Sociale Cognitie Begrippen

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/129

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Een uitgebreide lijst van 130 begrippen en definities over sociale cognitie gebaseerd op de college-aantekeningen.

Last updated 3:09 PM on 6/12/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

130 Terms

1
New cards

sociale cognitie

onderzoekt hoe mensen sociale informatie waarnemen, interpreteren en gebruiken om hun oordelen en gedrag te sturen

2
New cards

Consistency seeker

Een perspectief waarin de mens streeft naar interne overeenstemming tussen overtuigingen en gedrag om ongemak (cognitieve dissonantie) te vermijden

3
New cards

Naive scientist

Een mensbeeld waarbij individuen rationeel en onpartijdig informatie verzamelen om accurate verklaringen voor gedrag te vinden

4
New cards

Cognitive miser

Een metafoor voor de mens die beperkte verwerkingscapaciteit heeft en daarom mentale sluiproutes (heuristieken) gebruikt om energie te besparen

5
New cards

Motivated tactician

Een flexibele denker die kiest tussen grondige analyse of snelle heuristieken, afhankelijk van motivatie en tijdsdruk

6
New cards

Activated actor

Een perspectief waarin oordelen en gedrag grotendeels automatisch en onbewust worden gestuurd door cues in de omgeving

7
New cards

Dissonance theory (Festinger's)

wanneer er inconsistentie is tussen jouw interpretatie en een nieuwe situatie kan dit een negatief, aversief gevoel creëren. Mensen praten dit vaak goed om consistentie te bereiken.

8
New cards

Attribution theories

legt uit hoe mensen gedrag en gebeurtenissen verklaren. De theorie verklaart hoe we het gedrag van onszelf en anderen begrijpen, wat vervolgens onze eigen motivatie, emoties en reacties beïnvloedt.

9
New cards

Dual process model

ons brein kan diep nadenken of snel oordelen afhankelijk van de handeling.

10
New cards

Physiognomy

De historische (en feitelijk onjuiste) overtuiging dat men iemands karakter of persoonlijkheid kan aflezen aan gelaatstrekken

11
New cards

Sociale brein hypothese

De theorie dat de omvang van de neocortex bij primaten (inclusief mensen) samenhangt met de grootte van de sociale groep waarin zij leven

12
New cards

black box phenomena

houdt in dat de menselijke geest onzichtbaar is, waardoor je alleen de input (prikkels) en de output (gedrag) kunt meten.

13
New cards

Wason selectie taak

Een logische test die aantoont dat mensen veel beter presteren op abstracte regels wanneer deze in een sociale context (zoals sociale contracten of afspraken) worden geplaatst

14
New cards

shooter bias/ police officer's dilemma

Een taak die etnische bias onderzoekt door te meten hoe snel en correct deelnemers beslissen te schieten op personen met een wapen versus een onschadelijk object

15
New cards

McGurk effect

Een zintuiglijke illusie waarbij wat je ziet de interpretatie van wat je hoort verandert, wat de flexibele interpretatie van stimuli aantoont (BA-GA-DA)

16
New cards

bottum-up vs top-down

bottum-up: data-gestuur, je baseert je interpretatie op de kenmerken van de stimulus zelf zoals uiterlijk, kleding, etc. top-down: je gebruikt je bestaande kennis, schema's en verwachtingen om de binnenkomende informatie te kleuren en te kaderen --> kost meer cognitieve energie.

17
New cards

processing capacity

Dit zijn de mentale hulpbronnen (vergelijkbaar met het werkgeheugen van een computer) die je op een bepaald moment beschikbaar hebt. deze capaciteit is beperkt

18
New cards

processing motivation

Je bereidheid en moeite om informatie te analyseren, wordt bepaald door wat belangrijk of relevant voor je is.

19
New cards

Error Management Theory

Evolutionair perspectief dat stelt dat menselijke oordelen in situaties van onzekerheid niet gericht zijn op perfecte nauwkeurigheid, maar op het minimaliseren van de meest kostbare fout

20
New cards

reverse correlation

een stimulus-gestuurde (data-driven) methode om de interne mentale beelden te visualiseren die mensen hebben bij bepaalde concepten of sociale oordelen.

21
New cards

Duchenne smile

een wetenschappelijke term voor een oprechte, spontane glimlach

22
New cards

Basic emotion theory

zes basisemoties: blij, boos, verdrietig, angst, walging, verbazing. Deze dienen als bouwstenen voor alle andere gevoelens en zijn evolutionair ontwikkeld --> verouderde theorie

23
New cards

display rule

een ongeschreven sociale of culturele norm die bepaalt hoe, wanneer en aan wie je bepaalde emoties mag tonen. Verklaart waarom mensen met dezelfde basisemoties hun gevoelens in het openbaar anders uiten. We kunnen emoties altijd zien door micro-expressies

24
New cards

micro-expressies

extreem korte, onwillekeurige gezichtsuitdrukking die de werkelijke emotie van iemand verraadt.

25
New cards

facial action coding system

een wetenschappelijk systeem om alle denkbare menselijke gezichtsuitdrukkingen objectief te meten en te beschrijven

26
New cards

Cocktail-party effect

het psychologische verschijnsel waarbij je hersenen in staat zijn om je aandacht te richten op één specifieke geluidsbron (zoals een gesprek), terwijl je alle andere achtergrondgeluiden (zoals pratende mensen en muziek) wegfiltert.

27
New cards

stereotype

een mentale kennisstructuur (een specifiek type schema) over een sociale groep die verwachtingen, eigenschappen en gedrag bevatten die we met de groep associëren.

28
New cards

Consistent information

informatie die overeenkomt met je bestaande kennis, schema's of verwachtingen, of stereotype --> inconsistente informatie komt dus niet overeen

29
New cards

intrusion errors

zijn geheugenfoutjes waarbij je je dingen 'herinnert' die in werkelijkheid nooit zijn gebeurd, maar die wel heel logisch lijken binnen de situatie.

30
New cards

beschikbaarheidsheuristiek

De neiging om de waarschijnlijkheid van gebeurtenissen te beoordelen op basis van gegevens die in het geheugen beschikbaar zijn en vlug en gemakkelijk oproepbaar zijn.

31
New cards

Fundamentele attributiefout

Neiging om het gedrag van anderen toe te schrijven aan hun persoonlijke eigenschappen of karakter, terwijl de invloed van de situatie wordt onderschat.

32
New cards

Heuristieken

eenvoudige vuistregels of mental shortcuts die ons helpen om snel en met weinig cognitieve inspanning oordelen te vormen of beslissingen te nemen.

33
New cards

representativiteitsheuristiek

Iets categoriseren op basis van de gelijkenis met een typisch beeld.

34
New cards

Anker- en aanpassingsheuristiek (Anchoring and adjustment)

Een schatting baseren op een beginwaarde (anker) en die vervolgens (vaak onvoldoende) aanpassen

35
New cards

automatische processen

onbewuste, snelle processen die weinig cognitieve capaciteit kosten en zonder intentie verlopen

36
New cards

gecontroleerde processen

bewuste, trage en inspanningsvolle processen die aandacht vereisen en die je doelbewust kunt sturen

37
New cards

base rate

de objectieve frequentie van een kenmerk in de populatie. het negeren hiervan (base rate neglect) is een veelvoorkomende fout bij de representativiteitsheuristiek. Bijv. je ziet iemand met een neuspiercing, dus bijna iedereen heeft een neuspiercing.

38
New cards

conjunction fallacy

een denkfout waarbij je denkt dat een specifieke combinatie van twee kenmerken waarschijnlijker is dan een enkel kenmerk.

39
New cards

avoidance bias

de neiging om personen of situaties te vermijden waarover je een negatieve indruk hebt gevormd

40
New cards

ingroup heterogeniteit

is de neiging om de leden van je eigen groep (de ingroup) als diverse en unieke individuen te zien

41
New cards

Outgroup-homogeniteit

de perceptie dat iedereen in de outgroup hetzelfde is

42
New cards

prospect theory

beschrijft hoe mensen keuzes maken onder onzekerheid, waarbij de focus ligt op hoe we objectieve uitkomsten subjectief ervaren. vier principes 1.1. mensen beoordelen keuze-opties in termen van winsten en verliezen 2.2. winsten: mensen vermijden risico (risk aversion) 3.3. verliezen: mensen zoeken risico op (risk seeking) 4.4. verliezen wegen zwaarder dan winsten (loss aversion) Dit gebeurd zonder langzame, intentionele denkprocessen.

43
New cards

ease of retrieval

is de subjectieve ervaring van hoe makkelijk of moeilijk het is om informatie uit je geheugen op te roepen. Het is moeilijker om 1212 voorbeelden te bedenken dan om 55 voorbeelden te bedenken.

44
New cards

endowment effect

de neiging om een object of bezit meer waarde toe te kennen simpelweg omdat je het hebt

45
New cards

maxisers

zoeken tot ze de beste optie vinden, hierdoor last van lost aversion en opportunity costs, regret sensitivity & adaption

46
New cards

satisficers

zoeken tot de ze optie vinden die goed genoeg is

47
New cards

framing

de manier waarop informatie wordt gepresenteerd beïnvloedt de keuzes en oordelen van anderen

48
New cards

inhibitory links

zijn verbindingen in een kennisstructuur of associatief netwerk met kenmerken die juist niet geassocieerd zijn met een specifieke categorie

49
New cards

associatief netwerk

Een associatief netwerk is een model waarbij het geheugen wordt gezien als een web van concepten (knopen) die met elkaar verbonden zijn door associaties (links)

50
New cards

Sociale schema's

een mentale representatie van een categorie in je geheugen.

51
New cards

kennishierarchie

de verticale organisatie van informatie in je geheugen, waarbij concepten zijn geordend op basis van hun mate van abstractie.

52
New cards

priming

het (onbewust) vooraf activeren van bepaalde kennis, schema's of concepten in je geheugen. Hierdoor wordt informatie tijdelijk beter toegankelijk, waardoor je de volgende stimulus sneller of makkelijker verwerkt.

53
New cards

expected utility (EU)

inzicht van economen, mensen handelen altijd rationeel. --> niet volgens sociale cognitie niet.

54
New cards

Illusoire corelatie

de waarneming van een verband tussen twee variabelen (zoals een groep en een specifiek kenmerk) terwijl dat verband er in werkelijkheid niet is, of veel minder sterk is dan gedacht

55
New cards

Contrast effect

je oordeel over een persoon of object in de tegenovergestelde richting verschuift van de informatie die op dat moment in je geheugen toegankelijk is

56
New cards

Implicit association test (IAT)

een reactietijdtaak die onbewuste vooroordelen en automatische associaties meet.

57
New cards

lexicale decisie taak

experiment waarin wordt gemeten hoe snel mensen beslissen of een reeks letters een bestaand woord vormt

58
New cards

positive testing

Het zoeken naar bewijs dat je idee ondersteunt heet ook wel tunnelvisie.

59
New cards

confirmation bias

Het zoeken, onthouden en interpreteren van bewijs in lijn met je ideeën en het negeren van tegensprekend bewijs.

60
New cards

negative testing

Het vinden van informatie die jou idee niet ondersteund is minder efficient en dit komt daarom minder vaak voor.

61
New cards

Agent based models

Een groep mensen wordt gerepresenteerd door een groep agents (computer programma's die op een bepaalde manier met elkaar interacteren), ze kennen gedragsregels dus dit kan interessante patronen brengen.

62
New cards

Assimilatie

geactiveerde informatie uit features wordt toegepast --> dit is een vorm van stereotyperen --> mensen kunnen dit dus onderdrukken

63
New cards

ecodering

Het proces waarbij een externe stimulus wordt omgezet in een betekenisvolle mentale representatie door deze te koppelen aan bestaande kennis

64
New cards

truncated search

Het mechanisme waarbij men stopt met het zoeken naar alternatieve verklaringen zodra een 'goed genoeg' passend schema is gevonden, vaak door tijdsdruk of beperkte capaciteit

65
New cards

Construal Level Theory

Het idee dat psychologische afstand (in tijd, ruimte of sociaal) bepaalt hoe we informatie encoderen: nabijheid leidt tot concrete details, terwijl afstand leidt tot abstracte representaties

66
New cards

interne vs externe motivatie (IMS/EMS)

Het verschil tussen de persoonlijke wens om niet bevooroordeeld te zijn (IMS) versus de sociale druk om niet zo over te komen (EMS)

67
New cards

interesting gossip

een strategie waarbij een waarnemer vraagt naar de meest negatieve indruk die iemand heeft van een ander, wat effectief helpt bij het identificeren van 'evil' personen

68
New cards

Wason card selection task

onderzoekt hoe mensen logisch redeneren, hypothese testen en kijkt of ze actief opzoek gaan naar informatie die hun aannames kan ontkrachten.

69
New cards

fundamental attribution error/ correspondence error

de neiging om het gedrag van anderen toe te schrijven aan hun persoonlijke eigenschappen, terwijl de invloed van de situatie wordt onderschat

70
New cards

Fishbein and Azjen's theory of reasoned action

beschrijft hoe ons gedrag wordt gestuurd door de wisselwerking tussen attitudes en sociale normen

71
New cards

semantic concepts

concepten die als bouwstenen werken van kennis in je geheugen

72
New cards

construal level theory (levels)

psychologische afstand tot een object of gebeurtenis bepaalt hoe we deze mentaal representeren. - abstract (high) construal: why - concreet (low) construal: how

73
New cards

reverse correlation task

om onbewuste, mentale representaties visueel te maken. hierbij wordt een foto gefilterd met ruis, de proefpersonen oordelen dan de gezichten of uitdrukkingen.

74
New cards

linguistic category model

vier niveaus van taalabstractie: 1. descriptieve actiewerkwoorden (DAV): zeer concreet en objectief (jan roept tegen piet). 2. interpreterende actiewerkwoorden (IAV): geven een interpretatie aan de handeling (jan beledigt piet). 3. toestand werkwoorden (SV): beschrijven een mentale staat (jan haat piet). 4. bijvoeglijk naamwoord (ADJ): het meest abstract, suggereert persoonlijkheid (jan is agressief).

75
New cards

taalabstractie

de mate van algemeenheid of detial in de woorden die we gebruiken om gedrag of personen te omschrijven. Hoe abstracter de taal, hoe meer informatie over de persoon en hoe minder over de situatie

76
New cards

Linguistic intergroup bias (LIB)

we omschrijven positief gedrag aan onze eigen groep, terwijl we negatief gedrag onze eigen groep heel concreet en incidenteel omschrijven.

77
New cards

linguistic expactancy bias

de neiging om gedrag dat we verwachten in abstracte termen te beschrijven, terwijl we gedrag dat we niet verwachten in concrete termen beschrijven.

78
New cards

stereotypic explanatory bias

de neiging om gedrag dat in strijd is met onze verwachtingen direct weg te verklaren door middel van een extreme oorzaak, dan hoef je je stereotype niet aan te passen.

79
New cards

conversationele normen

ongeschreven regels die we volgen om gesprekken effectief en begrijpelijk te maken. Gebaseerd op het cooperatief principe met vier maximes: kwantiteit (niet te veel/weinig), kwaliteit (waarheid), relatie (relevantie), en manier (duidelijk/geordend).

80
New cards

pragmatic persuasion

sociale beïnvloeding waarbij de ontvanger conclusies trekt die verder gan dan de letterlijke betekenis van een boodschap, gebaseerd op de veronderstelde doelen van de zender.

81
New cards

attitude

de psychologische neiging die tot uiting komt in de evaluatie van een specifiek entiteit met een zekere mate van voorkeur of afkeur

82
New cards

summary evaluation

de opgeslagen eindconclusie of evaluatie van een object in je geheugen

83
New cards

MODE-model (Motivation and Opportunity as DEterments)

stelt dat Motivatie en Gelegenheid (opportuntity) bepalen of we vertrouwen op direct beschikbare, opgeslagen attitudes of dat we ter plekke een nieuwe evaluatie construeren.

84
New cards

Evaluatieve conditionering

Het veranderen van de waarheid van een neutrale stimulus door deze herhaaldelijk te koppelen aan een positieve of negatieve stimulus

85
New cards

APE-model

Associative-Propositional Evaluation: een model dat onderscheid maakt tussen automatische associaties (onafhankelijk van waarheid) en propositionele processen (gebaseerd op waarheidsclaims).

86
New cards

mere exposure

de bevinding dat loutere herhaalde blootstemming aan een stimulus leidt tot een meer positieve evaluatie ervan

87
New cards

Saying-is-believing (SIB)

Het effect waarbij het aanpassen van een boodschap aan de opvatting van het publiek ertoe kan leiden dat de zender zijn eigen herinnering en attitude in die richting aanpast.

88
New cards

expliciete meting

likert schalen (0100-10) en sematische differentiaal (positief-negatief)

89
New cards

impliciete metingen

attitudes meten zonder tussenkomst van beredenerende processen.

90
New cards

propostionele processen

bewuste, gecontroleerde en talige denkprocessen waarbij de hersenen informatie evalueren op basis van feiten, logica en waarheidswaarde.

91
New cards

prejudice

attitude ten opzichte van sociale categoriën

92
New cards

values

attitudes ten opzichte van globale eind-doelen

93
New cards

self-esteem

attitude ten opzichte van jezelf

94
New cards

interpersonal attraction

attitude ten op zicht van anderen

95
New cards

mood-as-information

de stemming waarin mensen zitten gebruiken mensen als informatiebron bij het vormen van een oordeel

96
New cards

heuristieke cues

hoe je attitude onderandere kan veranderen. bijv. experts hebben gelijk, anderen doen het ook, de boodschap is leuk/kort & duidelijk, het product is schaars.

97
New cards

mood-cungruent memory

Het verschijnsel dat je gemakkelijker herinneringen ophaalt die passen bij je huidige stemming (bijv. blije herinneringen als je vrolijk bent)

98
New cards

state-dependent memory

Informatie die in een bepaalde stemming is opgeslagen, wordt beter teruggehaald wanneer je je weer in diezelfde stemming bevindt

99
New cards

mood repair

De actieve motivatie om een negatieve stemming te verbeteren, bijvoorbeeld door doelbewust positieve gedachten op te zoeken

100
New cards

about-ness-principe

De neiging om je huidige gevoel automatisch toe te schrijven aan het object waar je op dat moment je aandacht op richt