Nederlands: Signaalwoorden, Spanning en Grammatica

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/60

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Flashcards over Nederlandse taalkunde, literatuurtheorie, communicatiemodellen en grammatica gebaseerd op de lesnotities.

Last updated 3:32 PM on 6/14/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

61 Terms

1
New cards

Signaalwoorden

Woorden die verbanden uitdrukken tussen zinsdelen, zinnen en alinea’s.

2
New cards

Redengevend verband

Duidt de reden aan waarom iets gebeurt; voorbeelden zijn: omdat, want, namelijk, daarom, aangezien.

3
New cards

Toelichtend verband

Geeft een verduidelijking bij de tekst; voorbeelden zijn: bijvoorbeeld, zo, ter illustratie, dat wil zeggen.

4
New cards

Samenvattend verband

Duidt een kort overzicht van eerdere informatie aan; voorbeelden zijn: samengevat, kortom, al met al.

5
New cards

Concluderend verband

Duidt een besluit over eerdere informatie aan; voorbeelden zijn: dus, concluderend, vandaar dat.

6
New cards

Tegenstellend verband

Duidt een verschil tussen twee zaken aan; voorbeelden zijn: maar, echter, toch, desondanks, enerzijds/anderzijds.

7
New cards

Synoniemen

Woorden met ongeveer dezelfde betekenis, maar vaak een andere gevoelswaarde.

8
New cards

Antoniemen

Woorden met een tegenovergestelde betekenis.

9
New cards

Homoniemen

Woorden met gelijke uitspraak en spelling, maar duidelijk verschillende betekenissen.

10
New cards

Homofonen

Woorden die hetzelfde klinken, maar anders geschreven worden.

11
New cards

Indirecte vraag

Een vraagvorm waarachter we geen vraagteken, maar een punt zetten.

12
New cards

Bijstelling

Een zinsdeel dat extra informatie geeft over een zelfstandig naamwoord en tussen komma's wordt geplaatst.

13
New cards

Beletselteken

Drie puntjes (…) die aangeven dat een opsomming niet af is, iemand aarzelt, of om spanning op te bouwen.

14
New cards

Onderbroken aanhaling

Citaat waarbij de zin onderbroken wordt door een toevoeging (zoals: zei hij), waarbij komma's worden gebruikt om de delen te scheiden.

15
New cards

Gedachtestreepje

Leesteken gebruikt om een gedachte of opmerking weer te geven die extra nadruk krijgt; de zin blijft correct zonder deze informatie.

16
New cards

Proces-verbaal

Een officieel schriftelijk verslag opgesteld door bijvoorbeeld de politie.

17
New cards

Chanteren

Iemand afpersen door geld of diensten te vragen om informatie geheim te houden.

18
New cards

Plaats delict

De locatie waar een misdaad heeft plaatsgevonden.

19
New cards

Alibi

Een bewijs dat iemand niet aanwezig was op de plaats van de misdaad.

20
New cards

Liquideren

Iemand uit de weg ruimen of vermoorden in een criminele context.

21
New cards

Protagonist

Het hoofdpersonage dat de belangrijkste rol speelt en geconfronteerd wordt met een probleem of uitdaging.

22
New cards

Antagonist

Het tegenpersonage dat de protagonist tegenwerkt en vaak aanleiding geeft tot het probleem.

23
New cards

Nevenpersonage

Een personage met een ondergeschikte rol dat essentieel is om gebeurtenissen op gang te houden.

24
New cards

Figuranten

Personages zonder actieve rol of invloed op de verhaallijn die bijdragen aan de sfeer of context.

25
New cards

Verteltijd

De tijd die nodig is om een verhaal te lezen, uitgedrukt in regels, bladzijden of uren.

26
New cards

Vertelde tijd

De periode waarbinnen de gebeurtenissen in het verhaal zich voltrekken.

27
New cards

Versnelling

Wanneer een lange periode kort wordt omschreven, waardoor de verteltijd kleiner is dan de vertelde tijd.

28
New cards

Vertraging

Wanneer een korte periode heel uitgebreid wordt verteld, waardoor de verteltijd groter is dan de vertelde tijd.

29
New cards

Flashback

Een episode uit het verleden die de chronologie van het verhaal doorbreekt.

30
New cards

Flashforward

Een episode uit de toekomst die de chronologie van het verhaal onderbreekt.

31
New cards

Geografische ruimte

De fysieke of fictieve plaats waar een verhaal zich afspeelt.

32
New cards

Sociale ruimte

De sociale klassen of milieus waartoe personages behoren (afkomst, status, beroep).

33
New cards

Symbolische ruimte

Een omgeving die symbool staat voor de situatie of gevoelens van een personage.

34
New cards

Retardering

Het rekken van de tijd door extra beschrijvingen om de spanning te verhogen.

35
New cards

Cliffhanger

Een spannend moment waarop een verhaal of aflevering plots wordt afgebroken.

36
New cards

Red herring

Informatie die de lezer op het verkeerde been zet.

37
New cards

Jan Klaassen-syndroom

Spanning die ontstaat doordat de lezer meer weet dan de personages (bij een auctoriële verteller).

38
New cards

Klassieke soap

Fictieve televisiereeks zonder duidelijk begin of einde met veel vaste personages en nadruk op relaties.

39
New cards

Docusoap

Een soapachtige montage van niet-fictieve verhalen waarbij gewone mensen gevolgd worden.

40
New cards

Realitysoap

Programma waarin mensen geïsoleerd van de buitenwereld deelnemen aan een niet-fictief spel terwijl ze continu gefilmd worden.

41
New cards

Celebritysoap

Non-fictie programma waarin een cameraploeg een beroemdheid en zijn/haar familie volgt.

42
New cards

Ruis

Een storing of fout die in het communicatieproces sluipt.

43
New cards

Standaardnederlands

De officiële taal van Vlaanderen en Nederland, bruikbaar in alle situaties.

44
New cards

Dialect

Een streekgebonden variant van het Nederlands die beperkt is tot een specifieke regio of stad.

45
New cards

Tussentaal

Een taalvariant tussen standaardtaal en dialect in, gekenmerkt door vormen als ‘gij’ en verkleinwoorden op -ke.

46
New cards

Connotatie

De persoonlijke, emotionele of culturele gevoelswaarde van een woord.

47
New cards

Eufemisme

Een term die de waarheid verzacht of positiever voorstelt.

48
New cards

Dysfemisme

Iets met opzet negatiever laten klinken dan het is.

49
New cards

Recensie

Een artikel waarin een recensent een persoonlijk eindoordeel geeft over een werk zoals een boek of film.

50
New cards

Alliteratie

Medeklinkerrijm waarbij woorden beginnen met dezelfde klank.

51
New cards

Assonantie

Klinkerrijm waarbij de klinkers van woorden overeenkomen.

52
New cards

Metafoor

Beeldspraak waarbij iets direct iets anders wordt genoemd zonder het woord ‘als’.

53
New cards

Personificatie

Beeldspraak waarbij menselijke eigenschappen worden gegeven aan dieren of voorwerpen.

54
New cards

Productplacement

Vorm van geïntegreerde reclame waarbij merken zichtbaar zijn in films of tv-programma's.

55
New cards

Publireportage

Advertentie die eruitziet als een gewoon artikel of item in een tijdschrift of op tv.

56
New cards

Influencer

Persoon op internet die gesponsord wordt om producten bij volgers te promoten.

57
New cards

Wederkerend voornaamwoord

Een voornaamwoord dat altijd met een werkwoord verbonden is en terugkeert naar het onderwerp (zoals: me, je, zich).

58
New cards

Betrekkelijk voornaamwoord

Geleidt een bijzin in en verwijst naar een eerder genoemd antecedent (zoals: die, dat, wiens).

59
New cards

Bijwoord (BW)

Een onveranderlijk woord dat extra informatie geeft over een werkwoord, bijvoeglijk naamwoord, een ander bijwoord of een hele zin.

60
New cards

Mimiek

De gelaatsuitdrukking die emoties toont tijdens communicatie.

61
New cards

Gestiek

Lichaamsgebaren met armen, hoofd of benen die de gesproken taal ondersteunen.