1/78
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Frame
één stilstaand beeld waaruit een film is opgebouwd.
Shot
één ononderbroken filmopname van het starten tot het stoppen van de camera.
Sequentie
een reeks shots die samen één actie of deel van het verhaal vormen.
Ooghoogte
de camera staat op dezelfde hoogte als het personage en geeft een neutrale indruk.
Vogelperspectief
de camera filmt van boven waardoor het personage klein of zwak lijkt.
Kikkerperspectief
de camera filmt van onder waardoor het personage groot of machtig lijkt.
Pan (pano)
de camera draait horizontaal van links naar rechts terwijl ze op dezelfde plaats blijft.
Tilt
de camera beweegt verticaal van boven naar beneden of omgekeerd.
Voorwaartse travel
de camera beweegt naar voren en komt dichter bij het onderwerp.
Achterwaartse travel
de camera beweegt achteruit en vergroot de afstand tot het onderwerp.
Zijwaartse travel
de camera beweegt naast het onderwerp en volgt het in beweging.
Verticale travel
de camera beweegt omhoog of omlaag tijdens het shot.
Handheld
de camera wordt met de hand vastgehouden en geeft een schokkerig en realistisch beeld.
Extreme long shot
toont vooral het landschap of decor en situeert de plaats van de actie.
Distant shot
het onderwerp staat extreem ver van de camera.
Long shot
het personage is volledig zichtbaar samen met de omgeving.
Medium long shot
het personage wordt afgesneden boven de knieën.
Medium shot
het personage wordt getoond vanaf het middel en betrekt de kijker bij de actie.
Borstshot
het gezicht en de schouders staan centraal zodat emoties zichtbaar zijn.
Close-up
toont een detail meestal het gezicht om emotie te benadrukken.
Detailshot
toont een zeer klein detail van een object of lichaam.
Zoom
een optische in- of uitzoom zonder camerabeweging die het beeld vervormt.
Dolly zoom
een combinatie van camerabeweging en zoom die het perspectief vervormt.
Objectieve cameravoering
de camera observeert vanop afstand zonder het standpunt van een personage te volgen.
Subjectieve cameravoering
de camera toont de beleving en gevoelens van een personage.
Point of view-perspectief
de camera laat exact zien wat een personage ziet.
Alwetende verteller
de camera weet meer dan de personages en stuurt de kijker in het verhaal.
Deep focus
alles in het beeld staat scherp zodat de kijker zelf kiest waar hij kijkt.
Shallow focus
slechts één deel van het beeld is scherp om de aandacht te sturen.
Soft focus
het beeld is licht wazig en geeft een zachte of romantische sfeer.
Rack focus
de scherpte verschuift tijdens het shot van het ene element naar het andere.
Out of focus
het volledige beeld is onscherp en toont verwarring of bewustzijnsverlies.
Kleurgebruik
kleur of zwart-wit wordt bewust ingezet om sfeer emotie of betekenis te versterken.
Meelicht
licht dat van voren komt en weinig schaduwen geeft.
Tegenlicht
licht dat van achter komt en het onderwerp donkerder maakt.
Zijlicht
licht dat van opzij komt en schaduwen benadrukt.
Voetlicht
licht dat van onderaf komt en een vreemd of dramatisch effect geeft.
Strijklicht
licht dat bijna evenwijdig langs een oppervlak schijnt.
Doorvallend licht
licht dat door een opening naar binnen schijnt.
Direct licht
licht dat rechtstreeks op het onderwerp valt.
Indirect licht
licht dat via reflectie op het onderwerp valt.
Glimlicht of ooglicht
teruggekaatst licht dat een glanzend effect geeft.
Spotlight
één gerichte lichtbundel die alle aandacht op één punt vestigt.
Natuurlijk licht
licht afkomstig van de zon of maan.
Kunstmatig licht
licht dat door mensen is gemaakt.
Beschikbaar licht
licht dat al aanwezig is op de filmlocatie.
Hard licht
fel licht met sterke contrasten en duidelijke schaduwen.
Zacht of diffuus licht
gelijkmatig licht met weinig schaduwen.
Montage
het samenvoegen van shots om betekenis ritme en sfeer te creëren.
Harde overgang
één shot gaat onmiddellijk over in het volgende.
Fade-in
het beeld verschijnt geleidelijk uit het zwart.
Fade-out
het beeld verdwijnt geleidelijk in het zwart.
Lap dissolve
twee beelden overlappen elkaar kort tijdens de overgang.
Match cut
een overgang waarbij vormen beweging of geluid overeenkomen.
Jump cut
een schokkerige overgang waarbij een stuk tijd wordt overgeslagen.
Hidden cut
een overgang die verborgen zit in een beweging of object.
Wipes
het ene beeld schuift het andere weg.
Continuïteitsmontage
montage die onopvallend is en het verhaal vloeiend laat verlopen.
Discontinuïteitsmontage
montage die zichtbaar is en de kijker bewust maakt van de filmvorm.
Freezeframe
de actie wordt tijdelijk stilgezet.
Slow motion
de beweging wordt vertraagd weergegeven.
Fast motion
de beweging wordt versneld weergegeven.
Flashback
de film springt terug naar een moment uit het verleden.
Flash forward
de film springt vooruit naar de toekomst.
Overlapping action
dezelfde actie wordt meerdere keren getoond vanuit een ander standpunt.
Elliptical editing
delen van de tijd worden weggelaten.
Parallelmontage
afwisseling tussen verschillende scènes die tegelijk plaatsvinden.
Art direction
alles wat zichtbaar is voor de camera zoals decor kostuums en rekwisieten.
Richting van het licht
de kant waar het licht vandaan komt.
Kleur van het licht
de warmte of koelte van het licht.
Intensiteit
hoe fel het licht is.
Contrastwerking
het verschil tussen licht en donker in een beeld.
Driepuntsbelichting
een belichtingstechniek die schaduwen beperkt en alles gelijkmatig verlicht.
Filmscore
muziek die speciaal voor de film is gecomponeerd.
Geluidseffecten
toegevoegde of versterkte geluiden voor extra beleving.
Omgevingsgeluid
achtergrondgeluiden van de plaats waar de scène zich afspeelt.
Stem
dialogen of voice-over in de film.
Diëgetisch geluid
geluid dat uit de wereld van de film komt.
Non-diëgetisch geluid
geluid dat niet uit de wereld van de film komt.