1/24
Deze flashcards behandelen de kernbegrippen van aardrijkskunde Thema 4, inclusief de inwendige bouw van de aarde, de theorie van continentendrift, platentektoniek, en de kenmerken van aardbevingen en vulkanen.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Oceanische korst
Een dun deel van de aardkorst met een dikte van 5−10km en een relatief hoge dichtheid van d=3.
Continentale korst
Het dikkere deel van de aardkorst (20−70km) met een lagere dichtheid van d=2,7.
Moho-discontinu##teit
Het grensvlak tussen de aardkorst en de bovenmantel van de aarde.
Gutenberg-discontinu##teit
De overgangszone tussen de ondermantel en de buitenkern op een diepte van ongeveer 2900km.
Binnenkern
Het binnenste, vaste deel van de aardkern met een dichtheid van ongeveer d=12.
Lithosfeer
De buitenste, vaste schil van de aarde die bestaat uit de aardkorst en het bovenste deel van de buitenmantel.
Asthenosfeer
De plastische laag in de bovenmantel waarop de lithosferische platen drijven.
Ellipso##de
De specifieke vorm van de aarde: geen perfecte bol, maar afgeplat aan de polen door de aardrotatie.
Equatoriale straal
De straal van de aarde gemeten bij de evenaar, gelijk aan 6378,16km.
Polaire straal
De straal van de aarde gemeten vanaf de polen, gelijk aan 6356,91km.
Pangea
Het supercontinent dat ongeveer 225 miljoen jaar geleden bestond uit alle huidige continenten.
Gondwanaland
Het zuidelijke supercontinent dat ontstond na het uiteenvallen van Pangea, bestaande uit onder andere Zuid-Amerika, Afrika, India, Antarctica en Australi##.
Subductie
Het proces waarbij een zwaardere oceanische plaat onder een continentale plaat duikt en in de asthenosfeer zinkt.
Divergente plaatbeweging
De beweging waarbij tektonische platen uit elkaar schuiven, wat leidt tot mid-oceanische ruggen en vulkanisme.
Conserverende (Transforme) plaatbeweging
De beweging waarbij platen langs elkaar schuiven, zoals bij de San Andreasbreuk, wat vaak gepaard gaat met zware aardbevingen.
Hypocentrum
De haard van een aardbeving onder het aardoppervlak waar de spanning tussen platen vrijkomt.
Epicentrum
De plaats aan het aardoppervlak direct boven het hypocentrum waar de beving het eerst en het krachtigst gevoeld wordt.
Schaal van Richter
Een logaritmische schaal die de kracht (magnitude) van een aardbeving meet; elke stap hoger betekent een 10 keer sterkere beving.
Schaal van Mercalli
Een schaal die de intensiteit van een aardbeving uitdrukt op basis van de waargenomen schade en menselijke ervaring.
Tsunami
Een vloedgolf die ontstaat door een zeebeving, waarbij grote hoeveelheden water in beweging worden gebracht.
Magma
Gesmolten gesteente dat zich nog in de magmakamer of de aardmantel onder het oppervlak bevindt.
Lava
Magma dat het aardoppervlak heeft bereikt en door contact met lucht of water afkoelt.
Tefra
De verzamelnaam voor alle vaste stoffen die door een vulkaan worden uitgeworpen, zoals as, lapilli en vulkanische bommen.
Hotspot
Een actieve vulkanische plek die niet aan een plaatgrens ligt, maar veroorzaakt wordt door een stationaire mantelpluim, zoals bij Hawaii.
Lahar
Een gevaarlijke modder- of puinstroom die kan ontstaan tijdens of na een vulkaanuitbarsting.