1/32
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
narratologie
la science du rƩcit (Todorov 1969)
= verhaalanalyse, verhaaltheorie
functie & vorm
term voor wetenschappelijk verantwoorde theorie v/d verhalende tekst (vanaf structuralisme)
behandelt vooral literaire verhalende teksten: op zoek naar onderliggende structuren
the literary mind
Turner 1996
inductie vs reductie
inductie = tekstgenese (studie van schrijfprocessen; uitzoomen)
deductie = verhaaltheorie (structuur & elementen; inzoomen)
verhaal
ruime betekenis; overal
the narrative turn
pomo: alles is narratief (meerdere tekensystemen, niet tijdsgebonden)
cognitief instrument: kennis overbrengen, besef tijd, gemeenschap stichten, gedeelde wereld/geschiedenis/identiteit
mens= verhalenverteller (Gottschall) ā essentieel voor succes, boodschappen doorgeven, etc.
universaliteit verhalen
-Roland Barthes
verhalen: van alle tijden & culturen (internationaal, transhistorisch, transcultureel)
verhalen maken de wereld & vormen ons
verhalen imiteren het leven, het leven imiteert verhalen
the danger of a single story
-Chimamanda Ngozi Adichie
perspectieven
gevaar herhaling/simplificatie/sterotypen/denkbeelden
verhalen vandaag
commercialisering
sociale media
crisis van het narratief
-Byung-Chul Hal
versneld door sociale media; minder connectie/zelf-representatie
geen verhaal meer door infodump/overvloed
The Pervertās Guide To Ideology
-Slavoj Zizej, 2012
commercialisering verhalen; consumerisme, branding
bv starbucks reclame
functies v verhalen
behoefte
therapeutisch
verplichting
gedrag verantwoorden
entertainment
doorgave normen & waarden
sprookjes; reclame
herkenning, verbondenheid, collectief zelfbeeld
educatief, kennis doorgeven, orale traditie
story & plot
=geschiedenis & verhaal
E. M. Forster
geschiedenis (story): chronologisch
verhaal (plot): causaal
verhaal/narrative= aaneenschakeling van gebeurtenissen & verbanden? ātemporeel/causaalā?
minimal story
= initiĆ«le toestandāactie/gebeurtenisāeinde (Gerald Prince)
= temporele connectie (Shlomith Rimmon-Kenan)
verbanden betekenisvol: essentiƫle rol v/d lezer
telling & showing
= vertellen & tonen
ā verhaal ā realiteit
ā geen binaire oppositie: altijd continuüm
ā bv roman: mix van summary & scene (eerder diĆ«getisch)
āHenry James: showing > telling
mimesis
voert ārealiteitā op (geciteerde dialoog)
toegang tot verhalenwereld; imitatie v/h leven via performance
drama (+ proza)
diegesis
samenvatting/interventie v realiteit ā verteller
indirecte toegang: info gefilterd
proza
author-narrator-reader
-Wayne Booth: The Rhetoric of Fiction

author
=auteur
nooit zelf aanwezig
implied author = constructie v/d lezer
āthe patterns in the text which the reader negotiatesā (Chatman) ā ideologie: waarden & normen in de tekst, beeld gevormd vanuit tekst
inferred author (CHatman) = door de lezer
dramatised author = zichbaar
ik-verteller
geen personage; buiten verhaal
ālet me tell you a storyā¦ā
narrator
= verteller
dramatised narrator = zichtbaar
ik-verteller
aanwezig als personage; binnen verhaal
āI remember it all too wellā
undramatised narrator = niet zichtbaar
3e persoonsverteller
bv Mrs Dalloway
maar: narrator = altijd aanwezig (zelfs wanneer onzichtbaar!!)
re-presentatie, door een vertelinstantie (nooit puur mimese)
reader
=lezer
klassieke narratologie (text-oriented) ā postklassieke narratologie (= reader-oriented)
mock reader
Booth 1961
= hoe auteurs hun lezer voorstellen
een abstractie ā tussen lezer & tekst
niet aanwezig i/d tekst
implied reader
Wolfgang Iser
receptietheorie: āset of textual cluesā
aanwijzingen die de lezer helpen om betekenis te geven aan de tekst ā lezer moet zelf āgapsā invullen (leerstellen)
narratee
= de aangesprokene (Prince) ā door de verteller aangesproken
altijd aanwezig (niet noodzakelijk i/h verhaal)
dramatised narratee
zichtbaar i/d tekst (ādear readerā)
undramatised narratee
onzichtbaar i/d tekst
āCityā
āstrip: enkel beeld
ā sprongen, samenvatting
ā zowel diegesis als mimesis

āPegasischā
~Mutsaers
undramatised narrator
objectief, geen interventies
dramatised narratee (onzichtbaar)
āDe Kaartā
~Krol
dramatised narratee (onzichtbaar)
verteller aanwezig
duidelijke gedachten tegenover elkaar (oud vs jong)
āDe tuin met splitsende padenā
~Borges
raadsel: centraal element verzwegen ā lezer betrokken, interactief: āleerstellenā via gaps vullen
āEmma Zunzā
~Borges
vertelinstantie geeft inkijk op gevoelswereld v/h personage ā auctorieel
soms verteller op voorgrond
literature vs communication
structuralisme: strikte scheiding literaire & gewone communicatie
Mary-Louise Pratt: onjuist
poetic language fallacy: narrative communication part of day-to-day communication
communication needs to be contextualised to acquire meaning
context wel aandacht bij postklassieke narratologie
consciousness & speech
= bewustzijn & spreken
ā weergeven v uitspraken & gedachten
ā Dorrit Cohn, Transparent Minds (1978)
bewustzijnsvoorstelling
first-person context: verteller = personage
ik-verteller
third-person context: verteller ā personage
hij-verteller

third person narration
indirect
psycho-narrtion: bewustzijnverhaal
3e persoon + verleden
diegesis: samenvatting v/d woorden v/h personage; aanwezigheid verteller
vaak bij klassieke 19e eeuwse teksten (bv Jane Austen)
inzicht in gedachten, op afstand weergeven; verteller weet meer
dissonance vs consonance (relatie verteller-personage: continuüm)
dissonance: verteller oneens met personage
consonance: stem v/d verteller is niet hoorbaar (moeilijk verschil tussen verteller & personage)
He asked her whether she could leave the next
day
direct
quoted monologue: geciteerde monoloog
1e persoon + tegenwoordige tijd
mimesis: rechtstreeks citeren v gedachten, personage aan het woord
citaat, aanhalingstekens,ā¦
stream of consciousness/interne monoloog
verteller kan onzichtbaar zijn (geen āhij zei/dachtā¦ā)
He asked her, āCan you leave tomorrow?ā
free indirect speech
narrated monologue: vertelde monoloog
3e persoon + verleden
tussen verteller & personage (tegelijk aan het woord)
zinsvorm = onveranderd
tussen direct & indirect speech
Could she leave tomorrow?
diƫgetische rede
samenvatting v/d gebeurtenissen door de verteller
first person narration
self-narration = egovertelling
vaak herinnering v/d ik-verteller samengevat over jongere zelf
ook dissonant vs consonang (relatie tussen vertellende & handelende ik)
De Kaart?
self-quoted monologue = door het ik geciteerde monoloog
het vertellende ik behandelt het handelende ik als personage
tegenwoordige tijd (indicator v citation)
ik-nu vs ik-toen moeilijk te onderscheiden
self-narrated monologue= zelf vertelde monoloog
bv De Kaart : āHet dorpje dat ik zo goed kende en dat ik nog nooit
op een kaart had zien staan!ā
perception & speech
= waarnemen & spreken
relatie tussen verteller (narrator) en personage
waarnemer ā spreker ā altijd een bemiddelende (waarnemende) instantie ertussen
Franz Stanzel: nooit zuiver mimetisch, altijd narrator
3 bemiddelende vertelsituaties
auctoriƫle vertelsituatie
bv algemene uitspraak/samenvatting: āAlle gelukkige gezinnen lijken op elkaar, elk ongelukkig gezin is ongelukkig op zijn eigen wijze.ā (anna karenina)
ik-vertelsituatie
personage vertelsituatie
innerlijk belicht vanuit gedachten v/h personage zelf
wie neemt waar en vertelt over die waarneming? wat bij herinneringen v personage? wordt personage verteller of vertelt een alwetende verteller?
The person scale
ā Franz Stanzel

The perspective scale
ā Franz Stanzel

The mode scale
ā Franz Stanzel

Perception & speech cirkel + probleem theorie v Stanzel
ā wordt later ook uitgebreid
ā probleem Stanzelās theorie: Verteller ā waarnemer!
ā De vertelinstantie is er altijd, maar is niet altijd de
waarnemende instantie
ze combineert waarnemen & vertellen
beter: onderscheid (verschillende lagen)
agents of perception: deel v verhaal (narrative)
agents of speech: deel v vertelling (narration)

Perception & speech cirkel (+ dissonant/consonant)
Cohn?

klassieke narratologie
=structuralistische narratologie
model: taalkunde (de Saussure)
parole (indivuele uiting, taalgebruik) vs langue (collectief systeem)
dieptestructuren vs oppervlaktefenomenen i/d Freudiaanse psychoanalyse & marxisme
nadruk op abstracte dieptestructuur (todorov)
3 niveaus (Gennette: van oppervlakte ā diepte)
narration (vertelling)
narrative (verhaal)
story (geschiedenis)
narratologie : theorie v/h vertellen v verhalen
gericht om structuur (logica) v/e verhalende (narratieve) tekst te ontleden
vragen: welke elementen in alle varianten (constanten) & hoe verschillen ze onderling (variatie) ?
narration-narrative-story
=vertelling-verhaal-geschiedenis
narration (vertelling)
narrative (verhaal)
story (geschiedenis)