1/34
Een uitgebreide set woordenschatkaarten over de politieke, sociale en militaire evolutie van Rome van een boerendorp naar een wereldrijk.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Akkerbouw
Het bewerken van grond om gewassen te verbouwen voor de voedselvoorziening.
Veeteelt
Het houden en fokken van vee als onderdeel van de landbouw.
Nomaden
Mensen zonder vaste woonplaats die rondtrekken om in hun levensonderhoud te voorzien.
Sedentair
Een levenswijze waarbij mensen op een vaste plek blijven wonen.
Prestige
Aanzien of macht die men verwerft, bijvoorbeeld door militaire overwinningen of een politieke carrière.
Stadstaat
Een kleine staat bestaande uit een stad en het omliggende gebied, zoals de vroege vorm van Rome.
Koninkrijk
Een regeringsvorm waarbij een koning aan het hoofd staat; de eerste bestuursvorm van Rome tot 509 v.C.
Republiek
Een bestuursvorm waarbij de macht niet bij een koning ligt, maar bij verkozen functionarissen zoals consuls.
Rijk
Een uitgestrekt gebied onder één centraal bestuur.
Rechtvaardige oorlog
De Romeinse verantwoording voor oorlogsvoering, vaak gepresenteerd als verdediging van bondgenoten of zichzelf.
Imperialisme
Het streven van een staat naar uitbreiding van zijn macht over andere gebieden en volkeren.
Natuurlijke grenzen
Grenzen gevormd door de natuur, zoals de zeeën, rivieren, bergen en woestijnen die het Romeinse Rijk begrensden.
Verdedigingswerken (Limes)
Forten en castella die langs de grenzen van het rijk werden gebouwd voor controle en veiligheid.
'Verdeel en heers' (Divide et impera)
Een politieke strategie waarbij men verschillende groepen ongelijk behandelt om te voorkomen dat ze zich verenigen tegen de overheerser.
Militair wegennet
Een systeem van heirbanen dat snelle troepenverplaatsingen en handel door het hele rijk mogelijk maakte.
Monopolie van macht
Wanneer één persoon of instelling de volledige en exclusieve controle over de macht heeft.
Familia
Het Romeinse huishouden bestaande uit het gezin, de schoonouders, kleinkinderen en slaafgemaakten.
Pater familias
Het mannelijke gezinshoofd dat de absolute privé-macht bezat over alle leden van zijn familia.
Patriarchale samenleving
Een maatschappijvorm waarin de macht bij de mannen ligt en wordt overgedragen van vader op zoon.
Patriciërs
De machtige grootgrondbezitters die afstamden van de stichters van Rome en de politieke controle hadden.
Plebejers
De gewone burgers van Rome, zoals boeren en ambachtslui, die aanvankelijk weinig politieke inspraak hadden.
Migranten (Peregrini)
Vreemdelingen in Rome die persoonlijke vrijheid hadden maar geen Romeins burgerrecht of politieke rechten.
Slaafgemaakte
Krijgsgevangenen of hun afstammelingen die als rechteloos gebruiksvoorwerp werden beschouwd.
Standenmaatschappij
Een samenleving waarin de rechten en plichten per bevolkingsgroep (stand) wettelijk zijn vastgelegd.
Vetorecht
Het recht van een magistraat (zoals een consul) om een beslissing van zijn collega ongedaan te maken.
Consul
Eén van de twee jaarlijks verkozen leiders van de Romeinse republiek die de uitvoerende en rechterlijke macht deelden.
Senaat
Een raadgevende vergadering van experten en ex-magistraten die grote invloed uitoefende op de politiek en de financiën.
Volksvergadering (Comitia)
De vergadering van alle vrije burgers die wetten stemde en magistraten verkoos.
Dictator
Een tijdelijke leider die in noodsituaties voor maximaal 6 maanden alle macht kreeg van de Senaat.
Magistraat
Een ambtenaar (zoals quaestor, aedilis of praetor) die een specifiek deel van het bestuur uitvoerde.
Gens
Een groep van verwante adellijke families binnen de Romeinse samenleving.
Patronus
Een beschermheer die steun gaf aan een cliënt in ruil voor diensten en politieke steun.
Quid Pro Quo
Het principe van 'voor wat, hoort wat', kenmerkend voor de relatie tussen patronus en cliënt.
Mare Nostrum
De term (onze zee) die Romeinen gebruikten voor de Middellandse Zee zodra ze het omliggende gebied beheersten.
Res Publica
De 'gemeenschappelijke zaak', oftewel het algemeen belang waarover burgers in de republiek mochten beslissen.