1/77
Deze flashcards bevatten de woordenschat uit hoofdstuk 7 van het oefenboek met thema's zoals sociale media, levensstijl, mode en sociale problemen.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
account (de/het)
le compte
al
déjà
appartement (het)
l’appartement
begrijpen (begreep, begrepen)
comprendre
bekennen
reconnaitre
beseffen
se rendre compte de, réaliser
besluiten (besloot, besloten)
decider
besteden aan
consacrer à
bezoeken (bezocht, bezocht)
visiter
blijken (bleek, gebleken)
sembler, paraitre
daarom
c’est pourquoi
dragen (droeg, gedragen)
porter
drang naar
la propension à
dringend
en urgence
duur
cher
elegant
élégant
enorm veel
énormément beaucoup
eten (het)
la nourriture
eten (at, gegeten)
manger
extravagant
extravaguant
foto (de)
la photo
gaan (ging, gegaan)
aller
genieten van (genoot, genoten)
profiter de
gerecht (het)
la justice
handtas (de)
le sac à main
heel wat
bon nombre de
hip
à la mode
iets
quelque chose
indruk maken
faire impression
investeren
investir
jong – de jonge vrouw
jeune – la jeune dame
genoot (de) – kamergenoot
le compagnon – le camarade de chambre
klein
petit
kleren (de)
les vêtements
kopen (kocht, gekocht)
acheter
laatste
dernier
langer
plus longtemps
levensstijl (de)
le mode de vie
lijken (leek, geleken)
paraitre, sembler
locatie (de)
l’endroit
maandelijks
mensuel, chaque mois
meer dan
plus de
merk (het)
la marque
minder
moins
misschien
peut-être
mode (de)
la mode
nieuw
nouveau
nog maar
juste seulement
om – om de vier weken
toutes les six semaines
ongeveer
environ
opmerkelijk
remarquable
oud – 26 jaar oud
vieux, âgé – âgé de 26 ans
overleven
survivre
perfect
parfait
perfectie (de)
la perfection
plaats (de)
l’endroit
rooskleurig
brillant
salaris (het)
le salaire
schuld (de)
la dette
slechts
seulement
snel
vite
stand (de) – boven zijn stand leven
la condition, la situation – vivre au-dessus de ses moyens
toen
alors, à ce moment
tonen
montrer
trekken (trok, getrokken) – foto’s trekken
tirer – faire des photos
veranderen
changer
verhaal (het)
l’story
verhuizen
déménager
vliegticket (het)
le ticket d’avion
vol staan met (stond, gestaan)
être rempli de
volger (de)
le follower
voor
avant que
week (de) – per week
la semaine – par semaine
zeggen (zei, gezegd)
dire
zo
comme cela
zoals
tel que
zorgen voor
donner lieu à, entrainer
zwijgen (zweeg, gezwegen)
se taire