Economie begrippen

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/83

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 2:35 PM on 5/14/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

84 Terms

1
New cards

Schaarste

Onmogelijkheid om al onze behoeften te voldoen. Kan ook tijdschaarste zijn

2
New cards

Keuzes

We moeten deze maken omwille van schaarste

bv. ga ik naar de les?

  • stimuli: de prof heeft gezegd dat er geen lesopnames zijn (bestraffing) + je krijgt een punt extra als je naar de les komt (beloning)

  • schaarste: je moet de keuze maken binnen een beperkte tijd of je kan niet meer naar de les

3
New cards

Stimulans

deze komen op ons af en keuzes hangen hier van af

  • beloning (om actie aan te moedigen)

  • Bestraffing om actie te ontmoedigen

4
New cards

Economie

Sociale wetenschap die de keuzes bestudeert die mensen, ondernemingen, overheden en de ganse maatschappij maken, wanneer zij geconfronteerd worden met schaarste en met stimuli die hun keuzes beïnvloeden. Het bestaat uit 2 delen: micro-economie, macro-economie

5
New cards

Micro-economie

(bv. gedrag van huishoudens, organisaties, overheden)

De studie van keuzes die individuen en ondernemingen maken. Het gaat over hoe de keuzes interageren in markten, en de invloed van overheden en beleidsmaatregelen op de keuzes die gemaakt worden

6
New cards

Macro-economie

(bv. werkloosheid, inflatie, rentevoeten, groei)

De studie van de effecten van de gemaakte keuzes op de nationale en globale economie

7
New cards

Hoe kunnen keuzes bepalen wat, hoe, wanneer, waar en voor wie goederen en diensten geproduceerd worden? [Wat?]

  • verandert met de tijd

  • technologische ontwikkeling: laat ons toe meer te produceren

  • Diensten: vooral door rijke landen

  • hoeveelheid wordt bepaald door economie

8
New cards

Hoe kunnen keuzes bepalen wat, hoe, wanneer, waar en voor wie goederen en diensten geproduceerd worden? [Hoe?]

  • door productiefactoren/productiemiddelen in te zetten

    • Arbeid (arbeidstijd en inspanningen)

    • Kapitaal (fysiek kapitaal = gereedschap, machines, uitrusting; menselijk kapitaal = kennis)

    • Natuur (grondstoffen, energie)

    • Ondernemerschap (menselijke factor die organiseert)

9
New cards

Hoe kunnen keuzes bepalen wat, hoe, wanneer, waar en voor wie goederen en diensten geproduceerd worden? [Wanneer?]

hangt af van conjunctuurcyclus

  • tijdens regressie —> productie neemt af

  • tijdens groeiende economie —> productie neemt toe

10
New cards

Hoe kunnen keuzes bepalen wat, hoe, wanneer, waar en voor wie goederen en diensten geproduceerd worden? [Waar?]

hangt af van de economie

11
New cards

Hoe kunnen keuzes bepalen wat, hoe, wanneer, waar en voor wie goederen en diensten geproduceerd worden? [Voor wie?]

hangt af van de vergoeding van productiefactoren

  • Arbeid —> loon

  • Kapitaal —> interest

  • Natuur —> huur/ pacht

  • Ondernemerschap —> winst

12
New cards

In welke mate komen de uit eigenbelang gemaakte keuzes ook het maatschappelijk belang ten goede? [keuzes]

  • schaarste en keuzes/afwegingen centraal

  • Afwegingen

    • Wat?

      • mensen kiezen hoe hun inkomen te spenderen

      • overheden kiezen hoe hun belastingontvangsten te spenderen

      • Bedrijven kiezen wat te produceren

    • Hoe?

      • bedrijven kiezen tussen alternatieve productietechnologiën

    • Voor wie?

      • keuzes veranderen de verdeling van de koopkracht onder individuen

      • bv. big trade-off

13
New cards

Big trade-off

Inkomstenverdeling door overheid van rijken naar armen = afweging tussen gelijkheid en efficiëntie

14
New cards

Keuzes vandaag met gevolgen voor morgen

  • vandaag minder consumeren —> in de toekomst meer kapitaal, dus kunnen we dan productie verhogen

  • vandaag minder vrije tijd nemen —> menselijk kapitaal en productie verhogen in de toekomst

  • vandaag meer middelen gebruiken om nieuwe technologieën te creëren, dan produceren we vandaag minder, maar meer in de toekomst

15
New cards

Opportuniteitskost

Het hoogst gewaardeerde alternatief dat we opgeven om iets anders te verkrijgen

—> keuze als afweging benaderen en gemiste kans weergeven als kost

16
New cards

Marginale opbrengst (MR)

de baten van het nastreven van een toename van een activiteit

17
New cards

Marginale kost (MC)

de (opportuniteits)kost van het nastreven van een toename van een activiteit

18
New cards

Beantwoorden aan stimuli (MR vs MC)

  • MR > MC: stimuli om meer van die activiteit uit te voeren

  • MR < MC: stimuli om minder van die activiteit uit te voeren

19
New cards

Hoe kan maatschappelijk belang bereikt of gediend worden als de mens zijn eigenbelang volgt?

Door de rol van instellingen (bv. overheid) te benadrukken die stimulerende maatregelen creëren om het maatschappelijk belang na te streven

(bv. de rechsstaat als instelling beschermt privébezit en stimuleert vrijwillige uitwisseling in markten van goederen en diensten die nut hebben

20
New cards

Economie = sociale wetenschap

  • observatie en metingen adhv parameters (bv. hoeveelheden grondstoffen, werkuren en lonen, prijzen en hoeveelheden van geproduceerde goederen en diensten…)

  • Bouwen van modellen

    • economisch model = beschrijving van sommige aspecten van de economische wereld —> enkel eigenschappen opnemen die belangrijk zijn voor de doelstellingen van het model

  • Testen van modellen

21
New cards

Ceteris paribus

terwijl al de rest gelijk blijft (werkhypothese)

(gebruiken als je oorzaak-gevolg relatie wil achterhalen: 1 variabele veranderen, de rest blijft gelijjk)

22
New cards

PPF = productiemogelijkhedenlijn

de grens tussen de combinatie van goederen en diensten die kunnen geproduceerd worden en deze die niet geproduceerd kunnen worden met beschikbare productiefactoren

—> inzoemen op 2 goederen en de rest van goederen is ceteris paribus

—> is concaaf: productiefactoren zijn niet even productief in alle mogelijke combinaties

  • geproduceerde hoeveelheid ↑ —> opportuniteitskost ↑

23
New cards

Productie-efficiëntie

indien er meer geproduceerd kan worden van 1 goed zonder minder te gaan produceren van een ander goed

Efficiënt = punten op de PPF

Inefficiënt = punt onder de curve —> goederen foutief toewijzen (niet toegewezen, fout toegewezen, verspild)

24
New cards

Marginale kost

de opportuniteitskost om 1 eenheid meer van dit goed of deze dienst te produceren

25
New cards

voorkeuren

geven een beschrijving van de wensen en afkeer van mensen

26
New cards

Marginale opbrengst

het ontvangen van voordeel bij de consumptie van 1 bijkomende eenheid hiervan

—> wordt bepaald aan de hand van wat een persoon wil betalen (of opgeven) om een bijkomende eenheid van een goed of dienst te verwerven

27
New cards

principe van dalende marginale opbrengst

hoe meer er beschikbaar is, hoe minder men bereid is te betalen voor een bijkomende eenheid

28
New cards

Productie-efficiëntie

MR = MC

Wanneer we niet meer kunnen produceren van een goed zonder een ander goed op te geven

—> punt op PPF

29
New cards

Toegewezen efficiëntie

Niet méér produceren van een goed zonder een ander goed dat we méér waarderen op te moeten geven

30
New cards

Economische groei

uitbreiding van productie

31
New cards

Welke 2 factoren beïnvloeden de economische groei

1) Technologische veranderingen/ verbeteringen: ontwikkeling van nieuwe goederen en betere productiemethoden voor goederen en diensten

2) Kapitaalaccumulatie: de groei van kapitaalmiddelen, inclusief het menselijk kapitaal

32
New cards

Vergelijkend/ comparatief voordeel

iemand kan de activiteit uitvoeren aan een lagere opportuniteitskost ivm gelijk wie anders.

33
New cards

Vergelijkend of comparatief voordeel: absoluut voordeel

vergelijking productiviteit

34
New cards

Vergelijkend/comparatief voordeel: comparatief voordeel

vergelijking van opportuniteitskost

35
New cards

type instellingen die keuzes van individuen coördineren

  • Bedrijven

  • Markten

  • Eigendomsrechten

  • Geld

36
New cards

Bedrijf

de economische eenheid die productiefactoren combineert om goederen en diensten te produceren en te verkopen

37
New cards

Markt

regeling die toelaat dat kopers en verkopers informatie verkrijgen en zaken kunnen doen met elkaar

38
New cards

Eigendomsrechten

sociale overeenkomsten die eigendoms- en gebruiksrecht en de beschikbaarheid van middelen, goederen en diensten regelen

39
New cards

Geld

grondstof of bewijs dat algemeen aanvaard wordt als betaalmiddel

40
New cards

circulaire stromen in de markteconomie

  • goederen, diensten en productiefactoren stromen in dezelfde richting

  • Geld stroomt in de tegenovergestelde richting

<ul><li><p>goederen, diensten en productiefactoren stromen in dezelfde richting</p></li><li><p>Geld stroomt in de tegenovergestelde richting</p></li></ul><p></p>
41
New cards

Hoe coördineren markten keuzes

prijzen passen zich aan < - > markten coördineren individuele beslissingen (van kopers en verkopers)

42
New cards

competitieve markt

markt met veel kopers en verkopers zodat geen enkele individuele koper of verkoper de prijs kan beïnvloeden

43
New cards

prijs van een goed

de hoeveelheid geld die nodig is om dit goed aan te schaffen

44
New cards

relatieve prijs van een goed

= de ratio van de geldelijke prijs van het goed en deze van het beste alternatief

= opportuniteitskost

45
New cards

Vraag

Als je iets vraagt, dan:

  • wil je het

  • kan je het je veroorloven

  • ben je van plan het te kopen

46
New cards

behoeften

ongelimiteerde verlangens of wensen van mensen naar bepaalde goederen en diensten

  • vraag = beslissing om aan een bepaalde behoefte, verlangen of wens te voldoen

47
New cards

gevraagde hoeveelheid

de hoeveelheid die gebruikers van plan zijn te kopen op een bepaalde plaats en in een bepaalde tijdspanne tegen een bepaalde prijs

48
New cards

Wet van de vraag

ceteris paribus, hoe hoger de prijs van een goed, hoe kleiner de gevraagde hoeveelheid (en omgekeerd)

49
New cards

Van welke 2 effecten is de wet van de vraag het gevolg?

  • Substitutie effect

  • Inkomenseffect

50
New cards

Substitutie effect

wanneer de prijs van een goed stijgt, stijgt zijn relatieve prijs (opportuniteitskost) en gaan mensen op zoek naar substituten voor dit goed

—> gevraagde hoeveelheid van goed/dienst zal dalen

51
New cards

Inkomenseffect

Wanneer de prijs van een goed/dienst stijgt tov het inkomen, kunnen mensen zich niet meer evenveel veroorloven

—> gevraagde hoeveelheid van het goed waarvan de prijs steeg, zal dalen

52
New cards

Betalingsbereidheid = WTP

maatstaf voor marginale opbrengst

53
New cards

Vraagverschuivers (hoe verschuift het)

  • Vraag ↑ : vraagcurve naar rechts

  • Vraag ↓: vraagcurve naar links

54
New cards

vraagverschuivers (factoren)

  1. Prijs van gerelateerde goederen

    1. substitutiegoed

    2. Complementair goed

  2. Verwachte toekomstige prijzen

  3. Verandering van het huidig inkomen

  4. Verwacht toekomstig inkomen

  5. Populatie

  6. Voorkeuren

55
New cards

substitutiegoed vs complementair goed

  • substitutiegoed: een goed dat kan gebruikt worden in de plaats van een ander goed (bv. koffie)

  • Complementair goed: een goed dat gebruikt wordt in combinatie met een ander goed (bv. stevia)

56
New cards

inkomen: normaal goed vs inferieur goed

  • normaal goed: inkomen ↑ —> vraag ↑ (bv. vliegtuigreis)

  • inferieur goed: inkomen ↑ —> vraag ↓ (bv. busreis)

57
New cards

beweging langsheen vraagcurve vs verschuiving vraagcurve

  • beweging langsheen vraagcurve = verandering gevraagde hoeveelheid

  • verschuiving van vraagcurve = verandering van de vraag

58
New cards

aanbod

als een bedrijf goederen of diensten aanbiedt, dan:

  • heeft het de middelen en technologie om deze te produceren

  • kan het winst halen uit die productie, en

  • plant het de productie en de verkoop

59
New cards

Aangeboden hoeveelheid

hoeveelheid die producenten van plan zijn te verkopen gedurende een bepaalde periode aan een welbepaalde prijs

60
New cards

Wet van het aanbod

ceteris paribus, hoe hoger de prijs van een goed, hoe groter de aangeboden hoeveelheid

—> marginale kost voor de productie van een goed stijgt naarmate de geproduceerde hoeveelheid stijgt

61
New cards

Marginale kost

de laagste prijs van de aanbodcurve

—> bij toename van hoeveelheid, stijgt deze

62
New cards

Aanbodverschuivers (factoren)

  1. Prijzen van productiefactoren

    1. stijging prijs —> daling aanbod —> verschuiving aanbodcurve naar links

  2. Prijzen van complementaire en substitutiegoederen

  3. Verwachte toekomstige prijzen (prijs ↑ —> aanbod ↓)

  4. Het aantal aanbieders (aanbieders ↑ —> aanbod ↑

  5. Technologie (nieuwe goederen —> aanbod ↑)

  6. Ecologische en omgevingsfactoren

63
New cards

substitutiegoed vs complementair goed in de productie

  • substitutiegoed in de productie: andere goederen die met dezelfde productiefactoren kunnen geproduceerd worden (bv. melk en melkpoeder)

  • Complementair goed in de productie: worden samen geproduceerd

—> prijs substitutiegoed daalt / prijs complementair goed stijgt —> aanbod goed stijgt en aanbodcurve verschuift naar rechts

64
New cards

Beweging langsheen aanbodcurve vs verschuiving aanbodcurve

  • beweging langsheen aanbodcurve: verandering aangeboden hoeveelheid

  • verschuiving aanbodcurve: verandering van het aanbod

65
New cards

Vraag (samenvatting)

  • geeft WTP weer

  • geeft betalingsmogelijkheden weer die consument heeft

  • Q ↓ —> P ↑

  • maatstaf voor marginale opbrengst = betalingsbereidheid

66
New cards

Aanbod (samenvatting)

  • geeft minimum-aanbod-prijs curve weer

  • geeft aan welke de laagste prijs waartegen een producent een bijkomende eenheid wil verkopen

  • laagste prijs = marginale kost

  • Q ↑ —> marginale kost ↑

67
New cards

Marktevenwicht

een situatie waarbij Vraag en Aanbod elkaar in balans houden

68
New cards

Evenwichtsprijs en evenwichthoeveelheid

  • Evenwichtprijs = prijs waarbij Qa = Qv

  • Evenwichthoeveelheid = hoeveelheid waarbij Pa = Pv

69
New cards

Aanpassing van prijzen tov evenwicht

  • prijzen onder evenwicht —> tekort —> prijsstijging

  • prijzen boven evenwicht —> overschot —> prijsdaling

70
New cards

Verandering van vraag

Vraag ↑ —> vraagcurve naar rechts —> tekort oorspronkelijke prijs

—> P ↑ + Q ↑

71
New cards

Verandering van aanbod

aanbod ↑ —> aanbodcurve naar rechts —> overschot aan de oorspronkelijke prijs

—> P ↓ + Q ↑

72
New cards
73
New cards
74
New cards
75
New cards
76
New cards
77
New cards
78
New cards
79
New cards
80
New cards
81
New cards
82
New cards
83
New cards
84
New cards