1/54
Een uitgebreide lijst van kernbegrippen uit de lessen Management en Economie, specifiek gericht op de architectuursector en algemene economische principes.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Economie
De sociale wetenschap die menselijk gedrag bestudeert als een relatie tussen doelen en schaarse middelen met alternatieve aanwendingsmogelijkheden.
Schaarste
De beperkte hoeveelheid middelen die beschikbaar zijn om behoeften te bevredigen.
Welvaart
De mate waarin behoeften worden vervuld met schaarse middelen; tijd wordt hier niet in meegerekend.
Welzijn
De combinatie van welvaart met het vervullen van niet-meetbare behoeften.
Productiefactoren
De middelen om goederen of diensten te produceren, bestaande uit Arbeid, Natuur en Kapitaal.
Toegevoegde waarde
Het creëren van meer waarde (winst) met de ingezette productiefactoren dan hun oorspronkelijke waarde; het doel van bedrijven.
Mercantilisme
Economische stroming gekenmerkt door een obsessie met edele metalen en het streven naar een positieve handelsbalans (protectionisme).
Fysiocratie
Economische leer die zware nadruk legt op landbouw als de enige bron van werkelijke rijkdom.
The Invisible Hand
Het concept van Adam Smith dat individueel eigenbelang in een vrije markt onbedoeld leidt tot maatschappelijk welzijn.
Homo Economicus
Een rationeel handelend mensbeeld die beslissingen neemt om het eigen welzijn te maximaliseren.
Keynesiaanse school
Stroming die stelt dat de overheid de economie moet stimuleren via overheidsuitgaven (anticyclisch beleid) bij crises.
Marxistische school
Theorie die stelt dat enkel arbeid waarde heeft en pleit voor de afschaffing van privébezit en een centraal geleide economie.
Allocatiemechanisme
Het proces dat bepaalt hoe mensen, middelen en goederen worden toegewezen binnen een samenleving.
Planeconomie
Een economisch systeem waarin de staat bepaalt wat er geproduceerd wordt, wie het doet en tegen welke prijs.
Opportuniteitskosten
De kosten verbonden aan het opofferen van het best mogelijke alternatief bij het maken van een keuze.
Marginale beslissing
Een beslissing gebaseerd op het effect van een kleine extra eenheid (bijv. één extra product maken).
Prijsevenwicht
Het punt waar de vraag- en aanbodcurve elkaar ontmoeten op de markt.
Crony capitalism
Een systeem waarbij zakelijke en politieke elites samenwerken voor eigen voordeel, wat de concurrentie verstoort.
Methodologisch individualisme
Het principe dat economische fenomenen begrepen moeten worden door te kijken naar het handelen van individuen.
Fiduciair geld
Geld dat gebaseerd is op vertrouwen en niet op de intrinsieke waarde van het materiaal (zoals papiergeld).
Geldmultiplicator
Het proces van geldcreatie via leningen waarbij banken slechts een fractie van de deposito's als reserve aanhouden (Fractional Reserve Banking).
Fiat money
Geld zonder intrinsieke waarde dat door de overheid als wettig betaalmiddel is aangewezen.
Devaluatie
Het opzettelijk verlagen van de waarde van de eigen munt ten opzichte van andere valuta om de export te stimuleren.
Inflatie
De stijging van het algemene prijspeil die zorgt voor een daling van de koopkracht.
Deflatie
Een daling van het algemene prijspeil, wat kan leiden tot economische stagnatie omdat mensen aankopen uitstellen.
ROI (Return on Investment)
Het totaalrendement berekend als: InvesteringOmzet uit investering−Investering×100%.
Yield (Rendement)
De jaarlijkse beleggingsopbrengst uitgedrukt als percentage van het belegde bedrag: Belegde bedragOpbrengst×100%.
Net Present Value (NPV)
De huidige waarde van toekomstige inkomsten na correctie voor kapitaalkost of inflatie.
Regel van 72
Een vuistregel om te berekenen hoe lang het duurt om kapitaal te verdubbelen: Rendement per jaar72=Aantal jaar.
Mattheüseffect
Het economisch principe dat wie al kapitaal heeft dit sneller ziet aangroeien, terwijl wie niets heeft achterblijft.
Loonspanning
Het verschil tussen de laagste en hoogste lonen binnen een organisatie of economie.
Activiteitsgraad
De verhouding tussen de beroepsbevolking (werkenden en werkzoekenden) en de totale bevolking op arbeidsleeftijd.
SWT (Stelsel van Werkloosheid met Bedrijfstoeslag)
Het huidige brugpensioen; een werkloosheidsuitkering aangevuld door de werkgever.
Zichtrekening
Een zeer liquide bankrekening bedoeld voor dagelijks gebruik, meestal zonder rente.
Wet van Breyne
Woningbouwwet die de koper van een woning op plan beschermt tegen fraude en wanprestatie door de bouwheer.
Businessplan
Een formeel document dat de haalbaarheid van een ondernemingsidee toelicht en dient als pad voor toekomstige groei.
SWOT-analyse
Een model dat de Strengths (sterktes), Weaknesses (zwaktes), Opportunities (kansen) en Threats (bedreigingen) van een idee evalueert.
Vijfkrachtenmodel van Porter
Een model dat de aantrekkelijkheid van een markt analyseert op basis van interne concurrentie, leveranciers, afnemers, substituten en nieuwe toetreders.
Kostenleiderschap
Een bedrijfsstrategie gericht op het zijn van de goedkoopste aanbieder door operationele efficiëntie.
Productlevenscyclus (PLC)
De fases die een product doorloopt: introductie, groei, maturiteit, stabiliteit en verval.
Isikawa-diagram
Een visgraatdiagram gebruikt om de oorzaken van een probleem of belemmeringen voor innovatie systematisch te ontleden.
Bedrijfscultuur
Het DNA van een organisatie bestaande uit gedragspatronen, symbolen, heldenverhalen en gedeelde waarden.
WACC
Weighted Average Cost of Capital; de gewogen gemiddelde kostprijs van het kapitaal (eigen en vreemd vermogen).
Marketingmix
De combinatie van de 4 P's: Product, Prijs, Plaats en Promotie om de marketingstrategie uit te voeren.
Just in Time (JIT) delivery
Een logistieke methode waarbij grondstoffen pas geleverd worden op het moment dat ze nodig zijn in het productieproces.
BBP (Bruto Binnenlands Product)
De totale geldwaarde van alle goederen en diensten die binnen de landsgrenzen van een land worden geproduceerd.
Comparatieve productiviteit
De theorie van David Ricardo dat landen zich moeten specialiseren in wat ze relatief gezien het meest efficiënt kunnen produceren.
Tulpenmanie
Historisch voorbeeld van de eerste grote speculatiebubbel (17e eeuw) waarbij de prijs van tulpenbollen losgekoppeld raakte van de waarde.
Algemene aannemer (AA)
Een bouwpartner die de coördinatie van het totale bouwproces beheert en gespecialiseerde taken uitbesteedt aan onderaannemers.
Residuele grondwaarde
De maximale prijs die een ontwikkelaar voor een perceel kan betalen: Verkoopwaarde project−(Bouwkosten+Winst+Kosten).
PPS (Publiek-Private Samenwerking)
Samenwerkingsvorm tussen de overheid en private partijen voor grote infrastructuurprojecten, vaak met DBFMOC-structuur.
DBFMOC
Een integrale overheidsopdracht bestaande uit Design, Build, Finance, Maintain, Operate en Commercialise.
Wet van '39
De Belgische wet die het monopolie en de aansprakelijkheid van de architect regelt.
Solvabiliteit
De ratio eigen vermogen ten opzichte van het balanstotaal; geeft aan in hoeverre een bedrijf met eigen middelen gefinancierd is.
Liquiditeit
De mate waarin een bedrijf in staat is om haar schulden op korte termijn te betalen met haar vlottende activa.