1/590
Deze set van 500 vocabulary flashcards dekt alle aspecten van de cursus geschiedenis: van de prehistorie tot de 21e eeuw, inclusief economische, sociale en culturele begrippen, belangrijke historische figuren en de werking van de Belgische en Europese instellingen.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Prehistorie
Periode van ca. 3 miljoen v.C. tot 3500 v.C., gekenmerkt door afwezigheid van het schrift.
Neolithische revolutie
De overgang van jager-verzamelaars naar een sedentair bestaan door landbouw en veeteelt (ca. 10.000 v.C.).
Sedentair
Op een vaste woonplaats verblijven, in tegenstelling tot een nomadisch bestaan.
Vruchtbare Sikkel
Gebied in het Midden-Oosten waar de landbouw voor het eerst ontstond.
Oude Nabije Oosten
Tijdvak van 3500 v.C. tot 800 v.C., gekenmerkt door het ontstaan van het schrift en de eerste steden.
Spijkerschrift
Een van de oudste vormen van schrift, ontwikkeld in Mesopotamië.
Mesopotamië
Het gebied tussen de Eufraat en de Tigris (huidig Irak), bakermat van vroege beschavingen.
Klassieke Oudheid
Tijdvak van 800 v.C. tot 476 n.C., gedomineerd door de Griekse en Romeinse cultuur.
Democratie
Bestuursvorm waarbij het volk inspraak heeft, ontstaan in het oude Athene.
476 n.C.
Het jaar van de val van het West-Romeinse Rijk, einde van de Klassieke Oudheid.
Middeleeuwen
Tijdvak van 476 tot 1453, gekenmerkt door feodalisme en de grote macht van de Kerk.
Feodalisme
Maatschappelijke organisatie gebaseerd op de relatie tussen leenheren en leenmannen.
1453
De val van Constantinopel en het Oost-Romeinse Rijk; start van de Vroegmoderne tijd.
Vroegmoderne tijd
Tijdvak van 1453 tot 1789, gekenmerkt door ontdekkingsreizen, de Reformatie en de boekdrukkunst.
1789
Begin van de Franse Revolutie; start van de Moderne tijd.
Moderne tijd
Tijdvak van 1789 tot 1945, gekenmerkt door de industriële revolutie en wereldoorlogen.
Hedendaagse tijd
Tijdvak van 1945 tot heden, gekenmerkt door de Koude Oorlog en de digitale revolutie.
Continuïteit
Iets dat over een langere periode hetzelfde blijft in de geschiedenis.
Breuk
Een abrupte en opvallende verandering in de geschiedenis.
Evolutie
Een geleidelijke verandering over een langere tijd.
Revolutie
Een plotselinge en ingrijpende verandering op politiek, economisch of sociaal vlak.
Gelijktijdigheid
Gebeurtenissen die op hetzelfde moment plaatsvinden, maar op andere locaties.
Ongelijktijdigheid
Ontwikkelingen die niet overal op hetzelfde moment plaatsvinden (bijv. industrialisatie).
Centrum-periferiemodel
Model dat de relatie tussen machtige, ontwikkelde gebieden en afhankelijke wingebieden beschrijft.
Antropocentrisme
Wereldbeeld waarbij de mens centraal staat (typisch voor de Renaissance).
Etnocentrisme
De neiging om de eigen cultuur als superieur te beschouwen en als maatstaf te gebruiken.
Politiek domein
Maatschappelijk domein dat gaat over regels, wetten, bestuur en macht.
Economisch domein
Maatschappelijk domein dat gaat over levensonderhoud, handel, geld en industrie.
Sociaal domein
Maatschappelijk domein dat gaat over verhoudingen tussen groepen mensen en standen.
Cultureel domein
Maatschappelijk domein dat gaat over geloof, kunst, wetenschap en gewoontes.
Indirecte oorzaak
Dieperliggende factor die op lange termijn een gebeurtenis voorbereidt.
Aanleiding
Directe oorzaak op korte termijn die een gebeurtenis doet losbarsten.
Scharnierpunt
Moment in de geschiedenis waarop de samenleving fundamenteel verandert op meerdere domeinen.
Periodisering
Het opdelen van het verleden in overzichtelijke tijdvakken.
Imperialisme
Politiek waarbij landen hun macht uitbreiden door andere gebieden te veroveren.
Dekolonisatie
Het proces waarbij kolonies onafhankelijk worden van hun moederland.
Totalitaire staat
Een staat waarin de overheid totale controle heeft over het leven van de burgers.
Rechtsstaat
Een staat waarin de wet voor iedereen geldt en burgerrechten beschermd zijn.
Supranationaal
Boven de nationale staat staand; instellingen die macht hebben over lidstaten.
Gelaagde samenleving
Samenleving ingedeeld in sociale klassen of standen met ongelijke rechten.
Proletariaat
Klasse van bezitloze arbeiders die afhankelijk zijn van hun loon.
Bourgeoisie
De rijke gegoede burgerij of bezittende klasse.
Congres van Wenen
Conferentie in 1815 om Europa na Napoleon te herstellen en machtsevenwicht te creëren.
Restauratie
Het herstellen van de oude orde (het Ancien Régime) na een periode van revolutie.
Bufferstaat
Een land dat tussen twee grootmachten ligt om conflicten te vermijden.
Grote Alliantie
Samenwerking tussen Groot-Brittannië, Rusland, Pruisen en Oostenrijk na 1815.
Splendid isolation
Britse politiek van afzijdigheid van het Europese vasteland.
Liberalisme
Ideologie die streeft naar individuele vrijheid, grondrechten en vrije markt.
Nationalisme
Ideologie waarbij het eigen volk en de eigen natie centraal staan.
Cijnskiesrecht
Kiesrecht waarbij enkel mannen die voldoende belastingen betalen mogen stemmen.
Belgische Revolutie
De opstand in 1830 die leidde tot de onafhankelijkheid van België van Nederland.
Monsterverbond
Samenwerking (unionisme) tussen katholieken en liberalen tegen Willem I.
21 juli 1831
Datum waarop Leopold I de eed aflegde als eerste koning der Belgen.
Constitutionele monarchie
Koningschap waarbij de macht van de vorst begrensd wordt door een grondwet.
Industriële Revolutie
Overgang van handmatige productie naar machinale productie in fabrieken.
Stoommachine
Nieuwe energiebron in de 18e eeuw die de industrialisatie mogelijk maakte.
Urbanisatie
De trek van het platteland naar de stad (verstedelijking).
Laissez-faire
Economisch principe van de vrije markt zonder staatsinmenging.
Eerste Industriële Revolutie
Fase gericht op textiel, steenkool en ijzer (ca. 1750-1850).
Tweede Industriële Revolutie
Fase gericht op elektriciteit, staal en chemie (ca. 1870-1910).
Marxisme
Economische en politieke leer van Karl Marx die streeft naar een klasseloze maatschappij.
Klassenstrijd
De voortdurende strijd tussen de bezittende klasse en de werkende klasse.
Socialisme
Politieke stroming die streeft naar sociale rechtvaardigheid via democratische hervormingen.
BWP
Belgische Werkliedenpartij, opgericht in 1885.
Rerum Novarum
Pauselijke encycliek uit 1891 die de basis legde voor de christendemocratie.
Christendemocratie
Politieke stroming die christelijke waarden koppelt aan sociale hervormingen.
Adolf Daens
Priester uit Aalst die streed voor de rechten van de Vlaamse arbeiders.
Vakbond
Organisatie die opkomt voor de belangen van werknemers.
Coöperatie
Vereniging waarbij leden samen eigenaar zijn en winsten delen.
Mutualiteit
Ziekenfonds dat leden helpt bij ziekte of ongeval.
Modern Imperialisme
De wedloop om kolonies in Afrika en Azië tussen 1870 en 1914.
Conferentie van Berlijn
Vergadering in 1884-1885 waarbij Afrika werd verdeeld onder Europese machten.
Congo-Vrijstaat
Het persoonlijke privé-eigendom van Leopold II (1885-1908).
Rubberregime
Gewelddadig systeem van dwangarbeid in Congo gericht op rubberwinning.
Eerste Wereldoorlog
Mondiaal conflict tussen de Centralen en de Geallieerden (1914-1918).
Militarisme
Verheerlijking van het leger en militaire macht.
Triple Entente
Bondgenootschap tussen Frankrijk, Groot-Brittannië en Rusland.
Triple Alliantie
Bondgenootschap tussen Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Italië.
Sarajevo, 1914
Locatie van de moord op Franz Ferdinand, de aanleiding voor WOI.
Von Schlieffenplan
Duits oorlogsplan om Frankrijk via België snel uit te schakelen.
Stellingenoorlog
Oorlogsvoering vanuit statische loopgraven (kenmerkend voor WOI).
Inundatie
Het opzettelijk onder water zetten van land (zoals de IJzervlakte in 1914).
Vrede van Brest-Litovsk
Vrede tussen Duitsland en Rusland (1918), einde van het Oostfront.
11 november 1918
Wapenstilstand die een einde maakte aan de gevechten van WOI.
Verdrag van Versailles
Vredesverdrag na WOI dat Duitsland zwaar strafte.
Volkenbond
Internationale organisatie opgericht na WOI om vrede te bewaren (mislukt).
Stalinisme
Totalitaire beleid van Stalin in de Sovjet-Unie (terreur, vijfjarenplannen).
Collectivisatie
Het samenvoegen van kleine privéboerderijen tot grote staatsbedrijven.
Holodomor
Door de staat veroorzaakte hongersnood in Oekraïne (1932-1933).
Goelag
Systeem van Russische strafkampen voor politieke tegenstanders.
Fascisme
Antidemocratische, nationalistische ideologie van Mussolini.
Nazisme
Nationaalsocialisme; de racistische en antisemitische ideologie van Hitler.
Appeasementpolitiek
Politiek van toegevingen aan Hitler om oorlog te vermijden.
Blitzkrieg
Snelle bewegingsoorlog met tanks en vliegtuigen (typisch voor WOII).
Holocaust
De systematische genocide op de Joden door de Nazi's (Shoah).
Verenigde Naties
Mondiale organisatie opgericht in 1945 voor vrede en veiligheid.
Veiligheidsraad
VN-orgaan met 5 vaste leden met vetorecht, belast met wereldvrede.
Koude Oorlog
Gewapende vrede tussen de VS (kapitalisme) en de Sovjet-Unie (communisme).
NAVO
Westers militair bondgenootschap (1949).
Warschaupact
Communistisch militair bondgenootschap (1955).