1/129
Een uitgebreide lijst van 130 begrippen en definities over sociale cognitie gebaseerd op de college-aantekeningen.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
sociale cognitie
onderzoekt hoe mensen sociale informatie waarnemen, interpreteren en gebruiken om hun oordelen en gedrag te sturen
Consistency seeker
Een perspectief waarin de mens streeft naar interne overeenstemming tussen overtuigingen en gedrag om ongemak (cognitieve dissonantie) te vermijden
Naive scientist
Een mensbeeld waarbij individuen rationeel en onpartijdig informatie verzamelen om accurate verklaringen voor gedrag te vinden
Cognitive miser
Een metafoor voor de mens die beperkte verwerkingscapaciteit heeft en daarom mentale sluiproutes (heuristieken) gebruikt om energie te besparen
Motivated tactician
Een flexibele denker die kiest tussen grondige analyse of snelle heuristieken, afhankelijk van motivatie en tijdsdruk
Activated actor
Een perspectief waarin oordelen en gedrag grotendeels automatisch en onbewust worden gestuurd door cues in de omgeving
Dissonance theory (Festinger's)
wanneer er inconsistentie is tussen jouw interpretatie en een nieuwe situatie kan dit een negatief, aversief gevoel creëren. Mensen praten dit vaak goed om consistentie te bereiken.
Attribution theories
legt uit hoe mensen gedrag en gebeurtenissen verklaren. De theorie verklaart hoe we het gedrag van onszelf en anderen begrijpen, wat vervolgens onze eigen motivatie, emoties en reacties beïnvloedt.
Dual process model
ons brein kan diep nadenken of snel oordelen afhankelijk van de handeling.
Physiognomy
De historische (en feitelijk onjuiste) overtuiging dat men iemands karakter of persoonlijkheid kan aflezen aan gelaatstrekken
Sociale brein hypothese
De theorie dat de omvang van de neocortex bij primaten (inclusief mensen) samenhangt met de grootte van de sociale groep waarin zij leven
black box phenomena
houdt in dat de menselijke geest onzichtbaar is, waardoor je alleen de input (prikkels) en de output (gedrag) kunt meten.
Wason selectie taak
Een logische test die aantoont dat mensen veel beter presteren op abstracte regels wanneer deze in een sociale context (zoals sociale contracten of afspraken) worden geplaatst
shooter bias/ police officer's dilemma
Een taak die etnische bias onderzoekt door te meten hoe snel en correct deelnemers beslissen te schieten op personen met een wapen versus een onschadelijk object
McGurk effect
Een zintuiglijke illusie waarbij wat je ziet de interpretatie van wat je hoort verandert, wat de flexibele interpretatie van stimuli aantoont (BA-GA-DA)
bottum-up vs top-down
bottum-up: data-gestuur, je baseert je interpretatie op de kenmerken van de stimulus zelf zoals uiterlijk, kleding, etc. top-down: je gebruikt je bestaande kennis, schema's en verwachtingen om de binnenkomende informatie te kleuren en te kaderen --> kost meer cognitieve energie.
processing capacity
Dit zijn de mentale hulpbronnen (vergelijkbaar met het werkgeheugen van een computer) die je op een bepaald moment beschikbaar hebt. deze capaciteit is beperkt
processing motivation
Je bereidheid en moeite om informatie te analyseren, wordt bepaald door wat belangrijk of relevant voor je is.
Error Management Theory
Evolutionair perspectief dat stelt dat menselijke oordelen in situaties van onzekerheid niet gericht zijn op perfecte nauwkeurigheid, maar op het minimaliseren van de meest kostbare fout
reverse correlation
een stimulus-gestuurde (data-driven) methode om de interne mentale beelden te visualiseren die mensen hebben bij bepaalde concepten of sociale oordelen.
Duchenne smile
een wetenschappelijke term voor een oprechte, spontane glimlach
Basic emotion theory
zes basisemoties: blij, boos, verdrietig, angst, walging, verbazing. Deze dienen als bouwstenen voor alle andere gevoelens en zijn evolutionair ontwikkeld --> verouderde theorie
display rule
een ongeschreven sociale of culturele norm die bepaalt hoe, wanneer en aan wie je bepaalde emoties mag tonen. Verklaart waarom mensen met dezelfde basisemoties hun gevoelens in het openbaar anders uiten. We kunnen emoties altijd zien door micro-expressies
micro-expressies
extreem korte, onwillekeurige gezichtsuitdrukking die de werkelijke emotie van iemand verraadt.
facial action coding system
een wetenschappelijk systeem om alle denkbare menselijke gezichtsuitdrukkingen objectief te meten en te beschrijven
Cocktail-party effect
het psychologische verschijnsel waarbij je hersenen in staat zijn om je aandacht te richten op één specifieke geluidsbron (zoals een gesprek), terwijl je alle andere achtergrondgeluiden (zoals pratende mensen en muziek) wegfiltert.
stereotype
een mentale kennisstructuur (een specifiek type schema) over een sociale groep die verwachtingen, eigenschappen en gedrag bevatten die we met de groep associëren.
Consistent information
informatie die overeenkomt met je bestaande kennis, schema's of verwachtingen, of stereotype --> inconsistente informatie komt dus niet overeen
intrusion errors
zijn geheugenfoutjes waarbij je je dingen 'herinnert' die in werkelijkheid nooit zijn gebeurd, maar die wel heel logisch lijken binnen de situatie.
beschikbaarheidsheuristiek
De neiging om de waarschijnlijkheid van gebeurtenissen te beoordelen op basis van gegevens die in het geheugen beschikbaar zijn en vlug en gemakkelijk oproepbaar zijn.
Fundamentele attributiefout
Neiging om het gedrag van anderen toe te schrijven aan hun persoonlijke eigenschappen of karakter, terwijl de invloed van de situatie wordt onderschat.
Heuristieken
eenvoudige vuistregels of mental shortcuts die ons helpen om snel en met weinig cognitieve inspanning oordelen te vormen of beslissingen te nemen.
representativiteitsheuristiek
Iets categoriseren op basis van de gelijkenis met een typisch beeld.
Anker- en aanpassingsheuristiek (Anchoring and adjustment)
Een schatting baseren op een beginwaarde (anker) en die vervolgens (vaak onvoldoende) aanpassen
automatische processen
onbewuste, snelle processen die weinig cognitieve capaciteit kosten en zonder intentie verlopen
gecontroleerde processen
bewuste, trage en inspanningsvolle processen die aandacht vereisen en die je doelbewust kunt sturen
base rate
de objectieve frequentie van een kenmerk in de populatie. het negeren hiervan (base rate neglect) is een veelvoorkomende fout bij de representativiteitsheuristiek. Bijv. je ziet iemand met een neuspiercing, dus bijna iedereen heeft een neuspiercing.
conjunction fallacy
een denkfout waarbij je denkt dat een specifieke combinatie van twee kenmerken waarschijnlijker is dan een enkel kenmerk.
avoidance bias
de neiging om personen of situaties te vermijden waarover je een negatieve indruk hebt gevormd
ingroup heterogeniteit
is de neiging om de leden van je eigen groep (de ingroup) als diverse en unieke individuen te zien
Outgroup-homogeniteit
de perceptie dat iedereen in de outgroup hetzelfde is
prospect theory
beschrijft hoe mensen keuzes maken onder onzekerheid, waarbij de focus ligt op hoe we objectieve uitkomsten subjectief ervaren. vier principes 1. mensen beoordelen keuze-opties in termen van winsten en verliezen 2. winsten: mensen vermijden risico (risk aversion) 3. verliezen: mensen zoeken risico op (risk seeking) 4. verliezen wegen zwaarder dan winsten (loss aversion) Dit gebeurd zonder langzame, intentionele denkprocessen.
ease of retrieval
is de subjectieve ervaring van hoe makkelijk of moeilijk het is om informatie uit je geheugen op te roepen. Het is moeilijker om 12 voorbeelden te bedenken dan om 5 voorbeelden te bedenken.
endowment effect
de neiging om een object of bezit meer waarde toe te kennen simpelweg omdat je het hebt
maxisers
zoeken tot ze de beste optie vinden, hierdoor last van lost aversion en opportunity costs, regret sensitivity & adaption
satisficers
zoeken tot de ze optie vinden die goed genoeg is
framing
de manier waarop informatie wordt gepresenteerd beïnvloedt de keuzes en oordelen van anderen
inhibitory links
zijn verbindingen in een kennisstructuur of associatief netwerk met kenmerken die juist niet geassocieerd zijn met een specifieke categorie
associatief netwerk
Een associatief netwerk is een model waarbij het geheugen wordt gezien als een web van concepten (knopen) die met elkaar verbonden zijn door associaties (links)
Sociale schema's
een mentale representatie van een categorie in je geheugen.
kennishierarchie
de verticale organisatie van informatie in je geheugen, waarbij concepten zijn geordend op basis van hun mate van abstractie.
priming
het (onbewust) vooraf activeren van bepaalde kennis, schema's of concepten in je geheugen. Hierdoor wordt informatie tijdelijk beter toegankelijk, waardoor je de volgende stimulus sneller of makkelijker verwerkt.
expected utility (EU)
inzicht van economen, mensen handelen altijd rationeel. --> niet volgens sociale cognitie niet.
Illusoire corelatie
de waarneming van een verband tussen twee variabelen (zoals een groep en een specifiek kenmerk) terwijl dat verband er in werkelijkheid niet is, of veel minder sterk is dan gedacht
Contrast effect
je oordeel over een persoon of object in de tegenovergestelde richting verschuift van de informatie die op dat moment in je geheugen toegankelijk is
Implicit association test (IAT)
een reactietijdtaak die onbewuste vooroordelen en automatische associaties meet.
lexicale decisie taak
experiment waarin wordt gemeten hoe snel mensen beslissen of een reeks letters een bestaand woord vormt
positive testing
Het zoeken naar bewijs dat je idee ondersteunt heet ook wel tunnelvisie.
confirmation bias
Het zoeken, onthouden en interpreteren van bewijs in lijn met je ideeën en het negeren van tegensprekend bewijs.
negative testing
Het vinden van informatie die jou idee niet ondersteund is minder efficient en dit komt daarom minder vaak voor.
Agent based models
Een groep mensen wordt gerepresenteerd door een groep agents (computer programma's die op een bepaalde manier met elkaar interacteren), ze kennen gedragsregels dus dit kan interessante patronen brengen.
Assimilatie
geactiveerde informatie uit features wordt toegepast --> dit is een vorm van stereotyperen --> mensen kunnen dit dus onderdrukken
ecodering
Het proces waarbij een externe stimulus wordt omgezet in een betekenisvolle mentale representatie door deze te koppelen aan bestaande kennis
truncated search
Het mechanisme waarbij men stopt met het zoeken naar alternatieve verklaringen zodra een 'goed genoeg' passend schema is gevonden, vaak door tijdsdruk of beperkte capaciteit
Construal Level Theory
Het idee dat psychologische afstand (in tijd, ruimte of sociaal) bepaalt hoe we informatie encoderen: nabijheid leidt tot concrete details, terwijl afstand leidt tot abstracte representaties
interne vs externe motivatie (IMS/EMS)
Het verschil tussen de persoonlijke wens om niet bevooroordeeld te zijn (IMS) versus de sociale druk om niet zo over te komen (EMS)
interesting gossip
een strategie waarbij een waarnemer vraagt naar de meest negatieve indruk die iemand heeft van een ander, wat effectief helpt bij het identificeren van 'evil' personen
Wason card selection task
onderzoekt hoe mensen logisch redeneren, hypothese testen en kijkt of ze actief opzoek gaan naar informatie die hun aannames kan ontkrachten.
fundamental attribution error/ correspondence error
de neiging om het gedrag van anderen toe te schrijven aan hun persoonlijke eigenschappen, terwijl de invloed van de situatie wordt onderschat
Fishbein and Azjen's theory of reasoned action
beschrijft hoe ons gedrag wordt gestuurd door de wisselwerking tussen attitudes en sociale normen
semantic concepts
concepten die als bouwstenen werken van kennis in je geheugen
construal level theory (levels)
psychologische afstand tot een object of gebeurtenis bepaalt hoe we deze mentaal representeren. - abstract (high) construal: why - concreet (low) construal: how
reverse correlation task
om onbewuste, mentale representaties visueel te maken. hierbij wordt een foto gefilterd met ruis, de proefpersonen oordelen dan de gezichten of uitdrukkingen.
linguistic category model
vier niveaus van taalabstractie: 1. descriptieve actiewerkwoorden (DAV): zeer concreet en objectief (jan roept tegen piet). 2. interpreterende actiewerkwoorden (IAV): geven een interpretatie aan de handeling (jan beledigt piet). 3. toestand werkwoorden (SV): beschrijven een mentale staat (jan haat piet). 4. bijvoeglijk naamwoord (ADJ): het meest abstract, suggereert persoonlijkheid (jan is agressief).
taalabstractie
de mate van algemeenheid of detial in de woorden die we gebruiken om gedrag of personen te omschrijven. Hoe abstracter de taal, hoe meer informatie over de persoon en hoe minder over de situatie
Linguistic intergroup bias (LIB)
we omschrijven positief gedrag aan onze eigen groep, terwijl we negatief gedrag onze eigen groep heel concreet en incidenteel omschrijven.
linguistic expactancy bias
de neiging om gedrag dat we verwachten in abstracte termen te beschrijven, terwijl we gedrag dat we niet verwachten in concrete termen beschrijven.
stereotypic explanatory bias
de neiging om gedrag dat in strijd is met onze verwachtingen direct weg te verklaren door middel van een extreme oorzaak, dan hoef je je stereotype niet aan te passen.
conversationele normen
ongeschreven regels die we volgen om gesprekken effectief en begrijpelijk te maken. Gebaseerd op het cooperatief principe met vier maximes: kwantiteit (niet te veel/weinig), kwaliteit (waarheid), relatie (relevantie), en manier (duidelijk/geordend).
pragmatic persuasion
sociale beïnvloeding waarbij de ontvanger conclusies trekt die verder gan dan de letterlijke betekenis van een boodschap, gebaseerd op de veronderstelde doelen van de zender.
attitude
de psychologische neiging die tot uiting komt in de evaluatie van een specifiek entiteit met een zekere mate van voorkeur of afkeur
summary evaluation
de opgeslagen eindconclusie of evaluatie van een object in je geheugen
MODE-model (Motivation and Opportunity as DEterments)
stelt dat Motivatie en Gelegenheid (opportuntity) bepalen of we vertrouwen op direct beschikbare, opgeslagen attitudes of dat we ter plekke een nieuwe evaluatie construeren.
Evaluatieve conditionering
Het veranderen van de waarheid van een neutrale stimulus door deze herhaaldelijk te koppelen aan een positieve of negatieve stimulus
APE-model
Associative-Propositional Evaluation: een model dat onderscheid maakt tussen automatische associaties (onafhankelijk van waarheid) en propositionele processen (gebaseerd op waarheidsclaims).
mere exposure
de bevinding dat loutere herhaalde blootstemming aan een stimulus leidt tot een meer positieve evaluatie ervan
Saying-is-believing (SIB)
Het effect waarbij het aanpassen van een boodschap aan de opvatting van het publiek ertoe kan leiden dat de zender zijn eigen herinnering en attitude in die richting aanpast.
expliciete meting
likert schalen (0−10) en sematische differentiaal (positief-negatief)
impliciete metingen
attitudes meten zonder tussenkomst van beredenerende processen.
propostionele processen
bewuste, gecontroleerde en talige denkprocessen waarbij de hersenen informatie evalueren op basis van feiten, logica en waarheidswaarde.
prejudice
attitude ten opzichte van sociale categoriën
values
attitudes ten opzichte van globale eind-doelen
self-esteem
attitude ten opzichte van jezelf
interpersonal attraction
attitude ten op zicht van anderen
mood-as-information
de stemming waarin mensen zitten gebruiken mensen als informatiebron bij het vormen van een oordeel
heuristieke cues
hoe je attitude onderandere kan veranderen. bijv. experts hebben gelijk, anderen doen het ook, de boodschap is leuk/kort & duidelijk, het product is schaars.
mood-cungruent memory
Het verschijnsel dat je gemakkelijker herinneringen ophaalt die passen bij je huidige stemming (bijv. blije herinneringen als je vrolijk bent)
state-dependent memory
Informatie die in een bepaalde stemming is opgeslagen, wordt beter teruggehaald wanneer je je weer in diezelfde stemming bevindt
mood repair
De actieve motivatie om een negatieve stemming te verbeteren, bijvoorbeeld door doelbewust positieve gedachten op te zoeken
about-ness-principe
De neiging om je huidige gevoel automatisch toe te schrijven aan het object waar je op dat moment je aandacht op richt