1/60
Flashcards over Nederlandse taalkunde, literatuurtheorie, communicatiemodellen en grammatica gebaseerd op de lesnotities.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Signaalwoorden
Woorden die verbanden uitdrukken tussen zinsdelen, zinnen en alinea’s.
Redengevend verband
Duidt de reden aan waarom iets gebeurt; voorbeelden zijn: omdat, want, namelijk, daarom, aangezien.
Toelichtend verband
Geeft een verduidelijking bij de tekst; voorbeelden zijn: bijvoorbeeld, zo, ter illustratie, dat wil zeggen.
Samenvattend verband
Duidt een kort overzicht van eerdere informatie aan; voorbeelden zijn: samengevat, kortom, al met al.
Concluderend verband
Duidt een besluit over eerdere informatie aan; voorbeelden zijn: dus, concluderend, vandaar dat.
Tegenstellend verband
Duidt een verschil tussen twee zaken aan; voorbeelden zijn: maar, echter, toch, desondanks, enerzijds/anderzijds.
Synoniemen
Woorden met ongeveer dezelfde betekenis, maar vaak een andere gevoelswaarde.
Antoniemen
Woorden met een tegenovergestelde betekenis.
Homoniemen
Woorden met gelijke uitspraak en spelling, maar duidelijk verschillende betekenissen.
Homofonen
Woorden die hetzelfde klinken, maar anders geschreven worden.
Indirecte vraag
Een vraagvorm waarachter we geen vraagteken, maar een punt zetten.
Bijstelling
Een zinsdeel dat extra informatie geeft over een zelfstandig naamwoord en tussen komma's wordt geplaatst.
Beletselteken
Drie puntjes (…) die aangeven dat een opsomming niet af is, iemand aarzelt, of om spanning op te bouwen.
Onderbroken aanhaling
Citaat waarbij de zin onderbroken wordt door een toevoeging (zoals: zei hij), waarbij komma's worden gebruikt om de delen te scheiden.
Gedachtestreepje
Leesteken gebruikt om een gedachte of opmerking weer te geven die extra nadruk krijgt; de zin blijft correct zonder deze informatie.
Proces-verbaal
Een officieel schriftelijk verslag opgesteld door bijvoorbeeld de politie.
Chanteren
Iemand afpersen door geld of diensten te vragen om informatie geheim te houden.
Plaats delict
De locatie waar een misdaad heeft plaatsgevonden.
Alibi
Een bewijs dat iemand niet aanwezig was op de plaats van de misdaad.
Liquideren
Iemand uit de weg ruimen of vermoorden in een criminele context.
Protagonist
Het hoofdpersonage dat de belangrijkste rol speelt en geconfronteerd wordt met een probleem of uitdaging.
Antagonist
Het tegenpersonage dat de protagonist tegenwerkt en vaak aanleiding geeft tot het probleem.
Nevenpersonage
Een personage met een ondergeschikte rol dat essentieel is om gebeurtenissen op gang te houden.
Figuranten
Personages zonder actieve rol of invloed op de verhaallijn die bijdragen aan de sfeer of context.
Verteltijd
De tijd die nodig is om een verhaal te lezen, uitgedrukt in regels, bladzijden of uren.
Vertelde tijd
De periode waarbinnen de gebeurtenissen in het verhaal zich voltrekken.
Versnelling
Wanneer een lange periode kort wordt omschreven, waardoor de verteltijd kleiner is dan de vertelde tijd.
Vertraging
Wanneer een korte periode heel uitgebreid wordt verteld, waardoor de verteltijd groter is dan de vertelde tijd.
Flashback
Een episode uit het verleden die de chronologie van het verhaal doorbreekt.
Flashforward
Een episode uit de toekomst die de chronologie van het verhaal onderbreekt.
Geografische ruimte
De fysieke of fictieve plaats waar een verhaal zich afspeelt.
Sociale ruimte
De sociale klassen of milieus waartoe personages behoren (afkomst, status, beroep).
Symbolische ruimte
Een omgeving die symbool staat voor de situatie of gevoelens van een personage.
Retardering
Het rekken van de tijd door extra beschrijvingen om de spanning te verhogen.
Cliffhanger
Een spannend moment waarop een verhaal of aflevering plots wordt afgebroken.
Red herring
Informatie die de lezer op het verkeerde been zet.
Jan Klaassen-syndroom
Spanning die ontstaat doordat de lezer meer weet dan de personages (bij een auctoriële verteller).
Klassieke soap
Fictieve televisiereeks zonder duidelijk begin of einde met veel vaste personages en nadruk op relaties.
Docusoap
Een soapachtige montage van niet-fictieve verhalen waarbij gewone mensen gevolgd worden.
Realitysoap
Programma waarin mensen geïsoleerd van de buitenwereld deelnemen aan een niet-fictief spel terwijl ze continu gefilmd worden.
Celebritysoap
Non-fictie programma waarin een cameraploeg een beroemdheid en zijn/haar familie volgt.
Ruis
Een storing of fout die in het communicatieproces sluipt.
Standaardnederlands
De officiële taal van Vlaanderen en Nederland, bruikbaar in alle situaties.
Dialect
Een streekgebonden variant van het Nederlands die beperkt is tot een specifieke regio of stad.
Tussentaal
Een taalvariant tussen standaardtaal en dialect in, gekenmerkt door vormen als ‘gij’ en verkleinwoorden op -ke.
Connotatie
De persoonlijke, emotionele of culturele gevoelswaarde van een woord.
Eufemisme
Een term die de waarheid verzacht of positiever voorstelt.
Dysfemisme
Iets met opzet negatiever laten klinken dan het is.
Recensie
Een artikel waarin een recensent een persoonlijk eindoordeel geeft over een werk zoals een boek of film.
Alliteratie
Medeklinkerrijm waarbij woorden beginnen met dezelfde klank.
Assonantie
Klinkerrijm waarbij de klinkers van woorden overeenkomen.
Metafoor
Beeldspraak waarbij iets direct iets anders wordt genoemd zonder het woord ‘als’.
Personificatie
Beeldspraak waarbij menselijke eigenschappen worden gegeven aan dieren of voorwerpen.
Productplacement
Vorm van geïntegreerde reclame waarbij merken zichtbaar zijn in films of tv-programma's.
Publireportage
Advertentie die eruitziet als een gewoon artikel of item in een tijdschrift of op tv.
Influencer
Persoon op internet die gesponsord wordt om producten bij volgers te promoten.
Wederkerend voornaamwoord
Een voornaamwoord dat altijd met een werkwoord verbonden is en terugkeert naar het onderwerp (zoals: me, je, zich).
Betrekkelijk voornaamwoord
Geleidt een bijzin in en verwijst naar een eerder genoemd antecedent (zoals: die, dat, wiens).
Bijwoord (BW)
Een onveranderlijk woord dat extra informatie geeft over een werkwoord, bijvoeglijk naamwoord, een ander bijwoord of een hele zin.
Mimiek
De gelaatsuitdrukking die emoties toont tijdens communicatie.
Gestiek
Lichaamsgebaren met armen, hoofd of benen die de gesproken taal ondersteunen.