1/83
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Schaarste
Onmogelijkheid om al onze behoeften te voldoen. Kan ook tijdschaarste zijn
Keuzes
We moeten deze maken omwille van schaarste
bv. ga ik naar de les?
stimuli: de prof heeft gezegd dat er geen lesopnames zijn (bestraffing) + je krijgt een punt extra als je naar de les komt (beloning)
schaarste: je moet de keuze maken binnen een beperkte tijd of je kan niet meer naar de les
Stimulans
deze komen op ons af en keuzes hangen hier van af
beloning (om actie aan te moedigen)
Bestraffing om actie te ontmoedigen
Economie
Sociale wetenschap die de keuzes bestudeert die mensen, ondernemingen, overheden en de ganse maatschappij maken, wanneer zij geconfronteerd worden met schaarste en met stimuli die hun keuzes beïnvloeden. Het bestaat uit 2 delen: micro-economie, macro-economie
Micro-economie
(bv. gedrag van huishoudens, organisaties, overheden)
De studie van keuzes die individuen en ondernemingen maken. Het gaat over hoe de keuzes interageren in markten, en de invloed van overheden en beleidsmaatregelen op de keuzes die gemaakt worden
Macro-economie
(bv. werkloosheid, inflatie, rentevoeten, groei)
De studie van de effecten van de gemaakte keuzes op de nationale en globale economie
Hoe kunnen keuzes bepalen wat, hoe, wanneer, waar en voor wie goederen en diensten geproduceerd worden? [Wat?]
verandert met de tijd
technologische ontwikkeling: laat ons toe meer te produceren
Diensten: vooral door rijke landen
hoeveelheid wordt bepaald door economie
Hoe kunnen keuzes bepalen wat, hoe, wanneer, waar en voor wie goederen en diensten geproduceerd worden? [Hoe?]
door productiefactoren/productiemiddelen in te zetten
Arbeid (arbeidstijd en inspanningen)
Kapitaal (fysiek kapitaal = gereedschap, machines, uitrusting; menselijk kapitaal = kennis)
Natuur (grondstoffen, energie)
Ondernemerschap (menselijke factor die organiseert)
Hoe kunnen keuzes bepalen wat, hoe, wanneer, waar en voor wie goederen en diensten geproduceerd worden? [Wanneer?]
hangt af van conjunctuurcyclus
tijdens regressie —> productie neemt af
tijdens groeiende economie —> productie neemt toe
Hoe kunnen keuzes bepalen wat, hoe, wanneer, waar en voor wie goederen en diensten geproduceerd worden? [Waar?]
hangt af van de economie
Hoe kunnen keuzes bepalen wat, hoe, wanneer, waar en voor wie goederen en diensten geproduceerd worden? [Voor wie?]
hangt af van de vergoeding van productiefactoren
Arbeid —> loon
Kapitaal —> interest
Natuur —> huur/ pacht
Ondernemerschap —> winst
In welke mate komen de uit eigenbelang gemaakte keuzes ook het maatschappelijk belang ten goede? [keuzes]
schaarste en keuzes/afwegingen centraal
Afwegingen
Wat?
mensen kiezen hoe hun inkomen te spenderen
overheden kiezen hoe hun belastingontvangsten te spenderen
Bedrijven kiezen wat te produceren
Hoe?
bedrijven kiezen tussen alternatieve productietechnologiën
Voor wie?
keuzes veranderen de verdeling van de koopkracht onder individuen
bv. big trade-off
Big trade-off
Inkomstenverdeling door overheid van rijken naar armen = afweging tussen gelijkheid en efficiëntie
Keuzes vandaag met gevolgen voor morgen
vandaag minder consumeren —> in de toekomst meer kapitaal, dus kunnen we dan productie verhogen
vandaag minder vrije tijd nemen —> menselijk kapitaal en productie verhogen in de toekomst
vandaag meer middelen gebruiken om nieuwe technologieën te creëren, dan produceren we vandaag minder, maar meer in de toekomst
Opportuniteitskost
Het hoogst gewaardeerde alternatief dat we opgeven om iets anders te verkrijgen
—> keuze als afweging benaderen en gemiste kans weergeven als kost
Marginale opbrengst (MR)
de baten van het nastreven van een toename van een activiteit
Marginale kost (MC)
de (opportuniteits)kost van het nastreven van een toename van een activiteit
Beantwoorden aan stimuli (MR vs MC)
MR > MC: stimuli om meer van die activiteit uit te voeren
MR < MC: stimuli om minder van die activiteit uit te voeren
Hoe kan maatschappelijk belang bereikt of gediend worden als de mens zijn eigenbelang volgt?
Door de rol van instellingen (bv. overheid) te benadrukken die stimulerende maatregelen creëren om het maatschappelijk belang na te streven
(bv. de rechsstaat als instelling beschermt privébezit en stimuleert vrijwillige uitwisseling in markten van goederen en diensten die nut hebben
Economie = sociale wetenschap
observatie en metingen adhv parameters (bv. hoeveelheden grondstoffen, werkuren en lonen, prijzen en hoeveelheden van geproduceerde goederen en diensten…)
Bouwen van modellen
economisch model = beschrijving van sommige aspecten van de economische wereld —> enkel eigenschappen opnemen die belangrijk zijn voor de doelstellingen van het model
Testen van modellen
Ceteris paribus
terwijl al de rest gelijk blijft (werkhypothese)
(gebruiken als je oorzaak-gevolg relatie wil achterhalen: 1 variabele veranderen, de rest blijft gelijjk)
PPF = productiemogelijkhedenlijn
de grens tussen de combinatie van goederen en diensten die kunnen geproduceerd worden en deze die niet geproduceerd kunnen worden met beschikbare productiefactoren
—> inzoemen op 2 goederen en de rest van goederen is ceteris paribus
—> is concaaf: productiefactoren zijn niet even productief in alle mogelijke combinaties
geproduceerde hoeveelheid ↑ —> opportuniteitskost ↑
Productie-efficiëntie
indien er meer geproduceerd kan worden van 1 goed zonder minder te gaan produceren van een ander goed
Efficiënt = punten op de PPF
Inefficiënt = punt onder de curve —> goederen foutief toewijzen (niet toegewezen, fout toegewezen, verspild)
Marginale kost
de opportuniteitskost om 1 eenheid meer van dit goed of deze dienst te produceren
voorkeuren
geven een beschrijving van de wensen en afkeer van mensen
Marginale opbrengst
het ontvangen van voordeel bij de consumptie van 1 bijkomende eenheid hiervan
—> wordt bepaald aan de hand van wat een persoon wil betalen (of opgeven) om een bijkomende eenheid van een goed of dienst te verwerven
principe van dalende marginale opbrengst
hoe meer er beschikbaar is, hoe minder men bereid is te betalen voor een bijkomende eenheid
Productie-efficiëntie
MR = MC
Wanneer we niet meer kunnen produceren van een goed zonder een ander goed op te geven
—> punt op PPF
Toegewezen efficiëntie
Niet méér produceren van een goed zonder een ander goed dat we méér waarderen op te moeten geven
Economische groei
uitbreiding van productie
Welke 2 factoren beïnvloeden de economische groei
1) Technologische veranderingen/ verbeteringen: ontwikkeling van nieuwe goederen en betere productiemethoden voor goederen en diensten
2) Kapitaalaccumulatie: de groei van kapitaalmiddelen, inclusief het menselijk kapitaal
Vergelijkend/ comparatief voordeel
iemand kan de activiteit uitvoeren aan een lagere opportuniteitskost ivm gelijk wie anders.
Vergelijkend of comparatief voordeel: absoluut voordeel
vergelijking productiviteit
Vergelijkend/comparatief voordeel: comparatief voordeel
vergelijking van opportuniteitskost
type instellingen die keuzes van individuen coördineren
Bedrijven
Markten
Eigendomsrechten
Geld
Bedrijf
de economische eenheid die productiefactoren combineert om goederen en diensten te produceren en te verkopen
Markt
regeling die toelaat dat kopers en verkopers informatie verkrijgen en zaken kunnen doen met elkaar
Eigendomsrechten
sociale overeenkomsten die eigendoms- en gebruiksrecht en de beschikbaarheid van middelen, goederen en diensten regelen
Geld
grondstof of bewijs dat algemeen aanvaard wordt als betaalmiddel
circulaire stromen in de markteconomie
goederen, diensten en productiefactoren stromen in dezelfde richting
Geld stroomt in de tegenovergestelde richting

Hoe coördineren markten keuzes
prijzen passen zich aan < - > markten coördineren individuele beslissingen (van kopers en verkopers)
competitieve markt
markt met veel kopers en verkopers zodat geen enkele individuele koper of verkoper de prijs kan beïnvloeden
prijs van een goed
de hoeveelheid geld die nodig is om dit goed aan te schaffen
relatieve prijs van een goed
= de ratio van de geldelijke prijs van het goed en deze van het beste alternatief
= opportuniteitskost
Vraag
Als je iets vraagt, dan:
wil je het
kan je het je veroorloven
ben je van plan het te kopen
behoeften
ongelimiteerde verlangens of wensen van mensen naar bepaalde goederen en diensten
vraag = beslissing om aan een bepaalde behoefte, verlangen of wens te voldoen
gevraagde hoeveelheid
de hoeveelheid die gebruikers van plan zijn te kopen op een bepaalde plaats en in een bepaalde tijdspanne tegen een bepaalde prijs
Wet van de vraag
ceteris paribus, hoe hoger de prijs van een goed, hoe kleiner de gevraagde hoeveelheid (en omgekeerd)
Van welke 2 effecten is de wet van de vraag het gevolg?
Substitutie effect
Inkomenseffect
Substitutie effect
wanneer de prijs van een goed stijgt, stijgt zijn relatieve prijs (opportuniteitskost) en gaan mensen op zoek naar substituten voor dit goed
—> gevraagde hoeveelheid van goed/dienst zal dalen
Inkomenseffect
Wanneer de prijs van een goed/dienst stijgt tov het inkomen, kunnen mensen zich niet meer evenveel veroorloven
—> gevraagde hoeveelheid van het goed waarvan de prijs steeg, zal dalen
Betalingsbereidheid = WTP
maatstaf voor marginale opbrengst
Vraagverschuivers (hoe verschuift het)
Vraag ↑ : vraagcurve naar rechts
Vraag ↓: vraagcurve naar links
vraagverschuivers (factoren)
Prijs van gerelateerde goederen
substitutiegoed
Complementair goed
Verwachte toekomstige prijzen
Verandering van het huidig inkomen
Verwacht toekomstig inkomen
Populatie
Voorkeuren
substitutiegoed vs complementair goed
substitutiegoed: een goed dat kan gebruikt worden in de plaats van een ander goed (bv. koffie)
Complementair goed: een goed dat gebruikt wordt in combinatie met een ander goed (bv. stevia)
inkomen: normaal goed vs inferieur goed
normaal goed: inkomen ↑ —> vraag ↑ (bv. vliegtuigreis)
inferieur goed: inkomen ↑ —> vraag ↓ (bv. busreis)
beweging langsheen vraagcurve vs verschuiving vraagcurve
beweging langsheen vraagcurve = verandering gevraagde hoeveelheid
verschuiving van vraagcurve = verandering van de vraag
aanbod
als een bedrijf goederen of diensten aanbiedt, dan:
heeft het de middelen en technologie om deze te produceren
kan het winst halen uit die productie, en
plant het de productie en de verkoop
Aangeboden hoeveelheid
hoeveelheid die producenten van plan zijn te verkopen gedurende een bepaalde periode aan een welbepaalde prijs
Wet van het aanbod
ceteris paribus, hoe hoger de prijs van een goed, hoe groter de aangeboden hoeveelheid
—> marginale kost voor de productie van een goed stijgt naarmate de geproduceerde hoeveelheid stijgt
Marginale kost
de laagste prijs van de aanbodcurve
—> bij toename van hoeveelheid, stijgt deze
Aanbodverschuivers (factoren)
Prijzen van productiefactoren
stijging prijs —> daling aanbod —> verschuiving aanbodcurve naar links
Prijzen van complementaire en substitutiegoederen
Verwachte toekomstige prijzen (prijs ↑ —> aanbod ↓)
Het aantal aanbieders (aanbieders ↑ —> aanbod ↑
Technologie (nieuwe goederen —> aanbod ↑)
Ecologische en omgevingsfactoren
substitutiegoed vs complementair goed in de productie
substitutiegoed in de productie: andere goederen die met dezelfde productiefactoren kunnen geproduceerd worden (bv. melk en melkpoeder)
Complementair goed in de productie: worden samen geproduceerd
—> prijs substitutiegoed daalt / prijs complementair goed stijgt —> aanbod goed stijgt en aanbodcurve verschuift naar rechts
Beweging langsheen aanbodcurve vs verschuiving aanbodcurve
beweging langsheen aanbodcurve: verandering aangeboden hoeveelheid
verschuiving aanbodcurve: verandering van het aanbod
Vraag (samenvatting)
geeft WTP weer
geeft betalingsmogelijkheden weer die consument heeft
Q ↓ —> P ↑
maatstaf voor marginale opbrengst = betalingsbereidheid
Aanbod (samenvatting)
geeft minimum-aanbod-prijs curve weer
geeft aan welke de laagste prijs waartegen een producent een bijkomende eenheid wil verkopen
laagste prijs = marginale kost
Q ↑ —> marginale kost ↑
Marktevenwicht
een situatie waarbij Vraag en Aanbod elkaar in balans houden
Evenwichtsprijs en evenwichthoeveelheid
Evenwichtprijs = prijs waarbij Qa = Qv
Evenwichthoeveelheid = hoeveelheid waarbij Pa = Pv
Aanpassing van prijzen tov evenwicht
prijzen onder evenwicht —> tekort —> prijsstijging
prijzen boven evenwicht —> overschot —> prijsdaling
Verandering van vraag
Vraag ↑ —> vraagcurve naar rechts —> tekort oorspronkelijke prijs
—> P ↑ + Q ↑
Verandering van aanbod
aanbod ↑ —> aanbodcurve naar rechts —> overschot aan de oorspronkelijke prijs
—> P ↓ + Q ↑