Alle stof DEF

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/201

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 8:00 PM on 6/23/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

202 Terms

1
New cards

Wat bestudeert politicologie?

Politiek gedrag, politieke processen en politieke instellingen; zowel elites als burgers en andere politieke actoren.

2
New cards

Waarom is politicologie empirisch?

Politicologen proberen te verklaren waarom politieke verschijnselen gebeuren, vaak via vergelijkende analyse tussen landen.

3
New cards

Wat is politiek volgens deze cursus?

Het proces waarin mensen onderhandelen en strijden om middelen en gezamenlijke of collectieve bindende beslissingen nemen en uitvoeren.

4
New cards

Wat betekent dat politieke beslissingen bindend zijn?

Dat ze effect hebben op de mensen voor wie ze bedoeld zijn en niet vrijblijvend zijn.

5
New cards

Waarom zijn regeringen belangrijk in politieke systemen?

Ze nemen collectieve beslissingen, leveren collectieve goederen en hebben meestal het monopolie op politie en leger.

6
New cards

Wat is macht?

Het vermogen om beoogde effecten teweeg te brengen of iemand iets te laten doen.

7
New cards

Wat is autoriteit?

Het erkende recht om macht uit te oefenen.

8
New cards

Wat is legitimiteit?

De mate waarin macht en autoriteit worden aanvaard door burgers en door andere overheden of gemeenschappen.

9
New cards

Wat is het verschil tussen macht en autoriteit?

Macht is kunnen beïnvloeden; autoriteit is het erkende recht om te beïnvloeden.

10
New cards

Wat zijn de drie dimensies van macht?

Besluitvorming, agendamacht/niet-besluitvorming en ideologische macht.

11
New cards

Wat is besluitvormingsmacht?

Macht over politieke uitkomsten: wie wint conflicten, verkiezingen of parlementaire debatten.

12
New cards

Wat is agendamacht of niet-besluitvorming?

Macht over welke onderwerpen, problemen of alternatieven wel of niet worden besproken.

13
New cards

Wat is ideologische macht?

Macht over de vorming van voorkeuren van burgers, bijvoorbeeld via media, propaganda of ideologie.

14
New cards

Waarom is ideologische macht vaak sterk?

Omdat voorkeuren worden gevormd zonder dat zichtbaar conflict ontstaat.

15
New cards

Wat is traditioneel gezag volgens Weber?

Gezag gebaseerd op traditie en erfopvolging, zoals bij monarchieën.

16
New cards

Wat is charismatisch gezag volgens Weber?

Gezag gebaseerd op de waargenomen bijzondere kwaliteiten van een leider.

17
New cards

Wat is juridisch-rationeel gezag volgens Weber?

Gezag gebaseerd op wetten, regels en procedures, niet op één persoon.

18
New cards

Wat is een politieke instelling?

Een formele of informele organisatie met regels en procedures die relatief stabiel en complex is.

19
New cards

Wat is governance?

Het proces van besturen; de nadruk ligt op besluitvorming en kwaliteit van bestuur, niet alleen op instellingen.

20
New cards

Wat zijn kenmerken van goed bestuur?

Transparantie, efficiëntie, verantwoordelijkheid en inclusiviteit.

21
New cards

Wat is een regime?

Het type politiek systeem, zoals democratie, hybride regime of autoritair regime.

22
New cards

Wat is het verschil tussen regime en politiek systeem?

Een regime is het type bestuursvorm; een politiek systeem omvat alle instellingen, actoren en interacties.

23
New cards

Wat is een democratie in de kern?

Een politiek systeem met spreiding van macht en gezag en invloed van burgers via vrije verkiezingen.

24
New cards

Wat is een autoritair regime in de kern?

Een systeem waarin macht en gezag sterk gecentraliseerd zijn bij één leider, partij, leger of elite.

25
New cards

Wat was de eerste democratiseringsgolf?

De uitbreiding van kiesrecht en representatieve instellingen in de 19e en vroege 20e eeuw, ongeveer 1828-1926.

26
New cards

Wat was de tweede democratiseringsgolf?

Democratisering rond en na de Tweede Wereldoorlog, onder andere door geallieerde bezetting en dekolonisatie.

27
New cards

Wat was de derde democratiseringsgolf?

Democratisering vanaf 1974 tot 1991, onder andere door het einde van dictaturen en de val van het communisme.

28
New cards

Wat betekent democratische regressie?

Terugval in het aantal of de kwaliteit van democratieën, bijvoorbeeld door afnemende vrijheden of sterkere elites.

29
New cards

Wat is directe democratie?

Een systeem waarin burgers zelf direct deelnemen aan collectieve besluitvorming.

30
New cards

Wat is representatieve democratie?

Een systeem waarin burgers vertegenwoordigers kiezen die namens hen besluiten nemen.

31
New cards

Waarom is representatieve democratie geen kwaliteitscriterium op zichzelf?

Een land kan vertegenwoordigers kiezen, maar alsnog zwakke rechten, media, oppositie of checks-and-balances hebben.

32
New cards

Wat is de electorale dimensie van democratische kwaliteit?

Vrije, eerlijke en competitieve verkiezingen zonder grote onregelmatigheden.

33
New cards

Wat is de participatieve dimensie van democratische kwaliteit?

De mate waarin burgers kunnen deelnemen aan politiek en waarin pluralisme en publieke sfeer open zijn.

34
New cards

Wat is de liberale dimensie van democratische kwaliteit?

Bescherming van individuele rechten en burgerlijke vrijheden tegen staatsmacht.

35
New cards

Wat is een volledige democratie? 7x

Een democratie met vrije verkiezingen, sterke instituties, checks-and-balances, rechten, vrije media, oppositie en weinig corruptie.

36
New cards

Wat is een gebrekkige democratie?

Een grotendeels democratisch regime met zwakke punten in bestuur, rechten, participatie, media, oppositie of politieke cultuur.

37
New cards

Wat is een illiberale democratie?

Een systeem met formele verkiezingen en democratische instellingen, maar met beperkte burgerlijke vrijheden en een verzwakte rechtsstaat.

38
New cards

Wat is liberaal constitutionalisme?

De bescherming van individuele rechten, burgerlijke vrijheden en rechtsstatelijke grenzen aan politieke macht.

39
New cards

Wat laat de matrix democratie en constitutionalisme zien?

Hoge democratie plus hoog constitutionalisme geeft liberale democratie; lage democratie en laag constitutionalisme geeft autoritair of hybride regime.

40
New cards

Wat is een hybride regime?

Een regime met ernstige democratische tekortkomingen, zoals oneerlijke verkiezingen en mediacontrole, maar vaak nog enige oppositie.

41
New cards

Wat is een autoritair regime?

Een regime waarin basisvoorwaarden voor democratie ontbreken en verkiezingen meestal geen echte regeringswisseling mogelijk maken.

42
New cards

Wat is totalitarisme?

De extreemste vorm van autoritarisme, met controle over publiek en privéleven.

43
New cards

Welke vormen van autoritarisme worden genoemd?

Absolute monarchie, presidentiële monarchie, regerende partij en militair bewind.

44
New cards

Wat is een politieke typologie?

Een manier om staten of regimes te classificeren op basis van kenmerken om landen te vergelijken.

45
New cards

Waarom zijn regime-typologieën nooit perfect?

Politiek is complex en classificaties kunnen subjectief zijn of stereotypen versterken.

46
New cards

Wat is Dahl’s polyarchie?

Een realistische democratie waarin velen regeren via verkiezingen, rechten en informatie, maar zonder volledig gelijke invloed voor iedereen.

47
New cards

Wat is de rechtsstaat?

Een systeem waarin duidelijke, stabiele en rechtvaardige wetten voor iedereen gelden, ook voor machthebbers.

48
New cards

Wat zijn burgerlijke vrijheden?

Vrijheden die burgers beschermen tegen overheidsmacht, zoals meningsuiting, organisatie en persvrijheid.

49
New cards

Wat zijn burgerrechten?

Rechten van burgers in relatie tot overheid en medeburgers.

50
New cards

Wat is structureel geweld?

Verborgen onderdrukking in sociale systemen, zoals extreme armoede of patriarchale ongelijkheid.

51
New cards

Wat zijn vier controlemechanismen van autoritaire leiders?

Dwang, patronage, het leger en controle over de media.

52
New cards

Wat is patronage?

Steun, privileges of kansen geven in ruil voor politieke loyaliteit.

53
New cards

Wat bedoelen Levitsky & Way met competitief autoritarisme?

Een systeem met verkiezingen en legale oppositie, maar waarin machthebbers het speelveld systematisch in hun voordeel kantelen.

54
New cards

Wat is de weaponized state volgens Levitsky & Way?

Een staat waarin overheidsinstellingen politiek worden ingezet om tegenstanders te verzwakken, bondgenoten te belonen en loyalisten te beschermen.

55
New cards

Waarom is competitief autoritarisme gevaarlijk?

Verkiezingen blijven bestaan, maar oppositie wordt stap voor stap duurder, riskanter en minder effectief gemaakt.

56
New cards

Wat is politieke cultuur? 5x

Het geheel van waarden, tradities, overtuigingen, normen en verwachtingen over politiek en bestuur.

57
New cards

Waarom is politieke cultuur moeilijk te meten?

Voorkeuren zijn zichtbaar, maar onderliggende waarden en normen zijn minder direct meetbaar.

58
New cards

Wat is een parochiale politieke cultuur?

Burgers hebben weinig besef van het politieke systeem en richten zich vooral op gezin, religie of lokale gemeenschap.

59
New cards

Wat is een onderwerpcultuur of subject culture?

Burgers erkennen de overheid, maar zien zichzelf vooral als onderdanen zonder veel invloed.

60
New cards

Wat is een participatieve politieke cultuur?

Burgers zien zichzelf als actieve deelnemers die politieke uitkomsten kunnen beïnvloeden.

61
New cards

Wat is een burgercultuur volgens Almond & Verba?

Een gemengde cultuur waarin burgers participatie belangrijk vinden, maar ook gezag accepteren; gunstig voor stabiele democratie.

62
New cards

Wat is kritiek op Almond & Verba?

Ze leggen veel nadruk op participatie, verklaren niet goed hoe participatieve cultuur ontstaat en hebben een Anglo-Amerikaanse bias.

63
New cards

Wat is postmaterialisme volgens Inglehart? 4x

Een verschuiving van economische zekerheid naar waarden als zelfexpressie, levenskwaliteit, milieu en vrijheid.

64
New cards

Hoe verklaart schaarste postmaterialisme?

Als basisbehoeften schaars zijn, geven mensen prioriteit aan materialistische waarden zoals veiligheid en economie.

65
New cards

Hoe verklaart socialisatie postmaterialisme?

Waarden ontstaan sterk in de jeugd; opgroeien in welvaart en veiligheid vergroot de kans op postmaterialistische waarden.

66
New cards

Wat is politiek vertrouwen?

De overtuiging dat politici en instellingen competent, betrokken, verantwoordelijk en betrouwbaar handelen in het belang van burgers.

67
New cards

Welke vier dimensies van vertrouwen noemt Van der Meer?

Competentie, intrinsieke betrokkenheid of care, accountability en betrouwbaarheid.

68
New cards

Wat is het effect van corruptie op politiek vertrouwen?

Corruptie verlaagt vertrouwen, omdat het alle vier de vertrouwensdimensies ondermijnt.

69
New cards

Waarom kan proportionele vertegenwoordiging vertrouwen vergroten?

Stemmen worden eerlijker vertaald naar zetels, waardoor burgers zich beter vertegenwoordigd voelen.

70
New cards

Wat vinden Bauer & Fatke over beschikbaarheid van directe democratie?

Beschikbare directe democratische rechten kunnen vertrouwen vergroten doordat burgers meer controle ervaren.

71
New cards

Wat vinden Bauer & Fatke over het gebruik van directe democratie?

Frequent gebruik van referenda of initiatieven kan wantrouwen signaleren of versterken.

72
New cards

Wat is politieke communicatie?

Het produceren, verspreiden en beïnvloeden van politieke informatie tussen politici, media en burgers.

73
New cards

Waarom is politieke communicatie belangrijk voor democratie?

Politici moeten burgers bereiken en burgers moeten weten wat politici doen en waar zij voor staan.

74
New cards

Welke media-ontwikkeling vond plaats van krant naar radio naar tv naar sociale media?

Krant maakte massabereik mogelijk; radio maakte stem belangrijk; tv maakte uiterlijk en lichaamstaal belangrijk; sociale media maken directe interactie mogelijk.

75
New cards

Wat is commercialisering van politieke communicatie?

Politici moeten concurreren om aandacht, zendtijd en zichtbaarheid.

76
New cards

Wat is fragmentatie van de media?

Er zijn steeds meer kanalen en programma’s, waardoor publiek en aandacht versplinteren.

77
New cards

Wat is globalisering van media?

Meer internationale informatie en minder volledige staatscontrole over informatie.

78
New cards

Wat is interactie in moderne politieke communicatie?

Burgers en politici kunnen directer met elkaar communiceren, vooral via sociale media.

79
New cards

Wat is het versterkingseffect van media?

Media versterken bestaande overtuigingen doordat mensen informatie zoeken die past bij hun opvattingen.

80
New cards

Wat is cognitieve dissonantie in mediagebruik?

Mensen vermijden of herinterpreteren informatie die botst met hun bestaande overtuigingen.

81
New cards

Wat is agenda-setting?

Media beïnvloeden waarover mensen praten en nadenken door bepaalde onderwerpen aandacht te geven.

82
New cards

Wat is framing?

Media beïnvloeden hoe mensen een kwestie begrijpen door bepaalde aspecten te benadrukken.

83
New cards

Wat is priming?

Media beïnvloeden welke criteria mensen gebruiken om politieke gebeurtenissen of leiders te beoordelen.

84
New cards

Welke drie realiteiten creëren media volgens de literatuur?

Objectieve realiteit, subjectieve realiteit en geconstrueerde mediarealiteit.

85
New cards

Wat is de watchdogfunctie van media?

Media controleren machthebbers en houden regering en bestuur publiekelijk verantwoordelijk.

86
New cards

Wat is mediaconcentratie?

Mediabezit komt in handen van een kleiner aantal grote bedrijven, wat pluralisme en onafhankelijkheid kan beperken.

87
New cards

Wat is netneutraliteit?

Internetproviders behandelen al het internetverkeer gelijk, zonder onderscheid naar inhoud, gebruiker of bron.

88
New cards

Wat is een echokamer?

Een gesloten informatiesysteem waarin mensen vooral informatie zien die hun bestaande opvattingen bevestigt.

89
New cards

Wat is computational propaganda?

Het gebruik van bots, algoritmes en geautomatiseerde berichten om politieke informatie en meningen te manipuleren.

90
New cards

Wat is de post-truth wereld?

Een situatie waarin feiten minder invloed hebben dan emotie, identiteit, algoritmes, nepnieuws en herhaalde overtuigingen.

91
New cards

Wat vond Kruikemeier over Twittergebruik door kandidaten?

Twittergebruik hangt samen met meer voorkeurstemmen, vooral bij interactieve communicatie via mentions.

92
New cards

Waarom kan interactieve sociale media steun opleveren?

Interactie vergroot sociale aanwezigheid en het gevoel van nabijheid tussen kandidaat en kiezer.

93
New cards

Wat vond Kruikemeier over personalisering op Twitter?

Sterke personalisering had geen significant effect op voorkeurstemmen en kan minder professioneel overkomen.

94
New cards

Wat is populisme?

Een dunne ideologie die het zuivere volk tegenover de corrupte elite plaatst en volkssoevereiniteit benadrukt.

95
New cards

Waarom lijkt Twitter geschikt voor populisten?

Het maakt directe, ongefilterde anti-elitecommunicatie met het volk mogelijk.

96
New cards

Wat vonden Jacobs & Spierings over populisten op Twitter?

Populisten adopteerden Twitter minder snel, reageerden minder, volgden minder accounts en vormden sneller echokamers.

97
New cards

Wat is een politieke breuklijn of cleavage?

Een duurzame sociaal-politieke scheiding tussen groepen die politiek georganiseerd en bewust wordt.

98
New cards

Welke drie elementen heeft een cleavage nodig?

Een sociale scheidslijn, collectieve identiteit en organisaties die groepsvoorkeuren uitdrukken.

99
New cards

Wat is de centrum-periferiebreuklijn?

Conflict tussen een dominant nationaal centrum dat standaardiseert en perifere groepen die autonomie, taal of cultuur willen behouden.

100
New cards

Wat is de kerk-staatbreuklijn?

Conflict over wie moreel en maatschappelijk gezag heeft, vooral rond onderwijs, normen en secularisatie.