (B.20.2) Persoonlijke beschermingsmiddelen als vorm van beveiliging:[cite: 6] a) zijn de eerste preventiemaatregelen die steeds moet genomen worden[cite: 6] b) dienen gedragen te worden indien alle andere technieken (reglementering, uitschakeling, beperking, collectieve bescherming) onvoldoende bevonden zijn[cite: 6] c) dienen gedragen te worden, ook al zijn voldoende beschermingsmiddelen genomen om het risico te vermijden[cite: 6] d) is een beschermmaatregel waarvoor iedere werknemer persoonlijk verantwoordelijk is[cite: 6]
Correct antwoord: b) dienen gedragen te worden indien alle andere technieken (reglementering, uitschakeling, beperking, collectieve bescherming) onvoldoende bevonden zijn
50
New cards
Vraag 655. (PBM) (B.20.3) Persoonlijke beschermingsmiddelen moeten beschermen tegen:[cite: 6] a) vele risico's tegelijk[cite: 6] b) de gevaren waarvoor andere beschermingsmaatregelen onvoldoende bescherming kunnen bieden[cite: 6] c) maximaal vier risico's[cite: 6] d) minimaal 2 risico's[cite: 6]
Correct antwoord: b) de gevaren waarvoor andere beschermingsmaatregelen onvoldoende bescherming kunnen bieden
51
New cards
Vraag 656. (PBM) (B.20.4) Waarvoor dient een persoonlijk beschermingsmiddel?[cite: 6] a) omdat de mens niet in staat is veilig te werken[cite: 6] b) omdat persoonlijke beschermingsmiddelen de goedkoopste oplossing zijn[cite: 6] c) omdat de risico's bij het gebruik van sommige machines of producten niet 100% kunnen afgeschermd worden[cite: 6] d) om zowel de mens als de machine of het product te beschermen[cite: 6]
Correct antwoord: c) omdat de risico's bij het gebruik van sommige machines of producten niet 100% kunnen afgeschermd worden
52
New cards
Vraag 657. (PBM) (B.20.5) Welke bewering met betrekking tot PBM is fout?[cite: 6] a) nieuwe PBM moeten "CE"-gekeurd zijn[cite: 6] b) de werknemer moet beschikken over duidelijke instructies voor het gebruik[cite: 6] c) PBM moeten enkel gebruikt worden als de baas het eist[cite: 6] d) beschadigde PBM moeten dadelijk vervangen worden[cite: 6]
Correct antwoord: c) PBM moeten enkel gebruikt worden als de baas het eist
53
New cards
Vraag 658. (PBM) (B.20.6) Persoonlijke beschermingsmiddelen moeten gedragen worden:[cite: 6] a) als dit door de werkgever (baas) opgelegd wordt[cite: 6] b) indien andere maatregelen (uitschakeling, beperking, collectieve bescherming) onvoldoende zijn[cite: 6] c) als dit technisch mogelijk is[cite: 6] d) de antwoorden a en b zijn juist[cite: 6]
Correct antwoord: d) de antwoorden a en b zijn juist
54
New cards
Vraag 659. (PBM) (B.20.7) Het gelaatsscherm is geschikt voor:[cite: 6] a) het werken met agressieve scheikundige producten[cite: 6] b) bij werken aan elektriciteitsinstallaties onder spanning[cite: 6] c) het reinigen met hoge druk[cite: 6] d) de antwoorden a, b en c zijn juist[cite: 6]
Correct antwoord: d) de antwoorden a, b en c zijn juist
55
New cards
Vraag 660. (PBM) (B.20.8) Welke bewering met betrekking tot veiligheidsbrillen is juist?[cite: 6] a) het montuur moet van onbrandbaar materiaal zijn[cite: 6] b) de glazen moeten van onbreekbaar materiaal zijn[cite: 6] c) het montuur moeten van zijkapjes voorzien zijn[cite: 6] d) de antwoorden a, b en c zijn juist[cite: 6]
Correct antwoord: d) de antwoorden a, b en c zijn juist
56
New cards
Vraag 661. (PBM) (B.20.9) Een ruimtezichtbril biedt bescherming:[cite: 6] a) bij slijpen en hakken[cite: 6] b) bij het boren[cite: 6] c) tegen spatten[cite: 6] d) de antwoorden a, b en c zijn juist[cite: 6]
Correct antwoord: d) de antwoorden a, b en c zijn juist
57
New cards
Vraag 662. (PBM) (B.20.10) Bij freeswerken aan een metalen buis met een elektrisch aangedreven handwerktuig kan men best gebruik maken van:[cite: 6] a) beschermingsbril met zijkapjes[cite: 6] b) stofbril[cite: 6] c) stofmasker[cite: 6] d) gelaatscherm[cite: 6]
Correct antwoord: a) beschermingsbril met zijkapjes
58
New cards
Vraag 663. (PBM) (B.20.11) Wat wordt niet gebruikt als gehoorbescherming?[cite: 6] a) voorgevormde watten[cite: 6] b) vervormbare wasbolletjes[cite: 6] c) voorgevormde kunststof pluggen[cite: 6] d) vervormbare schuimrolletjes[cite: 6]
Correct antwoord: a) voorgevormde watten
59
New cards
Vraag 664. (PBM) (B.20.12) Welke bewering over gehoorkappen is fout?[cite: 6] a) gehoorkappen zien er uit als een grote koptelefoon met uitwendige oorschelpen[cite: 6] b) De beschermingsfactor van de gehoorkap wordt aangeduid door een specifieke kleur van de schelp[cite: 6] c) gehoorkappen sluiten het oor volledig van de omgeving af[cite: 6] d) De beschermingsfactor is afhankelijk van de soort kap en de hoogte van het geluid[cite: 6]
Correct antwoord: b) De beschermingsfactor van de gehoorkap wordt aangeduid door een specifieke kleur van de schelp
60
New cards
Vraag 665. (PBM) (B.20.13) Wat moet de werkgever (baas) doen als het geluidsniveau van een machine 92 dB(A) bedraagt?[cite: 6] a) gehoorbeschermingsmiddelen verstrekken[cite: 6] b) niets speciaals[cite: 6] c) gehoorsbeschermingsmiddelen verstrekken ja verplichten ze te dragen[cite: 6] d) gehoorsbeschermingsmiddelen verstrekken zonder verplichting ze te dragen[cite: 6]
Correct antwoord: c) gehoorsbeschermingsmiddelen verstrekken en verplichten ze te dragen
61
New cards
Vraag 666. (PBM) (B.20.14) Welke bewering is juist ? Gehoorschade te wijten aan lawaai is:[cite: 6] a) niet zo erg[cite: 6] b) niet meer te herstellen[cite: 6] c) herstelt zich met de tijd[cite: 6] d) de antwoorden a en c zijn goed[cite: 6]
Correct antwoord: b) niet meer te herstellen
62
New cards
Vraag 667. (PBM) (B.20.15) Vanaf welk geluidsniveau is de werkgever wettelijk verplicht gehoorbescherming te verstrekken?[cite: 6] a) Wanneer de werknemer er last van heeft[cite: 6] b) Indien het geluidsniveau hoger is dan 80 dB(A)[cite: 6] c) Indien het geluidsniveau hoger is dan 85 dB(A)[cite: 6] d) Indien het geluidsniveau hoger is dan 90 dB(A)[cite: 6]
Correct antwoord: b) Indien het geluidsniveau hoger is dan 80 dB(A)
63
New cards
Vraag 668. (PBM) (B.20.16) Vanaf welk geluidsniveau is het dragen van gehoorbescherming wettelijk verplicht?[cite: 6] a) 70 dB(A)[cite: 6] b) 80 dB(A)[cite: 6] c) 85 dB(A)[cite: 6] d) 90 dB(A)[cite: 6]
Correct antwoord: c) 85 dB(A)
64
New cards
Vraag 669. (PBM) (B.20.17) Bij omgevingsonafhankelijke ademhalingsbescherming:[cite: 6] a) gebruikt men lucht of zuurstof uit persluchtflessen of aangevoerd vanuit een andere ruimte[cite: 6] b) gebruikt men de omgevingslucht[cite: 6] c) gebruikt men de zuurstof aangevoerd door het gas- en dampmasker[cite: 6] d) wordt de lucht eerst gefilterd door een masker[cite: 6]
Correct antwoord: a) gebruikt men lucht of zuurstof uit persluchtflessen of aangevoerd vanuit een andere ruimte
65
New cards
Vraag 670. (PBM) (B.20.18) Welke van volgende beweringen is fout?[cite: 6] a) Werken met ademhalingslucht uit persluchtflessen is alleen toegelaten voor werknemers met een opleiding[cite: 6] b) een verzadigde gasfilter laat de gevaarlijke stoffen door[cite: 6] c) de assistent van de lasser moet lasbescherming dragen[cite: 6] d) een gecombineerde filter filtert de lucht en zorgt tegelijkertijd voor toevoer van zuurstof[cite: 6]
Correct antwoord: d) een gecombineerde filter filtert de lucht en zorgt tegelijkertijd voor toevoer van zuurstof
66
New cards
Vraag 671. (PBM) (B.20.19) Een ademhalingsfilter met beschermingsgraad P1 beschermt u tegen:[cite: 6] a) giftig gas[cite: 6] b) zuurstofgebrek[cite: 6] c) niet toxisch stof[cite: 6] d) schadelijke dampen[cite: 6]
Correct antwoord: c) niet toxisch stof
67
New cards
Vraag 672. (PBM) (B.20.20) Gasfilters zijn geschikt voor:[cite: 6] a) situaties waar de concentraties van de gevaarlijke stoffen in de werkomgeving niet gekend zijn[cite: 6] b) kortstondig gebruik en bij gekende blootstelling (concentratie gevaarlijke stoffen)[cite: 6] c) gebruik bij gebrek aan zuurstof[cite: 6] d) gebruik in besloten ruimtes[cite: 6]
Correct antwoord: b) kortstondig gebruik en bij gekende blootstelling (concentratie gevaarlijke stoffen)
68
New cards
Vraag 673. (PBM) (B.20.21) Bij afhankelijke ademhalingsapparatuur:[cite: 6] a) ademt men via een masker met filter de lucht in afkomstig uit de ruimte waarin men zich bevindt[cite: 6] b) maakt men gebruik van zuurstof of lucht uit flessen onder druk[cite: 6] c) wordt de lucht zonder filtering uit de omgeving aangezogen[cite: 6] d) wordt de lucht via toevoerleidingen uit een andere ruimte naar het ademhalingsmasker gevoerd[cite: 6]
Correct antwoord: a) ademt men via een masker met filter de lucht in afkomstig uit de ruimte waarin men zich bevindt
69
New cards
Vraag 674. (PBM) (B.20.22) Wanneer moet een stoffilter vervangen worden?[cite: 6] a) na het beëindigen van de dagtaak[cite: 6] b) als de ademhalingsweerstand te groot wordt[cite: 6] c) als de vervaldatum verstreken is[cite: 6] d) als de kleur van de filter verandert[cite: 6]
Correct antwoord: b) als de ademhalingsweerstand te groot wordt
70
New cards
Vraag 675. (PBM) (B.20.23) Een wegwerpmasker biedt ademhalingsbescherming bij:[cite: 6] a) het werken met thinners[cite: 6] b) verfspuiten[cite: 6] c) werkzaamheden waar onschadelijk stof vrijkomt[cite: 6] d) werken in besloten ruimten[cite: 6]
Correct antwoord: c) werkzaamheden waar onschadelijk stof vrijkomt
71
New cards
Vraag 676. (PBM) (B.20.24) Aan welke uiterlijke kenmerken kan men zien tegen welke schadelijke gassen of dampen gasfilters bescherming bieden?[cite: 6] a) aan de vorm van de filter[cite: 6] b) aan de kleurcode aangebracht op het filterpatroon[cite: 6] c) aan het pictogram (teken) dat op de filter is aangebracht[cite: 6] d) de antwoorden a, b en c zijn juist[cite: 6]
Correct antwoord: b) aan de kleurcode aangebracht op het filterpatroon
72
New cards
Vraag 677. (PBM) (B.20.25) Een stofmasker beschermt je tegen:[cite: 6] a) zuurstofgebrek[cite: 6] b) bepaalde types stof[cite: 6] c) benzinedampen aan een tankstation[cite: 6] d) de antwoorden a, b en c zijn juist[cite: 6]
Correct antwoord: b) bepaalde types stof
73
New cards
Vraag 678. (PBM) (B.20.26) Een volgelaatmasker uitgerust met de geschikte filter kan worden gebruikt als:[cite: 6] a) stofmasker[cite: 6] b) masker tegen een bepaald gas[cite: 6] c) masker tegen een bepaalde damp[cite: 6] d) de antwoorden a, b en c zijn juist[cite: 6]
Correct antwoord: d) de antwoorden a, b en c zijn juist
74
New cards
Vraag 679. (PBM) (B.20.27) Wie mag een masker met persluchttoevoer gebruiken?[cite: 6] a) iedereen[cite: 6] b) iedereen die in een besloten ruimte werkt[cite: 6] c) alleen onder deskundige leiding geoefende en opgeleide personen[cite: 6] d) alleen leden van de interventieploeg[cite: 6]
Correct antwoord: c) alleen onder deskundige leiding geoefende en opgeleide personen
75
New cards
Vraag 680. (PBM) (B.20.28) Waarvoor dient een veiligheidshelm?[cite: 6] a) om in alle omstandigheden het hoofd te beschermen[cite: 6] b) bescherming tegen een val van voorwerpen met een bepaald gewicht, afhankelijk van de hoogte en bescherming tegen stoten[cite: 6] c) om de naam van uw werkgever kenbaar te maken[cite: 6] d) om het hoofd te beschermen tegen stoten[cite: 6]
Correct antwoord: b) bescherming tegen een val van voorwerpen met een bepaald gewicht, afhankelijk van de hoogte ja bescherming tegen stoten
76
New cards
Vraag 681. (PBM) (B.20.29) Hoe lang mag een thermoplastische veiligheidshelm gebruikt worden?[cite: 6] a) een beperkte tijd (door de fabrikant vastgelegd) of tot hij een serieuze schok of slag heeft opgevangen[cite: 6] b) gedurende 5 jaar[cite: 6] c) gedurende 10 jaar[cite: 6] d) onbeperkt[cite: 6]
Correct antwoord: a) een beperkte tijd (door de fabrikant vastgelegd) of tot hij een serieuze schok of slag heeft opgevangen
77
New cards
Vraag 682. (PBM) (B.20.30) Wanneer moet een veiligheidshelm worden vervangen?[cite: 6] a) wanneer hij een zware klap heeft gehad[cite: 6] b) wanneer de vervaldatum is bereikt[cite: 6] c) wanneer men in de helmschaal kleine scheurtjes waarneemt[cite: 6] d) de antwoorden a, b en c zijn juist[cite: 6]
Correct antwoord: d) de antwoorden a, b en c zijn juist
78
New cards
Vraag 683. (PBM) (B.20.31) Waarvoor worden beschermcrèmes gebruikt:[cite: 6] a) als "onzichtbare" handschoen[cite: 6] b) als verzorgend product na het werk[cite: 6] c) als reinigingsmiddel[cite: 6] d) als verzorgingscrème na het reinigen van de handen[cite: 6]
Correct antwoord: a) als "onzichtbare" handschoen
79
New cards
Vraag 684. (PBM) (B.20.32) Handschoenen die bescherming bieden tegen de inwerking van schadelijke producten zijn over het algemeen vervaardigd uit:[cite: 6] a) leder[cite: 6] b) kunststof[cite: 6] c) textiel[cite: 6] d) leder in combinatie met textiel[cite: 6]
Correct antwoord: b) kunststof
80
New cards
Vraag 685. (PBM) (B.20.33) Bij het hanteren van ruwe materialen is het aan te raden beschermingshandschoenen te dragen die vervaardigd zijn uit:[cite: 6] a) katoen[cite: 6] b) leder[cite: 6] c) latex[cite: 6] d) de antwoorden a, b en c zijn juist[cite: 6]
Correct antwoord: b) leder
81
New cards
Vraag 686. (PBM) (B.20.34) Om onze handen te beschermen tijdens het werk gebruiken we handschoenen vervaardigd uit:[cite: 6] a) leder, rubber, neopreen, katoen[cite: 6] b) katoen, rubber, papier, PVC[cite: 6] c) wol, PVC, vinyl, katoen[cite: 6] d) de antwoorden a, b en c zijn juist[cite: 6]
Correct antwoord: a) leder, rubber, neopreen, katoen
82
New cards
Vraag 687. (PBM) (B.20.35) In welke van volgende situaties wordt de veiligheidshandschoen goed gebruikt?[cite: 6] a) bij boren van materialen met een kolomboormachine[cite: 6] b) stoffen handschoenen bij verwerken van oplosmiddelen[cite: 6] c) lederen handschoenen bij hanteren van ruwe materialen[cite: 6] d) de antwoorden a, b en c zijn juist[cite: 6]
Correct antwoord: c) lederen handschoenen bij hanteren van ruwe materialen
83
New cards
Vraag 688. (PBM) (B.20.36) Welke uitspraak over persoonlijke bescherming (PBM) is juist?[cite: 6] a) veiligheidsschoenen met staal in de zool zijn gladder[cite: 6] b) gesloten zakken in werkkleding is beter dan open zakken[cite: 6] c) vluchtmaskers beschermen beter dan afhankelijke ademhalingstoestellen[cite: 6] d) heupgordel en veiligheidsharnas zijn evenwaardige persoonlijke beschermingsmiddelen tegen het vallen[cite: 6]
Correct antwoord: b) gesloten zakken in werkkleding is beter dan open zakken
84
New cards
Vraag 689. (PBM) (B.20.37) Welke uitspraak over persoonlijke bescherming (PBM) is juist?[cite: 6] a) oorkappen beschermen meestal beter dan oorproppen[cite: 6] b) thermoplastische helmen zijn sterker dan helmen gemaakt van thermohardende materialen[cite: 6] c) een goede zalf beschermt beter tegen solventen dan aangepaste handschoenen[cite: 6] d) glazen lenzen van brillen beschermen beter tegen vuurgensters dan lenzen in polycarbonaat (plastiek)[cite: 6]
Correct antwoord: a) oorkappen beschermen meestal beter dan oorproppen
85
New cards
Vraag 690. (PBM) (B.20.38) Waarvan moeten veiligheidsschoenen gebruikt bij ruwbouwwerkzaamheden voorzien zijn?[cite: 6] a) een stalen tussenzool en stalen neus[cite: 6] b) alleen een stalen tussenzool[cite: 6] c) alleen een stalen neus[cite: 6] d) alleen een enkelbescherming (hoge schoen)[cite: 6]
Correct antwoord: a) een stalen tussenzool en stalen neus
86
New cards
Vraag 691. (PBM) (B.20.39) Welke zijn vormen van werkkleding?[cite: 6] a) wegwerpkleding (voor éénmalig gebruik)[cite: 6] b) signaalkleding (openbare weg)[cite: 6] c) isolerend kleding en ondergoed (koude)[cite: 6] d) a, en b en c zijn vormen van werkkleding[cite: 6]
Correct antwoord: d) a, en b en c zijn vormen van werkkleding
87
New cards
Vraag 692. (PBM) (B.20.40) Welke handeling is fout?[cite: 6] a) kleding altijd gesloten dragen[cite: 6] b) kleding schoonblazen met perslucht na werken in stof[cite: 6] c) vervuilde kleding (met bvb. oplosmiddelen) direct omwisselen of reinigen[cite: 6] d) wegwerpkleding na één keer dragen weggooien[cite: 6]
Correct antwoord: b) kleding schoonblazen met perslucht na werken in stof
88
New cards
Vraag 693. (PBM) (B.20.41) Welke uitspraak is fout?[cite: 6] a) een persoonlijke valbeveiliging moet gebruikt worden wanneer een val van meer dan 2 meter mogelijk is ja indien het gebruik van collectieve beveiliging onmogelijk is[cite: 6] b) een heupgordel is veiliger dan een harnasgordel[cite: 6] c) de ruiten van de lasscherm of - bril zijn voorzien van een codering die aangeeft voor welke lasprocédés de ruit geschikt is[cite: 6] d) wanneer het gevaar bestaat dat tijdens de werken de toelaatbare grenswaarden voor gevaarlijke stoffen overschreden worden is ademhalingsbescherming nodig[cite: 6]
Correct antwoord: b) een heupgordel is veiliger dan een harnasgordel
89
New cards
Vraag 694. (PBM) (V.20.1) Wie is verantwoordelijk voor de aankoop, onderhoud en herstelling van de werkkleding en de persoonlijke beschermingsmiddelen?[cite: 6] a) De werknemer[cite: 6] b) De personeelsdienst[cite: 6] c) De werkgever[cite: 6] d) De dienst voor Preventie en Bescherming (veiligheidsdienst)[cite: 6]
Correct antwoord: c) De werkgever
90
New cards
Vraag 695. (PBM) (V.20.2) Het leveren en vervangen van persoonlijke beschermingsmiddelen behoort tot de verantwoordelijkheid van:[cite: 6] a) de werknemer[cite: 6] b) de werkgever[cite: 6] c) de dienst voor Preventie en Bescherming (veiligheidsdienst)[cite: 6] d) de arbeidsgeneesheer[cite: 6]
Correct antwoord: b) de werkgever
91
New cards
Vraag 696. (PBM) (V.20.3) Wat betekent het "CE"-keurmerk op persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM)) ?[cite: 6] a) dat het PBM beantwoordt aan de eisen gesteld in een Europese richtlijn[cite: 6] b) dat het PBM bescherming biedt indien het goed gedragen wordt[cite: 6] c) dat het PBM in één van de lidstaten van de EU gefabriceerd werd[cite: 6] d) de antwoorden a, b en c zijn juist[cite: 6]
Correct antwoord: a) dat het PBM beantwoordt aan de eisen gesteld in een Europese richtlijn
92
New cards
Vraag 697. (PBM) (V.20.4) Aan welke eisen moet elk PBM dat op de markt gebracht wordt minimaal voldoen?[cite: 6] a) uiterste gebruiksdatum dragen[cite: 6] b) stevig en degelijk verpakt zijn[cite: 6] c) gebruiksaanwijzing in alle talen van de Europese unie bevatten[cite: 6] d) aan a, b en c moet voldaan zijn[cite: 6]
Correct antwoord: c) gebruiksaanwijzing in alle talen van de Europese unie bevatten
93
New cards
Vraag 698. (PBM) (V.20.5) Elk helm die geleverd wordt in overeenstemming met de Europese richtlijn, moet in de helmschaal voorzien zijn van:[cite: 6] a) fabricagedatum en CE-markering[cite: 6] b) nummer van betrokken Europese norm, levensduur[cite: 6] c) naam leverancier[cite: 6] d) fabricagedatum ja CE-markering ja diameter van het hoofd[cite: 6]
Correct antwoord: a) fabricagedatum en CE-markering
94
New cards
Vraag 699. (signalisatie) (B.21.1) Dit is een voorbeeld van?[cite: 6] a) een waarschuwingsbord[cite: 6] b) een verbodsbord[cite: 6] c) een gebodsbord[cite: 6] d) een gevaarsbord[cite: 6]
Correct antwoord: a) een waarschuwingsbord
95
New cards
Vraag 700. (signalisatie) (B.21.2) Dit is een voorbeeld van?[cite: 6] a) een waarschuwingsbord[cite: 6] b) een verbodsbord[cite: 6] c) een gebodsbord[cite: 6] d) bord brandbestrijdingsmaterieel[cite: 6]
Correct antwoord: b) een verbodsbord
96
New cards
Vraag 701. (signalisatie) (B.21.3) Dit is een voorbeeld van?[cite: 6] a) een waarschuwingsbord[cite: 6] b) een verbodsbord[cite: 6] c) een gebodsbord[cite: 6] d) bord brandbestrijdingsmaterieel[cite: 6]
Correct antwoord: c) een gebodsbord
97
New cards
Vraag 702. (signalisatie) (B.21.4) Welk gebodsbord staat niet bij de onderstaande pictogrammen?[cite: 6] a) oogbescherming[cite: 6] b) dragen van veiligheidsschoenen[cite: 6] c) ademhalingsbescherming[cite: 6] d) dragen van veiligheidshandschoenen[cite: 6]
Correct antwoord: c) ademhalingsbescherming
98
New cards
Vraag 703. (signalisatie) (B.21.5) Welk gebodsbord staat niet bij de onderstaande pictogrammen?[cite: 6] a) gehoorbescherming[cite: 6] b) oogbescherming[cite: 6] c) ademhalingsbescherming[cite: 6] d) dragen van een veiligheidshelm[cite: 6]
Correct antwoord: c) ademhalingsbescherming
99
New cards
Vraag 704. (signalisatie) (B.21.6) Dit is een voorbeeld van?[cite: 6] a) een gebodsbord[cite: 6] b) een verbodsbord[cite: 6] c) een waarschuwingsbord[cite: 6] d) brandbestrijdingsmaterieel[cite: 6]
Correct antwoord: d) brandbestrijdingsmaterieel
100
New cards
Vraag 705. (signalisatie) (B.21.7) Wat geeft dit bord aan?[cite: 6] a) een mogelijk gevaar[cite: 6] b) een evacuatieweg[cite: 6] c) brandbestrijdingsmateriaal[cite: 6] d) richting toiletten[cite: 6]