1/54
Deze flashcards behandelen de anatomie en fysiologie van het zenuwstelsel, het hormonale stelsel, spierwerking en de biologische processen bij planten op basis van de collegedictaten.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Celkern
Het midden van de cel.
Celmembraan
De laag rond de cel die deze beschermt.
Cytoplasma
Het gelachtige volume van de cel.
Prikkel
Een signaal of verandering die wordt opgevangen door de receptoren.
Informatieoverdracht
Het versturen van signalen via het zenuwstelsel.
Verwerkingscentra
Gespecialiseerde delen van de hersenen die informatie onderzoeken en beoordelen.
Coördinatie
Het proces waarbij de verwerkingscentra de werking van de effectoren op elkaar afstemmen.
Conductor
Een geleider, zoals het zenuwstelsel, die informatie transporteert naar de effectoren.
Neuronen
Zenuwcellen die zorgen voor de informatieoverdracht.
Cellichaam
Deel van het neuron dat de celkern en celorganellen bevat.
Dendrieten
Deel van het neuron dat prikkels van andere zenuwcellen ontvangt en informatie naar het cellichaam brengt.
Axon
Deel van het neuron dat informatie van het cellichaam doorstuurt naar andere cellen.
Eindknopjes
De uiteinden van een axon die blaasjes bevatten met stoffen om signalen over te brengen.
Myelineschede
Vette substantie opgebouwd uit cellen van Schwann die een isolerende laag vormt rond het axon.
Knoop van Ranvier
Plaats tussen myelinescheden waar sprongsgewijze geleiding plaatsvindt.
Zenuw
Een structuur opgebouwd uit meerdere neuronen, zenuwbundels (axonen), bindweefselschede en een bindweefselmantel.
Impulsgeleiding
Het doorgeven van informatie binnen een neuron via een elektrisch signaal.
Impulsoverdracht
Het doorgeven van informatie van het ene neuron naar de volgende cel via een chemisch signaal.
Rustpotentiaal
De elektrische spanning van â70mV in een neuron wanneer er geen impuls is.
Depolarisatie
De fase waarin de membraaneigenschappen veranderen en positief geladen ionen naar de buitenzijde van het axon verplaatsen.
Drempelpotentiaal
De waarde die de depolarisatie moet bereiken om een actiepotentiaal te veroorzaken.
Actiepotentiaal
Een plaatselijke ladingsverandering van korte duur die fungeert als een alles-of-niets gebeurtenis.
Repolarisatie
De fase waarin de oorspronkelijke ladingsverandering zich herstelt naar +70mV, ook wel de herstelfase genoemd.
Synaps
De opening tussen de eindknopjes van een axon en de dendrieten van een volgende cel.
Neurotransmitters
Stoffen die een impuls van de ene neuron overbrengen naar de volgende cel.
Synaptische spleet
De zeer smalle ruimte van ongeveer 20nm tussen een neuron en de volgende cel.
Degranulatie
Het openbarsten van synaptische blaasjes waardoor neurotransmitters vrijkomen in de synaptische spleet.
Centraal zenuwstelsel (CZS)
Het stelsel bestaande uit de hersenen en het ruggenmerg.
Perifeer zenuwstelsel (PZS)
Het stelsel bestaande uit hersenzenuwen, ruggenmergzenuwen en grensstrengen.
Sensorische neuronen
Neuronen die impulsen geleiden van de receptor naar het CZS.
Motorische neuronen
Neuronen die impulsen geleiden van het CZS naar de effectoren.
Schakelneuronen
Cellen die doorheen het CZS in beide richtingen liggen en impulsen doorgeven aan andere schakel- of motorische neuronen.
Hormonen
Chemische signaalstoffen die via de bloedbaan elke plaats in het lichaam bereiken om effectoren aan te sturen.
Endocriene secretieklier
Een klier die hormonen aanmaakt en deze rechtstreeks in het bloed vrijstelt via haarvaten.
Exocriene klier
Een klier waarbij het product uitwendig wordt afgegeven, vaak via een afvoerbuis, voor excretie of specifieke verteringstaken.
Sleutel-slot principe
Het principe waarbij een hormoon alleen kan binden aan een doelwitcel als de moleculestructuur precies op de receptor past.
Eilandjes van Langerhans
Hormoonproducerende cellen in de alvleesklier die glucagon en insuline produceren.
Insuline
Hormoon geproduceerd door ÎČ-cellen dat het glucosegehalte in het bloed doet dalen.
Glucagon
Hormoon geproduceerd door \text{\alpha}-cellen dat het glucosegehalte in het bloed doet stijgen.
Homeostase
De toestand van evenwicht in het lichaam, zoals een stabiele bloedsuikerspiegel.
TSH
Schildklierstimulerend hormoon geproduceerd door de hypofyse.
Skeletspieren
Dwarsgestreepte spieren die we bewust kunnen opspannen en die snel vermoeid raken.
Gladde spieren
Onbewust aangestuurde spieren in de organen die trager werken en onvermoeibaar zijn.
Hartspier
Spierweefsel met kenmerken van zowel gladde als dwarsgestreepte spieren, dat krachtig en onvermoeibaar samentrekt.
Actine
Dunne eiwitdraden in spierfibrillen die over myosine schuiven tijdens samentrekking.
Myosine
Dikke eiwitdraden in spierfibrillen.
Motorische eenheid
Alle spiervezels die onder controle staan van één motorisch neuron en tegelijk samentrekken.
Antagonisten
Spieren die een tegengestelde werking hebben en tegengestelde bewegingen uitvoeren.
Sinusknoop
Deeltje in het hart dat een elektrisch signaal geeft om het hart te laten samentrekken.
Fotoreceptoren
Receptoren in planten die gevoelig zijn voor lichtprikkels.
Tropie
Een beweging van een plant naar een uitwendige prikkel toe (positief) of ervan weg (negatief).
Auxine
Een plantenhormoon dat onder andere de lengtegroei van de stengel stimuleert.
Xyleem
Houtvaten in planten die verantwoordelijk zijn voor het opwaartse transport van water.
Floëem
Zeefvaten in planten die zorgen voor het transport van assimilaten, zowel opwaarts als neerwaarts.
Huidmondjes
Openingen in het blad om gassen uit te wisselen met de omgeving.