1/179
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Copernicus
Aarde is niet het centrum van het universum, maar draait rond de zon
Dualisme
De mens bestaat uit 2 elementen: lichaam & geest (=ziel)
Mechanische visie
Descartes. De mens is een complexe machine onderhevig aan wiskundige wetten. De mens als studieobject is mogelijk door het brein te bekijken.
Rationalisme
Descartes. De waarheid kan achterhaald worden door rede.
Thomas Hobbes
Empirisme. Kennis komt voort uit zintuigelijke ervaringen, waarneming en experimenteren.
John Locke
Empirisme. De geest wordt gekenmerkt door associaties van ideeën. Nam tabula rasa van Aristoteles over.
Tabula rasa
De mens wordt als leeg bord geboren en wordt doorheen het leven volgeschreven door ervaringen en verkrijgt zo kennis.
David Hume
Associaties tussen ideeën worden bepaald door gelijkenis en het samen voorkomen in tijd & ruimte.
Natuurlijke selectie
Darwin. Wanneer de omgeving verandert, bieden sommige trekken van een organisme meer voordeel dan andere trekken.
Survival of the fittest
Darwin. Dieren passen zich over langere periode aan aan de lokale omgeving.
Herman von Helmholtz
Fysiologie. Alle krachten in een mens zijn lichamelijk en chemisch.
Gustav Fechner
Fysiologie. Grondlegger psychofysica met de absolute drempel en differentiële drempel.
Absolute drempel
Hoe sterk moet een stimulus zijn om waargenomen te kunnen worden? Ligt lager voor zintuigen die heel gevoelig zijn dan voor zintuigen die minder gevoelig zijn.
Differentiële drempel
Kleinste waardeverschil dat er moet zijn tussen 2 prikkels opdat dit verschil waargenomen kan worden.
De wet van Weber
De differentiële drempel is niet voor alle intensiteiten van een stimulus dezelfde. Hoe groter de stimulusintensiteit, hoe meer er moet bijkomen voordat de proefpersoon het verschil merkt.
Structuralisme
Elk complex proces kan gereduceerd worden tot een combinatie van elementaire componenten: sensaties, beelden en gevoelens.
Wilhelm Wundt
Structuralisme. Richtte in 1879 het 1e psychologische laboratorium op, in Leipzig.
Functionalisme
Wat zijn de functies van (bewuste) ervaring en gedrag? Gelooft dat psychische processen niet in stukken kunnen gesneden worden. Gelooft in onderzoek in natuurlijke context.
William James
Functionalisme. Mentale processen zijn actief & continu.
Gestaltpsychologie
Een reactie tegen structuralisme. Gelooft dat de mens meer is dan de som van onafhankelijke, elementaire gedragingen. Mensen nemen wereld waar in gehelen/gestalten.
Wolfgang Köhler
Gestaltpsychologie
Max Wertheimer
Gestaltpsychologie
Kurt Koffka
Gestaltpsychologie
Sigmund Freud
Psychoanalyse. Bewustzijn en gedrag zijn slechts oppervlakkige fenomenen, ware oorsprong van persoonlijkheidsverschillen en mentale stoornissen ligt bij onbewuste krachten.
Behaviorisme
Psychologie is de wetenschap van het observeerbaar & meetbaar gedrag.
Thorndike’s wet van effect
Responsen die voldoening gevende gevolgen teweegbrengen zullen vaker, sneller en efficiënter uitgevoerd worden dan deze die onbevredigende gevolgen teweegbrengen.
Burthus Frederic Skinner
Behaviorisme. Hoe verandert gedrag onder invloed van ondervinding? Operante conditionering.
Skinnerbox
Experiment waarbij rat een voedselpil krijgt indien de hendel is ingedrukt.
Karl Popper
Kritiek op empirisme en logisch-positivisme. Waarheid van een theorie kan nooit bewezen worden.
Beschrijvend onderzoek
Beschrijven van personen hun gedachten, gevoelens en gedrag.
Correlationeel onderzoek
Onderzoekt relaties tussen variabelen.
Experimenten
Vorm van onderzoek die toelaat causale relaties aan te tonen.
Volkomen toevallige toewijzing
Elke deelnemer heeft evenveel kans om toegewezen te worden aan elk van de condities.
Toevallig steekproeftrekking
Methode voor selecteren van deelnemers waarbij elk lid van de populatie evenveel kans heeft om geselecteerd te worden.
Asynchroniciteit
Online communicatie laat ons toe om te veranderen & na te denken over wat we schrijven.
Lifestyle routine activity theory
Hoe frequenter het gebruik, hoe groter de kans op negatieve ervaringen.
Mere exposure
Herhaalde blootstelling aan een object maakt dat je het leuker gaat vinden.
Spontaan herstel
Als CS & OS opnieuw worden gekoppeld nadat CR is gedoofd, keert de CR snel terug.
Stimulusgeneralisatie
Een gelijkaardige CS veroorzaakt dezelfde CR.
Habituatie
Reactie op een onveranderlijke stimulus wordt na herhaalde aanbiedingen minder sterk.
Klassieke conditionering
Leren over samenhang tussen gebeurtenissen in de omgeving, zonder eigen controle.
Operante/instrumentele conditionering
Gedragingen veranderen op basis van de gevolgen die ze hebben.
Positieve bekrachtiging
Gedrag wordt gevolgd door een aangename stimulus.
Negatieve bekrachtiging
Gedrag wordt gevolgd door het stoppen van een onaangename stimulus.
Primaire bekrachtiger
Komt tegemoet aan basisbehoeften zoals voedsel.
Secundaire bekrachtigers
Ontlenen hun effect aan een associatie met een primaire bekrachtiger.
Continue bekrachtiging
Elke operante respons wordt gevolgd door bekrachtiging.
Partiële/intermitterende bekrachtiging
Gedrag moet vaak herhaald worden om af en toe bekrachtiging te krijgen.
Ratioschema’s
Bekrachtiging wordt na x aantal responsen gegeven.
Intervalschema’s
Bekrachtiging hangt af van gedrag & tijd sinds vorige respons.
Positieve straf
Gedrag wordt gevolgd door een onaangename stimulus.
Negatieve straf
Gedrag wordt gevolgd door het stoppen van een aangename stimulus.
Sociaal leren
Observerend leren. We leren ook door naar anderen te kijken.
Cocktail party effect
Het vermogen om uit een complexe omgeving een persoonlijk relevante stimulus te selecteren.
Zelfconcept
Het geheel van opvattingen dat men over zichzelf heeft.
Zelfreferentie-effect
Informatie wordt beter onthouden als die iets met jezelf te maken heeft.
Affectieve voorspelling
Mensen kunnen moeilijk voorspellen hoe ze zullen reageren op toekomstige gebeurtenissen.
Duurzaamheidsvertekening
Mensen overschatten de sterkte & duur van hun emotionele reacties.
Zelfperceptietheorie
Mensen leren over zichzelf door naar hun eigen gedrag te kijken.
Facial feedback hypothese
Gelaatsuitdrukkingen kunnen corresponderende veranderingen in emotie veroorzaken.
Intrinsieke motivatie
Motivatie vanuit factoren binnen een persoon.
Extrinsieke motivatie
Motivatie vanuit factoren buiten de persoon.
Overjustificatie effect
Vermindering van intrinsieke motivatie door extrinsieke beloningen.
Sociale vergelijking
Mensen evalueren zichzelf door vergelijking met anderen.
Opwaartse sociale vergelijking
Vergelijking met iemand die beter is dan wij.
Neerwaartse sociale vergelijking
Vergelijking met iemand die minder succesvol is dan wij.
Zelfwaardering
Affectieve component van het zelf.
Sociometer theorie
De mens is een sociaal dier dat gedreven wordt door contact & goedkeuring.
Terreurmanagementtheorie
Een hoog gevoel van zelfwaardering beschermt tegen angst voor de dood.
Zelfdiscrepantietheorie
Zelfwaardering wordt bepaald door verschil tussen hoe men zichzelf ziet & wil zien.
Publiek zelfbewustzijn
Aandacht besteden aan het beeld dat anderen van zich vormen.
Privaat zelfbewustzijn
Neiging zich op interne gedachten & gevoelens te richten.
Zelfregulatie
Proces waarbij mensen hun gedachten, gevoelens of gedrag beheersen.
Impliciet egotisme
Onbewuste vorm van zelfverheerlijking.
Zelfdienende informatieverwerking
Succes aan zichzelf toeschrijven, mislukking aan omstandigheden.
Third-person effect
We denken dat media anderen meer beïnvloeden dan onszelf.
Recentheidseffect
Meer herinneringen uit het recente verleden dan uit het verre verleden.
Flitslichtherinneringen
Zeer levendige herinneringen aan belangrijke gebeurtenissen.
Achteruitblikvertekening
Mensen veranderen hun herinneringen om zichzelf gunstig te stemmen.
Dunning-Kruger effect
Slechte presteerders overschatten hun capaciteiten.
Zelfhandicappering
Gedrag bedoeld om eigen prestaties te ondermijnen als excuus voor mislukking.
Sandbagging
Eigen bekwaamheden minimaliseren om prestatiedruk te verminderen.
Basking in reflected glory (birging)
Verhoogde zelfwaardering door associatie met succesvolle personen.
Cut off reflected failure (corfing)
Afstand nemen van mensen met lage status.
Schijnwerperseffect
De neiging te overschatten hoeveel anderen op ons letten.
Strategische zelfpresentatie
Strategieën om indrukken van anderen te sturen.
Zelfverificatie
Het verlangen om gezien te worden zoals men echt is.
Sociale perceptie
Processen die bepalen hoe we oordelen over anderen.
Scripts van het leven
Vooraf bepaalde opvattingen over hoe gebeurtenissen verlopen.
Facial acting coding system
Door Ekman. Gedachten & emoties bestuderen via gezichtsanalyse.
Persoonlijke attributies
Gedrag verklaren door interne eigenschappen.
Situationele attributies
Gedrag verklaren door externe factoren.
Jones’ corresponderende inferentietheorie
De neiging gedrag te koppelen aan persoonlijkheid.
Kelley’s covariatiemodel
Gedrag toeschrijven aan factoren die samen voorkomen met het gedrag.
Consensusinformatie
Covariatie tussen effect & personen.
Distinctiviteitsinformatie
Covariatie tussen effect & stimuli.
Consistentie-informatie
Covariatie tussen effect & tijdstippen.
Fundamentele attributiefout
Impact van situaties onderschatten & persoonsfactoren overschatten.
Correspondence bias
Gedrag van anderen verklaren door disposities.
Actor-observator effect
Eigen gedrag verklaren door situatie, dat van anderen door persoonlijkheid.