Kaarten: FM SV Claude | Quizlet

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/99

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 5:23 PM on 5/14/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

100 Terms

1
New cards

Verschil kosten en uitgaven

  • Kosten = waardeopoffering voor de werking (bv. afschrijving).

  • Uitgaven = uitstroom van liquide middelen (bv. terugbetaling lening). Ze overlappen maar zijn niet gelijk.

2
New cards

Wat is het verschil tussen opbrengsten en inkomsten?

Opbrengsten = meerwaarde uit de werking (bv. verkoop op krediet). Inkomsten = werkelijke kasinstroom. Verkoop op krediet is een opbrengst maar nog geen inkomst.

3
New cards

Geef een voorbeeld van een kost die geen uitgave is.

Afschrijving: de daling in waarde van een machine is een kost, maar er stroomt geen geld uit de organisatie.

4
New cards

Geef een voorbeeld van een uitgave die geen kost is.

De terugbetaling van een lening (kapitaalaflossing) is een uitgave maar geen kost. De intrest is wel zowel kost als uitgave.

5
New cards

Wat zijn de twee hoofddoelstellingen van de financieel manager?

KT: de cashflow positief houden.

LT: de waarde van het aandeel of de organisatie verhogen.

6
New cards

Wat is financiële sturing?

De planning, het beheer en de analyse van de geldstromen, met als doel op korte termijn een positieve cashflow en op lange termijn een hogere aandeelwaarde.

7
New cards

Wat is financiële planning?

Het vaststellen van de toekomstige omvang en samenstelling van financiële geldstromen en het vermogen, als gevolg van het operationele proces.

8
New cards

Vergelijk Financial Accounting en Management Accounting op vlak van tijdshorizon en doelgroep.

  • FA: historisch gericht, voor interne én externe gebruikers, wettelijk verplicht (jaarrekening).

  • MA: verleden, heden én toekomst, enkel intern, vrij in vorm en frequentie.

9
New cards

Wat zijn financiële ratio's?

Verhoudingen, sommen of verschillen tussen twee of meer financiële grootheden uit de balans, resultatenrekening of toelichting. Ze geven de financiële toestand en prestaties beknopt weer.

10
New cards

Wat is het verschil tussen horizontale en verticale vergelijking bij ratio's?

Horizontaal: periodes vergelijken binnen de eigen organisatie. Verticaal: vergelijken met andere afdelingen of organisaties in hetzelfde marktsegment.

11
New cards

Waaruit bestaat de jaarrekening?

De jaarrekening bestaat uit drie luiken:

  • balans (vermogensbronnen en -aanwendingen)

  • resultatenrekening (opbrengsten en kosten)

  • toelichting (bijkomende info)

12
New cards

Wat meet de liquiditeitsratio en wanneer is er een probleem?

Liquiditeit meet of de organisatie op KT haar schulden kan betalen.

Te laag = liquiditeitsproblemen; te hoog = mogelijk oppotten (fout beheer).

13
New cards

Hoe bereken je de current ratio?

Beperkte Vlottende Activa / VVKT (42/49).

  • Kritische waarde = 1

  • gezond is 1 tot 1,5 of hoger

  • Non-profit: norm 2 tot 2,5

14
New cards

Hoe bereken je de quick ratio (acid test)?

Quick Ratio = (Vorderingen <1J + geldbeleggingen + liquide middelen) / schulden <1J (exclusief overlopende rekeningen). Kritische waarde ongeveer 0,7 tot 1.

15
New cards

Hoe bereken je de inningstermijn van de vorderingen?

(Vorderingen <1J (40/41) / Werkingsopbrengsten (70/74)) x 365. Hoe lager, hoe beter — snelle inning versterkt de liquiditeit.

16
New cards

Hoe bereken je het aantal dagen leverancierskrediet?

(Leveranciersschuld KT (44) / Aankopen goederen en diensten (60/61)) x 365. Hoe hoger, hoe langer je gratis krediet van de leverancier gebruikt.

17
New cards

Wat is het netto werkkapitaal?

NWK = Permanent Vermogen - Uitgebreide Vaste Activa (of: Beperkte Vlottende Activa - VVKT). Het is de financiële veiligheidsmarge voor korte-termijnverplichtingen.

18
New cards

Wanneer is het netto werkkapitaal positief en wat betekent dat?

Als Permanent Vermogen groter is dan Uitgebreide Vaste Activa. De vlottende activa worden deels gefinancierd met langetermijnmiddelen — er is een liquiditeitsbuffer.

19
New cards

Hoe bereken je de eigen vermogensgraad?

(EV (10/15) / Totaal Vermogen) x 100. Meet de financiële autonomie. Norm: technisch 50%, maar 30 tot 40% wordt als OK beschouwd.

20
New cards

Hoe bereken je de algemene schuldgraad?

(VV (16/17 + 42/49) / Totaal Vermogen) x 100. Complement van de EV-graad. Niet ongunstig: 60 tot 70%.

21
New cards

Hoe bereken je de financieringswijze van de vaste activa?

(PV (10/17) / Uitgebreide VA (20/29)) x 100. Norm: minstens 100% — vaste activa mogen niet gefinancierd worden met VVKT.

22
New cards

Hoe bereken je de rendabiliteit van het eigen vermogen (REV)?

(Resultaat boekjaar (70/76 - 60/66) / EV (10/15)) x 100. Toont hoeveel winst gemaakt wordt met eigen middelen. Resultaat moet positief zijn.

23
New cards

Hoe bereken je de verkoopmarge (private sector)?

(Werkingsresultaat (70/74 - 60/64) / Verkopen (70)) x 100. Non-profit: noemer = 70 + 73 (inclusief subsidies en lidgelden).

24
New cards

Wat is solvabiliteit?

De mate waarin een organisatie, in geval van liquidatie, alle schulden kan terugbetalen. Focus op de passiefzijde: verhouding EV ten opzichte van VV.

25
New cards

Waarom is rendabiliteit minder relevant in de publieke sector?

Publieke organisaties streven geen winst na en rekenen geen marktprijs. Concepten als winst/verlies zijn gebrekkige waardemeters. Toch is het interessant om te weten hoe verlieslatend een activiteit is.

26
New cards

Wat is het verschil tussen situatie 1 (gezond), 2 (tijdelijk ziek) en 3 (chronisch ziek) bij faling?

1: positieve liquiditeit + positieve rendabiliteit.

2: negatieve liquiditeit, positieve rendabiliteit (te snelle groei).

3: positieve liquiditeit, negatieve rendabiliteit (teren op EV via overgedragen verliezen).

27
New cards

Wat is een audit?

Een systematisch proces waarbij een onafhankelijke deskundige bewijsmateriaal verzamelt en evalueert om de mate van overeenstemming met vastgestelde criteria te bepalen en te rapporteren.

28
New cards

Wat is het verschil tussen interne en externe audit?

  • Interne audit: door de organisatie zelf, evalueert interne werking op doelmatigheid.

  • Externe audit: door een onafhankelijke, controleert de jaarrekening of financiële staten.

29
New cards

Welke drie normen hanteert het Rekenhof bij controle?

  • wettigheid (lopen verrichtingen correct?)

  • financiële controle (juistheid rekeningen)

  • prestatie-audit (zuinigheid, doeltreffendheid, doelmatigheid)

30
New cards

Wat is de financiële cyclus?

De aaneenschakeling van de budgettair-financiële instrumenten: budget (planning) → boekhouding (beheer) → audit (evaluatie).

31
New cards

Wat is Nieuw Publiek Management (NPM)?

Het geheel van analyses, ideeën en aanbevolen werkwijzen over vernieuwing van de overheid in termen van meer bedrijfsmatig werken: prestatiegerichtheid, efficiëntie en effectiviteit.

32
New cards

Wat zijn de drie doelstellingen van de overheid binnen financieel management?

Allocatie (schaarse middelen verdelen voor maximale welvaart), herverdeling (inkomensongelijkheid corrigeren via belastingen en uitkeringen), stabilisatie (economische groei stabiliseren).

33
New cards

Wat is een retributie?

Een vergoeding voor geproduceerde goederen of diensten door de overheid.

  • geen verplichting, enkel bij verbruik

  • in principe geen winstmotief

  • maximaal de kostprijs dekt

34
New cards

Wat is het verschil tussen directe en indirecte belastingen?

  • Directe belasting: op inkomen/vermogen van personen of bedrijven (bv. personenbelasting).

  • Indirecte belasting: op transactie of aankoop (bv. BTW, accijnzen).

35
New cards

Noem vier vormen van indirecte belastingen in België.

BTW (21%, 12%, 6%), successierechten (op erfenissen), registratierechten (bv. aankoop woning: 6% in Vlaanderen), accijnzen (tabak, brandstof, alcohol).

36
New cards

Wat zijn de twee belangrijkste aanvullende lokale belastingen?

  • Opcentiemen op de onroerende voorheffing (OOV): gemiddeld 897 in 2020.

  • Aanvullende personenbelasting (APB): gemiddeld 7,20% in 2020.

37
New cards

Waarom heeft de overheid zoveel verschillende belastingen?

  • verdeling van de belastingslast

  • vermijden van buitensporige heffingen

  • compenseren van onverwachte effecten

  • een politieke dimensie: fiscale illusie (burgers onderschatten de belastingkost van publieke goederen)

38
New cards

Wat is het verschil tussen bestedingen en overdrachtsuitgaven?

  • Bestedingen: uitgaven waarbij een tegenprestatie staat (bv. lonen).

  • Overdrachtsuitgaven: uitgaven zonder tegenprestatie (bv. sociale uitkeringen, subsidies).

  • Verhouding ca. 42/58%.

39
New cards

Wat zijn de traditionele verklaringen voor de groei van overheidsuitgaven?

  • Wet van Wagner (vraag stijgt met inkomen)

  • plateautheorie (crisis leidt tot permanent hoger niveau)

  • ziekte van Baumol (arbeidsintensieve publieke diensten)

  • vergrijzing

  • fiscale illusie

40
New cards

Welke politieke factoren verklaren de stijging van overheidsuitgaven?

  • Impact van kiezers (lagere inkomens stemmen voor meer publieke diensten)

  • politieke samenstelling (coalitie leidt tot stemmenruil)

  • politieke conjunctuurcyclus (meer uitgaven voor verkiezingen)

41
New cards

Wat is budgetteren?

Een interactief proces waarbij de activiteiten en daarmee samenhangende middelen voor een specifieke periode in kwantitatieve, financiële grootheden worden vastgesteld. Het is taakstellend.

42
New cards

Wat is het verschil tussen begroten en budgetteren?

Begroten: totaaloverzicht van verwachte financiële gevolgen — vrijblijvend.

Budgetteren: de cijfers zijn taakstellend, niet vrijblijvend voor de betrokkenen.

43
New cards

Vergelijk Input Budgeting en Zero-Based Budgeting.

  • Input Budgeting: vorig jaar als basis met incrementele aanpassingen, weinig discussie over basisbudget.

  • ZBB: elke activiteit opnieuw begroot vanaf nul in functie van prioriteiten — tijdrovend maar rationeler.

44
New cards

Wat is Output Budgeting?

  • Begrotingstechniek waarbij de begroting volledig geleid wordt door de nagestreefde output.

  • Geen basisbudget; middelen worden toegewezen in functie van operationele doelstellingen.

  • Centraal in NPFM.

45
New cards

Noem de begrotingsbeginselen in de publieke sector.

Eenjarigheid, wettelijkheid, doelmatige opbouw, evenwicht, universaliteit, echtheid, specialiteit, duidelijkheid/klaarheid, openbaarheid.

46
New cards

Waarvoor dient de begroting als machtigingsdocument?

De goedgekeurde begroting machtigt het uitvoerend orgaan om ontvangsten te innen en uitgaven te verrichten. Het is echter geen verplichting; burgers hebben geen rechtstreekse rechten ten opzichte van derden.

47
New cards

Wat is een meerjarenplan (MJP) en waarom is het nodig?

Een langetermijnplanning die breder en minder gedetailleerd is dan een jaarbudget. Nodig omdat beleidsdoelstellingen niet altijd op korte termijn realiseerbaar zijn. Uitvoering wordt vertaald in jaarlijkse budgetten.

48
New cards

Wat zijn de drie kritieken op traditionele begrotingstechnieken (input budgeting)?

Nadruk op inputs en niet op kwaliteit/efficiëntie; basisbudget wordt nauwelijks herzien (aanwasprincipe); geen volwaardig beleids- en beheerinstrument.

49
New cards

Wat is beyond budgeting?

Een school die pleit voor het afschaffen van pure budgettering en werkt met rolling forecasts en allocatie van middelen op basis van toegevoegde waarde. Niet toepasbaar voor de overheid omdat verantwoording moet afgelegd worden.

50
New cards

Wat is financiële analyse (FA)?

Het doorlichten van historische financiële informatie om de financiële gezondheid van een organisatie te beoordelen en prognoses af te leiden over haar toekomstige evolutie.

51
New cards

Waarom is een ratio op zichzelf onvoldoende om te interpreteren?

Een ratio levert slechts één cijfer. Je moet het vergelijken met een scharniercijfer: sectorgemiddelden (verticaal) en de historische trend van de eigen organisatie (horizontaal).

52
New cards

Wat is horizontale analyse?

  • Analyse die inzicht geeft in de verandering van financiële gegevens over twee of meer boekperiodes.

  • Drie vormen: absoluut, procentueel en tijdsindexen.

  • Minimum 3 periodes voor een trend.

53
New cards

Wat is verticale analyse?

Analyse die inzicht geeft in de structuur van balans en resultatenrekening door het relatieve aandeel van posten ten opzichte van een totaal uit te drukken (bv. als percentage van balanstotaal of omzet).

54
New cards

Wat is de cashflow?

  • Het verschil tussen de inkomende en uitgaande geldstromen.

  • Geeft de verandering van beschikbare geldmiddelen als gevolg van transacties weer.

  • Niet wettelijk verplicht te rapporteren in België (geen deel van de jaarrekening).

55
New cards

Wat is het verschil tussen de directe en de indirecte methode om cashflow te berekenen?

Directe methode: werkelijk ontvangen kasopbrengsten en betaalde kaskosten (onmogelijk op basis van jaarrekening). Indirecte methode: vertrek van de winst en pas aan voor niet-kaskosten en niet-kasopbrengsten.

56
New cards

Waarom moeten afschrijvingen bij de indirecte CF-berekening worden opgeteld bij de winst?

Afschrijvingen zijn een niet-kaskost: ze zitten in het resultaat maar veroorzaken geen kasuitstroom. Ze worden opgeteld om de werkelijke kasbeweging te bepalen.

57
New cards

Wat zijn de drie componenten van de cashflow bij de indirecte methode?

  • operationele kasstroom (uit normale werking)

  • investeringskasstroom (aankoop/verkoop vaste activa)

  • financieringskasstroom (leningen, EV)

  • Som = globale kasstroom

58
New cards

Wat is een investering in de brede financiële betekenis?

Een uitgave voor een goed of dienst dat op lange termijn ingezet wordt ter realisatie van de doelstellingen. In not-for-profit: elke aanwending van middelen die bijdraagt tot het doel van de organisatie.

59
New cards

Waarom zijn investeringsbeslissingen zo belangrijk voor de financieel manager?

Ze slorpen een groot deel van het vermogen op, passen in de langetermijnstrategie, bepalen capaciteit en personeelsinzet, en er zijn opportuniteitskosten (ze verhinderen andere investeringen).

60
New cards

Wat zijn de relevante kasstromen bij een investeringsanalyse?

  • De nieuwe of gewijzigde kasstromen als gevolg van de investering.

  • Sunk costs (reeds gemaakte kosten) zijn niet relevant.

  • Afschrijvingen zijn irrelevant tenzij de machine net afgeschreven is en vervangen moet worden.

61
New cards

Wat is de pay back methode?

Investeringsanalysemethode die bepaalt wanneer de investering is terugverdiend: Relevante investeringskasstroom / Jaarlijkse relevante kasstroom. Hoe korter de terugverdientijd, hoe positiever de evaluatie.

62
New cards

Bereken de payback: machine 18.000 euro, restwaarde 1.000 euro, jaarlijkse CF 5.600 euro.

PB = (-18.000 + 1.000) / 5.600 = 3,04 jaar = 3 jaar en 15 dagen (0,04 x 365).

63
New cards

Wat is een voordeel en een nadeel van de pay back methode?

Voordeel: eenvoudig en snel voor kleine investeringen. Nadeel: houdt geen rekening met tijdswaarde van geld, gaat uit van vaste jaarlijkse CF, negeert kasstromen na de pay back periode.

64
New cards

Wat is de tijdswaarde van geld?

Een geldbedrag is nu meer waard dan hetzelfde bedrag in de toekomst, vanwege inflatie, rendementsmogelijkheden en risico. Actualiseren = toekomstig bedrag omrekenen naar huidige waarde.

65
New cards

Hoe actualiseer je een toekomstige kasstroom?

Actuele waarde = Toekomstig bedrag / (1 + r)^n. Waarbij r = actualisatievoet (inflatie, risicovrij rendement, of minimaal verwacht rendement) en n = aantal jaren.

66
New cards

Wat is de Net Present Value (NPV)?

  • De optelsom van geactualiseerde kasstromen als gevolg van de investering.

  • NPV groter dan 0: aanvaarden.

  • NPV kleiner dan 0: verwerpen.

  • NPV = 0: verwacht rendement exact behaald.

67
New cards

Wat is de Return on Investment (ROI)?

(Jaarlijkse operationele relevante kasstroom / Relevante investeringskasstroom) x 100. Geeft het procentueel rendement. Investeer als ROI groter is dan het minimaal verwacht rendement.

68
New cards

Hoe bepaal je de actualisatievoet in een not-for-profit organisatie?

Geen winstmotief, dus gebruik: rendement van een risicovrije belegging, de rentekost van de lening ter financiering, of de gemiddelde inflatievoet (om koopkracht te bewaren).

69
New cards

Wat zijn de gevolgen van het aantrekken van vreemd vermogen voor een organisatie?

VV verhoogt het vermogen (groei) en kan het rendement verhogen via de financiële hefboom, maar brengt kosten mee die de winst drukken. Enkel voordelig als het rendement van de investering groter is dan de kost van VV.

70
New cards

Wat is de kostprijs?

Het geheel aan kosten (inzet van middelen) uitgedrukt in euro, noodzakelijk voor het produceren van een goed of het uitvoeren van een dienst. Het kostenobject is de eenheid waarvoor de kost wordt berekend.

71
New cards

Wat is het verschil tussen vaste en variabele kosten?

Variabele kosten stijgen of dalen naargelang het volume (bv. grondstoffen).

Vaste kosten blijven constant ongeacht het volume (bv. afschrijving oven) — maar enkel binnen bepaalde capaciteitsgrenzen.

72
New cards

Wat zijn marginale kosten?

De bijkomende kosten voor de productie van één extra eenheid. Gelijk aan de variabele kost per eenheid, want de vaste kost is al aanwezig en hoeft niet bijgerekend te worden.

73
New cards

Wat is het verschil tussen directe en indirecte kosten?

Directe kosten: eenduidig toe te wijzen aan één kostenobject (bv. bloem bij broodbakken). Indirecte kosten: niet uniek toe te wijzen (bv. ICT-onderhoud voor meerdere diensten) — verdeelsleutel nodig.

74
New cards

Waarom gebruikt de overheid full costing en niet direct costing?

Bij de overheid is het aandeel van indirecte kosten zeer groot (bv. administratie, ICT, facilitaire diensten). Full costing deelt alle kosten toe aan kostenobjecten voor een volledig beeld.

75
New cards

Wat is een make-or-buy beslissing?

Een analyse waarbij nagegaan wordt of het financieel voordelig is om goederen of diensten zelf te produceren (make) of aan te kopen bij derden (buy). Gebaseerd op relevante kosten en opbrengsten.

76
New cards

Waarom zijn afschrijvingen bij een make-or-buy beslissing doorgaans irrelevant?

De machine is er al, de afschrijving loopt hoe dan ook — ze is onafhankelijk van de keuze make of buy. Uitzondering: als de machine net afgeschreven is en vervangen moet worden bij de keuze voor make.

77
New cards

Wat zijn sunk costs?

Kosten die in het verleden zijn gemaakt en op geen enkele manier meer beïnvloed kunnen worden door toekomstige beslissingen. Ze zijn altijd irrelevant voor beslissingsanalyses.

78
New cards

Hoe bereken je de kritische omzet (break-even)?

Volume = Vaste kosten / (Verkoopprijs - Variabele kost per stuk). Geeft de hoeveelheid prestaties die nodig is om kostendekkend te draaien (resultaat = 0).

79
New cards

Break-even: capaciteit 300 bedden, variabele kost 500 euro per bewoner, vaste kost 250.000 euro per maand, prijs 1.500 euro per maand. Wat is de kritische omzet?

KO = 250.000 / (1.500 - 500) = 250 bedden. Minimale bezettingsgraad = 250/300 = 83,3%.

80
New cards

Wat zijn de beperkingen van de break-evenanalyse?

  • gaat uit van lineair verloop van kosten en opbrengsten

  • vereist strikt onderscheid vast/variabel

  • restproductie wordt niet meegenomen

  • resultaat is een momentopname

81
New cards

Wat is de toeslagmethode bij kostprijscalculatie?

Indirecte kosten worden verdeeld in verhouding tot de directe kosten van de kostendrager. Kostprijs = directe kost + alpha x directe kost, waarbij alpha = totale indirecte kosten / totale directe kosten.

82
New cards

Wat is de kostenplaatsenmethode?

Kostprijsmethode die rekening houdt met mission centers (kostendragers) en service centers (kostenplaatsen). De kosten van service centers worden verdeeld naar de mission centers via verdeelsleutels.

83
New cards

Wat is het verschil tussen een mission center en een service center?

  • Mission center: werkt direct voor de afnemers of burgers (bv. school, bibliotheek).

  • Service center: werkt intern voor mission centers of andere service centers (bv. ICT, poetsdienst).

84
New cards

Wat is de rol van prestatiemeting (performance management) in NPFM?

  • Drie stappen:

    • meten (gegevens verzamelen)

    • incorporeren (integreren in procedures en documenten)

    • gebruiken (aanwenden voor beslissingen)

  • Doel: betere beslissingen en beleid

85
New cards

Wat zijn de drie financieringswijzen bij investeringen?

Eigen middelen (liquide middelen omzetten naar vaste activa), intern via kapitaalverhoging door aandeelhouders, extern zonder schulden (subsidies, leden) of met schulden (lening). Elk heeft een andere impact op balans, liquiditeit en resultaat.

86
New cards

Wat is Corporate Social Responsibility (CSR)?

Maatschappelijke verantwoordelijkheid van een organisatie ten opzichte van al haar stakeholders (werknemers, leveranciers, klanten, overheid, maatschappij). Draagt bij tot het verhogen van de aandeelwaarde op lange termijn.

87
New cards

Wat zijn de drie functies van financieel overheidsmanagement (FOM)?

Planning (begrotingen), beheer (prestatiemeting en boekhouding), analyse (evaluaties en audit). Laat toe te denken in termen van effectiviteit en efficiëntie op elk bestuursniveau.

88
New cards

Wat zijn de gevolgen van slechte financiële sturing?

Personeel: te laat betaald leidt tot productiviteitsproblemen. Klanten: verkeerde prijs/kwaliteit leidt tot vraagdaling. Leveranciers: openstaande schulden leiden tot bevoorradingsproblemen.

89
New cards

Vergelijk prestatie-audit en financiële audit op vlak van doelstelling en methode.

  • prestatie-audit: nagaan of juiste dingen juist worden gedaan (economie, effectiviteit, doelmatigheid), subjectief, variërende methodes.

  • financiële audit: rekeningen correct en waarachtig, gestandaardiseerd.

90
New cards

Waarom is goed bestuur meer dan goede financiële resultaten?

Goed bestuur omvat ook dienstverlening van goede kwaliteit, dienstverlening aangepast aan maatschappelijke noden, en behoud van het patrimonium. Lage schuld kan bijvoorbeeld wijzen op te weinig investeringen.

91
New cards

Wat zijn de beperkingen van ratio-analyse via de jaarrekening?

Momentopname (vertekening mogelijk), afhankelijkheid van consistente waarderingsregels, beleidswijzigingen beïnvloeden voorspellingen, en je hebt altijd een scharniercijfer nodig om te vergelijken.

92
New cards

de permanentie van het vermogen

(Permanent Vermogen (10/17) / Totaal Vermogen) x 100. Geeft de verhouding weer tussen langdurig aanwezig vermogen en totaal vermogen. Hoe hoger, hoe minder afhankelijk van kortetermijnmiddelen.

93
New cards

Hoe kun je een negatief netto werkkapitaal verbeteren? Noem drie maatregelen.

1. Meer EV aantrekken (verhoogt PV). 2. Nieuwe langetermijnleningen afsluiten. 3. KT-schuld omzetten in LT-schuld. Ook: verkoop vaste activa met aanhouding liquiditeiten, of sale and lease back.

94
New cards

Waarom is het solvabiliteitsbegrip anders in de publieke sector?

Het EV heeft geen financieel-economische betekenis (het is een saldopost bij de beginbalans). Veel activa zijn onverkoopbaar (publiek domein). De begroting is de eigenlijke bescherming voor VV, niet het EV.

95
New cards

Wat is fiscale illusie?

De onderschatting door burgers van de belastingkost van publieke goederen. Dit leidt tot hogere vraag naar publieke diensten, wat de overheidsuitgaven opdrijft.

96
New cards

Wat is de plateautheorie als verklaring voor groei van overheidsuitgaven?

Uitzonderlijke omstandigheden (bv. crisis) leiden tot een tijdelijke stijging van uitgaven. Na de crisis valt het niveau niet meer terug naar het oude niveau — er is een permanent hoger plateau.

97
New cards

Wat zijn de voordelen van prestatiegericht begroten in NPFM?

Focus op output en outcome, meetresultaten als controlemiddel, consistentie, faciliteren van leren, en vergroot de publieke steun door openheid. Maar: risico op cijferfetisjisme en manipulatie van data.

98
New cards

Wat is de ziekte van Baumol als verklaring voor stijgende overheidsuitgaven?

Publieke diensten zijn vaak arbeidsintensief. Om verhoudingsgewijs dezelfde output te leveren als de private sector (die productiviteitsstijgingen kent), zijn meer middelen nodig, wat leidt tot stijgende relatieve kosten.

99
New cards

Wat is de politieke conjunctuurcyclus (PBC) en waarom is die relevant in FM?

Politici verhogen voor verkiezingen de uitgaven om kiezers gunstig te stemmen. In België voornamelijk op lokaal niveau, maar recent afgezwakt. Toont aan dat politieke overwegingen financiële overwegingen kunnen domineren.

100
New cards

Wat is het verschil tussen outputs en outcomes bij prestatiegericht begroten?

  • Outputs = goederen of diensten geproduceerd door de publieke organisatie (resultaat van beleid).

  • Outcomes = impact of gevolgen voor de maatschappij. Beiden hoeven niet binnen het werkingsjaar gerealiseerd te worden.