1/37
Non-invasive brain stimulation
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Welke 3 vormen van invasieve hersenstimulatie zijn er? Waarom is elk invasief?
1) Deep Brain Stimulation
elektrode geïmplanteerd → impulsen afgeven in weefsel errond
geen operatie zonder risico’s
2) Vagus Nerve Stimulation
autonoom ZS stimuleren: parasympatische activatie, sympatische inhibitie
NT vrijstellen/beïnvloeden in brein
3) Electroconvulsive Therapy
elektrische schokken geven
volledige verdoving nu
Welke 3 vormen van non-invasieve hersenstimulatie zijn er?
1) Transcranial Magnetic Stimulation (TMS)
2) Transcranial Direct Current Stimulation (tDCS)
3) Transcranial Alternating Current Stimulation (tACS)
Hoe werkt Transcranial Magnetic Stimulation (TMS)?
Stroom induceren in hersenweefsels mbv magnetisch veld
spoel thv schedel → magnetisch veld opgewekt → elektrische stroom geïnduceerd → intensiteit groot genoeg, dan actiepotentiaal
actiepotentiaal niet het geval bij elektrische varianten
Waarvan zijn de effecten van Transcranial Magnetic Stimulation (TMS) afhankelijk (3)?
1) Intensiteit TMS
2) Locatie
vb. motorische cortex → motorische functies
3) Frequentie
Welke 4 soorten frequentie van Transcranial Magnetic Stimulation (TMS) zijn er?
1) Single-pulse TMS
2) Low-Frequency rTMS
3) High Frequency rTMS
4) Theta-Burst rTMS
Hoe werkt single pulse TMS? Wat is de valkuil hierbij?
Hele hoge intensiteit
Niet therapeutisch, maar diagnostisch interessant: marker voor hoe goed corticale pathways werken
Placebo effect: pulsen sterk te horen
Hoe werkt Low-Frequency rTMS?
Reductie corticale excitabiliteit → hyperpolarisatie → ‘inhibitie’
minder gevoelig voor actiepotentialen
vb. herstel van handmotoriek na beroerte (ongecontroleerde bewegingen) → stimulatie contralaterale primaire motorische cortex
Hoe werkt High-Frequency rTMS?
Toename corticale excitabiliteit → depolarisatie → ‘excitatie’
vb. depressie: gebrek aan activatie in dlPFC → regio stimuleren
vb. neuropathische pijn: stimulatie primaire motorische cortex
Hoe werkt Theta-Burst rTMS? Tip: er zijn 2 manieren.
Intermittent → ‘excitatie’
bepaald patroon, vb. 2s burst, 8s pauze
Continu → ‘inhibitie’
Hoe werkt Transcranial Direct Current Stimulation (tDCS)?
Stroom induceren in hersenweefsels mbv zwakke gelijkstroom
Werkingsmechanisme niet helemaal gekend
rustmembraanpotentiaal beïnvloed, maar geen actiepotentialen
Hoe verschilt de werking van TMS met die van tDCS?
TMS:
magnetisch veld
actiepotentialen
corticale & subcorticale stimulatie
tDCS:
elektrische gelijkstroom
geen actiepotentialen
corticale stimulatie
geen subcorticale stimulatie → wellicht wel indirect beïnvloed, door corticaal deel van netwerk te stimuleren
Hoe verschilt anodale van kathodale tDCS?
Anodale tDCS
depolarisatie
toename excitabiliteit
excitatie
Kathodale tDCS
hyperpolarisatie
reductie excitabiliteit
inhibitie
Wat zijn proof-of-concept studies & wat tonen ze aan over de effectiviteit van tDCS?
Kleinere steekproef om eerst te tonen wat interventie kan doen
Heterogene resultaten:
→ Effectief voor depressie (level A)
→ Waarschijnlijk effectief voor pijn, Parkinson, CVA, epilepsie, schizofrenie, verslaving… (level B)
Heterogene methodologieën
veel tDCS parameters
interindividuele variabiliteit in steekproeven
Er zijn verschillende vormen van tDCS, o.a. conventioneel en High Definition. Welke is beter?
Conventioneel stimuleert niet focaal
High Definition niet altijd beter
→ Hangt af van doel

Hoe werkt Transcranial Alternating Current Stimulaion (tACS)? Waarvan is het effect afhankelijk?
Huidige oscillerende hersenactiviteit moduleren mbv externe toepassing wisselstroom
Afhankelijk van frequentie
alpha (8-12 Hz)
beta (13-30 Hz)
gamma (>30 Hz)
Wat zijn de indicaties voor tACS?
Abnormale oscillatoire patronen
Parkinson
epilepsie
chronische pijn
depressie
…
Wat zijn positieve effecten van tACS bij dementie, alcoholmisbruik, Parkinson & Mild Cognitive Impairment?
1) Dementie: gamma (>30 Hz) tACS van dLPFC → geheugen verbetering
2) Alcoholmisbruik: alpha (8)12 Hz) tACS → verbetering inhibitoire controle
3) Parkinson: individualized tACS → verbetering motorische & cognitieve uitkomsten
4) MCI: gamma tACS van dLPFC → verbetering cognitieve uitkomsten
Wat zijn 5 toekomstige technieken?
1) Geïndividualiseerde protocols
idealiter van iedereen MRI → veld stimuleren op persoons MRI
2) Closed-loop stimulatie
EEG
3) Robot-geleide stimulatie
robot houdt spoel vast voor accuraatheid, automatische aanpassing in beweging als persoon zijn hoofd beweegt
4) Technieken zonder perifere zenuwstimulatie
kanttekening: tDCS niet transcranieel, maar transcutaan (oppervlakkig) → geen actiepotentialen, enkel in perifere zenuwen
5) Temporele interferentie stimulatie
kan ook subcorticaal
Wat is de waarde van niet-invasieve hersenstimulatie (NIBS) in fundamenteel onderzoek (2)?
1) Causale rol van specifieke hersengebieden bij specifieke lichamelijke functies
2) Neurale netwerken moduleren → onderzoeken hoe hersengebieden samenwerken in context van een functie
vb. excitatie motorische cortex → verbetering motorische functie
Wat is de klinische waarde van niet-invasieve hersenstimulatie (NIBS) (2)?
1) Therapeutische interventies
2) Neurorevalidatie — neurale plasticiteit
Wat zijn de 4 clusters van DSM-criteria voor een verslaving?
1) Controleverlies
2) Sociale impact
3) Persoonlijke negatieve consequenties
4) Gerelateerd aan negatieve bekrachtiging
Met welke andere mentale problemen vormt verslaving vaak comorbiditeit?
Eén of meerdere andere DSM-stoornissen
meestal PTSS, angst, stemming, persoonlijkheid
ook schizofrenie
hoeft niet per se diagnose te zijn, subklinisch voldoende
Tweerichtingsverbanden
Wat zijn 5 risicofactoren voor verslaving?
1) Erfelijkheid
2) Temperament
3) Leeftijd
4) Toegankelijkheid
5) Levensgebeurtenissen
Krijgen de meeste mensen die drugs gebruiken wel of geen verslaving?
Geen
Welke 3 biologische mechanismen (systemen) spelen een belangrijke rol bij verslaving? Welke hersenregio’s horen daarbij? Wat zijn risicofactoren bij elk systeem om een verslaving te ontwikkelen?
1) Beloningssystemen
VTA
ventraal & dorsaal striatum
risicofactor: minder gevoelig voor natuurlijke reinforcers → toename cue reactiviteit, afname beloning van natuurlijke reinforcers
2) Executieve systemen
PFC
risicofactor: impulsiviteit → afname inhibitiecontrole
3) Stress systemen
HPA-as
risicofactor: vroege negatieve levensgebeurtenissen → toegenomen stress-reactiviteit tijdens ontwenning/abstinentie
Welke route maakt deel uit van het beloningssysteem voor verslaving?
Mesolimbische dopaminerge route
VTA neuronen geven dopamine af in ventraal & dorsaal striatum

Wat is een noodzakelijke maar onvoldoende voorwaarde voor bekrachtiging, hetgeen een rol speelt bij verslaving?
Dopaminerelease in nACC
natuurlijke zaken: eten, seks…
cruciale rol in positieve bekrachtiging bij verslaving
Geven producten of natuurlijke bekrachtigers een grotere dopaminerelease?
Grotere dopaminerelease bij producten dan natuurlijke bekrachtigers
alcohol, tabak, stimulantia, cannabis, benzodiazepines…
hallucinogenen (psilocybine, LSD…) minder eenduidig: niet veel verslavingen
Wat is de korte termijn werking van verslaving?
Operante conditionering
positieve bekrachtiging (+S+) → roes (euforie) → toename in gedrag (ook distaal: associatie)
(negatieve bekrachtiging (-S- / °S-))
+S+ is zo sterk dat LT negatieve consequenties verwateren
Drugs zorgen voor een gevoel van roes (rush, euforie). Welke 2 zaken spelen een rol bij de effecten van drugs?
Manier van toediening & werkingssnelheid
hoe sneller piek, hoe sterker associatie tussen gedrag & belonend effect van de substantie (grotere contiguïteit

Wat is de lange termijn werking van verslaving (3)?
1) Homeostase bereiken
reductie basale niveaus van dopamine in nACC → disforie tijdens ontwenning
→ negatieve bekrachtiging: -S- / °S- wegwerken
reductie aantal dopaminereceptoren → verminderde respons op zelfde dosis, op natuurlijke bekrachtigers
2) Downregulatie ventraal striatum
→ minder sterke reactie op product → dosis stijgt
→ minder sterke reactie
3) Automatisering van gebruik
verschuiving van instrumenteel gedrag (R-S, operant) naar habitueel/compulsief (S-R, klassiek) leren
cues ipv gebruik zelf → dopaminerespons → drang
dorsaal striatum
zie foto

Wat is de paradox van de gevoeligheid voor verslavende producten op lange termijn?
Verslaving hangt samen met minder gevoeligheid voor product
downregulatie ventraal striatum
Maar cue reactiviteit: sterkere reacties op stimuli geassocieerd aan gebruik
vb. plop geluid fles, prenten…
steeds distaler
ventraal → dorsaal striatum (belonings- & aandachtssysteem)
Waarbij speelt negatieve bekrachtiging een rol?
Rol in acquisitie
psychologische coping
medicatie
negatieve ontwenningsverschijnselen / craving
verschuiving van +S+ naar -S- (reward naar relief)
Waarnaar evolueren onderstaande aspecten aan verslaving typisch na een lange termijn?
impulsief
instrumenteel/doelgericht
operant
projecties VTA
reward
dopaminerespons op …
Impulsief → compulsief
Instrumenteel/doelgericht → automatisch
Operant R-S → klassiek S-R
Projecties VTA naar ventraal nACC striatum: cruciaal voor acquisitie verslavingsgedrag → projecties VTA naar dorsaal striatum: gewoontevorming/automatisering
Reward (+S+) → relief (-S-)
Sterke dopaminerespons op gebruik → op cues
Welke 2 veranderingen in de stresssystemen zijn geassocieerd met verslaving?
1) HPA-as activiteit verzwakt prefrontale inhibitiefuncties
langdurige stressoren vermindert werking PFC
trauma → HPA-as problemen → PFC problemen → risico verslaving → slechte coping…
2) Verhoogde biologische markers (CRH) van stress bij abstinentie
gelinkt met agitatie, opgedraaid, angstig
CRH-antagonisten (relief)
Welke rol spelen (disfuncties in) executieve systemen bij verslaving?
EF in PFC
disfuncties in inhibitiecontrole → psychopathologie
Positieve bekrachtiging op KT vs negatieve effecten op LT
→ Belang inhibitie
PFC stuurt inhibitoire projecties naar dorsaal striatum
Welke 2 afwijkingen in executieve systemen bij verslaving?
PFC stuurt inhibitoire projecties naar dorsaal striatum
1) Hypoactivatie dLPFC bij verslaving
→ verlaagde inhibitiecontrole
2) Afname grijze & witte stof in PFC gelinkt met verslavingen
Wat zijn 5 risicofactoren verbonden met executieve systemen voor verslaving?
1) Jongvolwassenheid als risicoperiode: PFC nog in ontwikkeling
zaadjes van verslaving geplant
2) Impulsiviteit
3) Gedragsinhibitie op 10-12 jaar voorspellend voor latere problemen met middelenmisbruik
4) Neurotoxische effecten van middelen op PFC
5) Gedeeltelijke structurele & functionele normalisatie met langere abstinentie
→ Tweerichtingsverbanden