mediapsychologie termen

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/179

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 8:49 AM on 5/21/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

180 Terms

1
New cards

Copernicus

Aarde is niet het centrum van het universum, maar draait rond de zon

2
New cards

Dualisme

De mens bestaat uit 2 elementen: lichaam & geest (=ziel)

3
New cards

Mechanische visie

Descartes. De mens is een complexe machine onderhevig aan wiskundige wetten. De mens als studieobject is mogelijk door het brein te bekijken.

4
New cards

Rationalisme

Descartes. De waarheid kan achterhaald worden door rede.

5
New cards

Thomas Hobbes

Empirisme. Kennis komt voort uit zintuigelijke ervaringen, waarneming en experimenteren.

6
New cards

John Locke

Empirisme. De geest wordt gekenmerkt door associaties van ideeën. Nam tabula rasa van Aristoteles over.

7
New cards

Tabula rasa

De mens wordt als leeg bord geboren en wordt doorheen het leven volgeschreven door ervaringen en verkrijgt zo kennis.

8
New cards

David Hume

Associaties tussen ideeën worden bepaald door gelijkenis en het samen voorkomen in tijd & ruimte.

9
New cards

Natuurlijke selectie

Darwin. Wanneer de omgeving verandert, bieden sommige trekken van een organisme meer voordeel dan andere trekken.

10
New cards

Survival of the fittest

Darwin. Dieren passen zich over langere periode aan aan de lokale omgeving.

11
New cards

Herman von Helmholtz

Fysiologie. Alle krachten in een mens zijn lichamelijk en chemisch.

12
New cards

Gustav Fechner

Fysiologie. Grondlegger psychofysica met de absolute drempel en differentiële drempel.

13
New cards

Absolute drempel

Hoe sterk moet een stimulus zijn om waargenomen te kunnen worden? Ligt lager voor zintuigen die heel gevoelig zijn dan voor zintuigen die minder gevoelig zijn.

14
New cards

Differentiële drempel

Kleinste waardeverschil dat er moet zijn tussen 2 prikkels opdat dit verschil waargenomen kan worden.

15
New cards

De wet van Weber

De differentiële drempel is niet voor alle intensiteiten van een stimulus dezelfde. Hoe groter de stimulusintensiteit, hoe meer er moet bijkomen voordat de proefpersoon het verschil merkt.

16
New cards

Structuralisme

Elk complex proces kan gereduceerd worden tot een combinatie van elementaire componenten: sensaties, beelden en gevoelens.

17
New cards

Wilhelm Wundt

Structuralisme. Richtte in 1879 het 1e psychologische laboratorium op, in Leipzig.

18
New cards

Functionalisme

Wat zijn de functies van (bewuste) ervaring en gedrag? Gelooft dat psychische processen niet in stukken kunnen gesneden worden. Gelooft in onderzoek in natuurlijke context.

19
New cards

William James

Functionalisme. Mentale processen zijn actief & continu.

20
New cards

Gestaltpsychologie

Een reactie tegen structuralisme. Gelooft dat de mens meer is dan de som van onafhankelijke, elementaire gedragingen. Mensen nemen wereld waar in gehelen/gestalten.

21
New cards

Wolfgang Köhler

Gestaltpsychologie

22
New cards

Max Wertheimer

Gestaltpsychologie

23
New cards

Kurt Koffka

Gestaltpsychologie

24
New cards

Sigmund Freud

Psychoanalyse. Bewustzijn en gedrag zijn slechts oppervlakkige fenomenen, ware oorsprong van persoonlijkheidsverschillen en mentale stoornissen ligt bij onbewuste krachten.

25
New cards

Behaviorisme

Psychologie is de wetenschap van het observeerbaar & meetbaar gedrag.

26
New cards

Thorndike’s wet van effect

Responsen die voldoening gevende gevolgen teweegbrengen zullen vaker, sneller en efficiënter uitgevoerd worden dan deze die onbevredigende gevolgen teweegbrengen.

27
New cards

Burthus Frederic Skinner

Behaviorisme. Hoe verandert gedrag onder invloed van ondervinding? Operante conditionering.

28
New cards

Skinnerbox

Experiment waarbij rat een voedselpil krijgt indien de hendel is ingedrukt.

29
New cards

Karl Popper

Kritiek op empirisme en logisch-positivisme. Waarheid van een theorie kan nooit bewezen worden.

30
New cards

Beschrijvend onderzoek

Beschrijven van personen hun gedachten, gevoelens en gedrag.

31
New cards

Correlationeel onderzoek

Onderzoekt relaties tussen variabelen.

32
New cards

Experimenten

Vorm van onderzoek die toelaat causale relaties aan te tonen.

33
New cards

Volkomen toevallige toewijzing

Elke deelnemer heeft evenveel kans om toegewezen te worden aan elk van de condities.

34
New cards

Toevallig steekproeftrekking

Methode voor selecteren van deelnemers waarbij elk lid van de populatie evenveel kans heeft om geselecteerd te worden.

35
New cards

Asynchroniciteit

Online communicatie laat ons toe om te veranderen & na te denken over wat we schrijven.

36
New cards

Lifestyle routine activity theory

Hoe frequenter het gebruik, hoe groter de kans op negatieve ervaringen.

37
New cards

Mere exposure

Herhaalde blootstelling aan een object maakt dat je het leuker gaat vinden.

38
New cards

Spontaan herstel

Als CS & OS opnieuw worden gekoppeld nadat CR is gedoofd, keert de CR snel terug.

39
New cards

Stimulusgeneralisatie

Een gelijkaardige CS veroorzaakt dezelfde CR.

40
New cards

Habituatie

Reactie op een onveranderlijke stimulus wordt na herhaalde aanbiedingen minder sterk.

41
New cards

Klassieke conditionering

Leren over samenhang tussen gebeurtenissen in de omgeving, zonder eigen controle.

42
New cards

Operante/instrumentele conditionering

Gedragingen veranderen op basis van de gevolgen die ze hebben.

43
New cards

Positieve bekrachtiging

Gedrag wordt gevolgd door een aangename stimulus.

44
New cards

Negatieve bekrachtiging

Gedrag wordt gevolgd door het stoppen van een onaangename stimulus.

45
New cards

Primaire bekrachtiger

Komt tegemoet aan basisbehoeften zoals voedsel.

46
New cards

Secundaire bekrachtigers

Ontlenen hun effect aan een associatie met een primaire bekrachtiger.

47
New cards

Continue bekrachtiging

Elke operante respons wordt gevolgd door bekrachtiging.

48
New cards

Partiële/intermitterende bekrachtiging

Gedrag moet vaak herhaald worden om af en toe bekrachtiging te krijgen.

49
New cards

Ratioschema’s

Bekrachtiging wordt na x aantal responsen gegeven.

50
New cards

Intervalschema’s

Bekrachtiging hangt af van gedrag & tijd sinds vorige respons.

51
New cards

Positieve straf

Gedrag wordt gevolgd door een onaangename stimulus.

52
New cards

Negatieve straf

Gedrag wordt gevolgd door het stoppen van een aangename stimulus.

53
New cards

Sociaal leren

Observerend leren. We leren ook door naar anderen te kijken.

54
New cards

Cocktail party effect

Het vermogen om uit een complexe omgeving een persoonlijk relevante stimulus te selecteren.

55
New cards

Zelfconcept

Het geheel van opvattingen dat men over zichzelf heeft.

56
New cards

Zelfreferentie-effect

Informatie wordt beter onthouden als die iets met jezelf te maken heeft.

57
New cards

Affectieve voorspelling

Mensen kunnen moeilijk voorspellen hoe ze zullen reageren op toekomstige gebeurtenissen.

58
New cards

Duurzaamheidsvertekening

Mensen overschatten de sterkte & duur van hun emotionele reacties.

59
New cards

Zelfperceptietheorie

Mensen leren over zichzelf door naar hun eigen gedrag te kijken.

60
New cards

Facial feedback hypothese

Gelaatsuitdrukkingen kunnen corresponderende veranderingen in emotie veroorzaken.

61
New cards

Intrinsieke motivatie

Motivatie vanuit factoren binnen een persoon.

62
New cards

Extrinsieke motivatie

Motivatie vanuit factoren buiten de persoon.

63
New cards

Overjustificatie effect

Vermindering van intrinsieke motivatie door extrinsieke beloningen.

64
New cards

Sociale vergelijking

Mensen evalueren zichzelf door vergelijking met anderen.

65
New cards

Opwaartse sociale vergelijking

Vergelijking met iemand die beter is dan wij.

66
New cards

Neerwaartse sociale vergelijking

Vergelijking met iemand die minder succesvol is dan wij.

67
New cards

Zelfwaardering

Affectieve component van het zelf.

68
New cards

Sociometer theorie

De mens is een sociaal dier dat gedreven wordt door contact & goedkeuring.

69
New cards

Terreurmanagementtheorie

Een hoog gevoel van zelfwaardering beschermt tegen angst voor de dood.

70
New cards

Zelfdiscrepantietheorie

Zelfwaardering wordt bepaald door verschil tussen hoe men zichzelf ziet & wil zien.

71
New cards

Publiek zelfbewustzijn

Aandacht besteden aan het beeld dat anderen van zich vormen.

72
New cards

Privaat zelfbewustzijn

Neiging zich op interne gedachten & gevoelens te richten.

73
New cards

Zelfregulatie

Proces waarbij mensen hun gedachten, gevoelens of gedrag beheersen.

74
New cards

Impliciet egotisme

Onbewuste vorm van zelfverheerlijking.

75
New cards

Zelfdienende informatieverwerking

Succes aan zichzelf toeschrijven, mislukking aan omstandigheden.

76
New cards

Third-person effect

We denken dat media anderen meer beïnvloeden dan onszelf.

77
New cards

Recentheidseffect

Meer herinneringen uit het recente verleden dan uit het verre verleden.

78
New cards

Flitslichtherinneringen

Zeer levendige herinneringen aan belangrijke gebeurtenissen.

79
New cards

Achteruitblikvertekening

Mensen veranderen hun herinneringen om zichzelf gunstig te stemmen.

80
New cards

Dunning-Kruger effect

Slechte presteerders overschatten hun capaciteiten.

81
New cards

Zelfhandicappering

Gedrag bedoeld om eigen prestaties te ondermijnen als excuus voor mislukking.

82
New cards

Sandbagging

Eigen bekwaamheden minimaliseren om prestatiedruk te verminderen.

83
New cards

Basking in reflected glory (birging)

Verhoogde zelfwaardering door associatie met succesvolle personen.

84
New cards

Cut off reflected failure (corfing)

Afstand nemen van mensen met lage status.

85
New cards

Schijnwerperseffect

De neiging te overschatten hoeveel anderen op ons letten.

86
New cards

Strategische zelfpresentatie

Strategieën om indrukken van anderen te sturen.

87
New cards

Zelfverificatie

Het verlangen om gezien te worden zoals men echt is.

88
New cards

Sociale perceptie

Processen die bepalen hoe we oordelen over anderen.

89
New cards

Scripts van het leven

Vooraf bepaalde opvattingen over hoe gebeurtenissen verlopen.

90
New cards

Facial acting coding system

Door Ekman. Gedachten & emoties bestuderen via gezichtsanalyse.

91
New cards

Persoonlijke attributies

Gedrag verklaren door interne eigenschappen.

92
New cards

Situationele attributies

Gedrag verklaren door externe factoren.

93
New cards

Jones’ corresponderende inferentietheorie

De neiging gedrag te koppelen aan persoonlijkheid.

94
New cards

Kelley’s covariatiemodel

Gedrag toeschrijven aan factoren die samen voorkomen met het gedrag.

95
New cards

Consensusinformatie

Covariatie tussen effect & personen.

96
New cards

Distinctiviteitsinformatie

Covariatie tussen effect & stimuli.

97
New cards

Consistentie-informatie

Covariatie tussen effect & tijdstippen.

98
New cards

Fundamentele attributiefout

Impact van situaties onderschatten & persoonsfactoren overschatten.

99
New cards

Correspondence bias

Gedrag van anderen verklaren door disposities.

100
New cards

Actor-observator effect

Eigen gedrag verklaren door situatie, dat van anderen door persoonlijkheid.