Filosofie eindtermen 3

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/19

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 10:27 AM on 5/19/23
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

20 Terms

1
New cards
41\. De kandidaten kunnen een definitie geven van het begrip institutie en het onderscheid aangeven tussen harde en zachte instituties. Daarbij kunnen zij beargumenteren dat het goede leven zonder instituties niet denkbaar is maar dat instituties ook een bedreiging kunnen zijn voor het goede leven.


Een institutie bestaat uit min of meer vaste, gedeelde handelspatronen met het doel samen te kunnen realiseren wat men goed vindt.



Harde instituties zijn tastbaar en aanwijsbaar (bijv. gezin, school, staat, bedrijf, rechtbank, kerk, vakbond) met aanwijsbare machtspunten, dwz gezagsdragers: ouders, agenten, managers, politici.  



Zachte instituties zijn bijv. moraal, gebruiken, artistieke conventies.



Instituties zijn noodzakelijk voor GL, want ze regelen het verkeer in de samenleving, maken samenwerking mogelijk en beschermen individuele vrijheid.



Instituties kunnen bedreigend zijn voor GL, omdat ze macht uitoefenen over de mensen die ermee te maken hebben en mensen die er niet bij betrokken zijn kunnen uitsluiten, bijv. door grenzen te sluiten of je uit de club te gooien.
2
New cards


42\. De kandidaten kunnen met behulp van voorbeelden uitleggen op welke manier instituties met elkaar samenhangen, elkaar vooronderstellen en het menselijk samenleven mogelijk maken en vormgeven. Tevens kunnen zij uitleggen dat instituties de persoonlijke vrijheid en het goede leven kunnen ondermijnen.


Instituties:



• hangen met elkaar samen en vooronderstellen elkaar, bijv. gezinnen binnen families en



bedrijven, politie, rechtspraak en vakbonden binnen staten;



• maken menselijk samenleven mogelijk en geven er vorm aan, bijv. de zorg voor kinderen



in een gezin; de zorg voor ouderen in een familie; het samenwerkingsverband in bedrijven,  zorginstellingen en onderwijs; een rechtsstaat beschermt negatieve vrijheid (vrij zijn van dwang) en bevordert positieve vrijheid (de mogelijkheid om eigen keuzes te maken, bijvoorbeeld voor een opleiding of het beginnen van een eigen onderneming);

• kunnen persoonlijke vrijheid en GL ondermijnen door bijvoorbeeld machtsmisbruik, onderdrukking en het in standhouden en bevorderen van ongelijkheid in gezin, instelling of bedrijf
3
New cards


43\. De kandidaten kunnen met behulp van de begrippen onderbouw, bovenbouw, bourgeoisie, klassenbelang en vals bewustzijn de kritiek van Marx op instituties uitleggen, toepassen en beoordelen.


Marx bekritiseert instituties. Volgens hem bestaat een maatschappij uit:



• een onderbouw die gevormd wordt door de verdeling van productiemiddelen en kapitaal,



door arbeidsdeling en door economisch verkeer;



• een bovenbouw van ideeën (over religie, wetenschap, kunst en moraal) die horen bij



instituties die de bestaande onderbouw van sociaaleconomische omstandigheden



rechtvaardigen.



De bourgeoisie is de rijke burgerij, de hogere klasse, die de productiemiddelen in handen heeft en als klasse belang heeft bij handhaving van de status quo waarin arbeiders en proletariaat worden uitgebuit.



Het vals bewustzijn van de bourgeoisie houdt in dat men niet beseft dat de eigen ideeën voortkomen uit de behoefte aan het handhaven van de bestaande orde; in de godsdienst bijvoorbeeld het idee van de Tien Geboden, waarin gezegd wordt dat men zes dagen moet arbeiden; in de economische wetenschap bijvoorbeeld dat men meent dat kapitalisme en VM objectief en rationeel te rechtvaardigen zijn terwijl hier eigenlijk een klassenbelang mee wordt gediend, namelijk het belang van de bougeoisie.
4
New cards


44\. De kandidaten kunnen Foucaults kritiek op instituties aan de hand van de begrippen macht, onderdrukking, normalisering en disciplinering uitleggen, toepassen en beoordelen.


Foucault bekritiseert instituties aan de hand van de begrippen



• macht: in iedere collectieve organisatie onderwerpen individuen zich onbewust aan



machtsuitoefening (bijv. hoe men zich moet kleden of gedragen om bij de groep te



horen);



• onderdrukking: wat afwijkt van 'normaal' wordt weggedrongen;



• normalisering: de bestaande toestand geldt als 'normaal' en nieuwkomers gaan die als



normaal beschouwen;



• disciplinering: men wordt onderworpen aan de macht van instituties, bijv. huwelijk,



school, rechterlijke macht, ambtenarij.

Een bezwaar dat men tegen Foucaults analyse kan hebben: hij heeft weinig oog voor de positieve functie van instituties, bijv. liefde in gezin of de waarde van de staatsmacht om individuele rechten en vrijheden te garanderen.
5
New cards


45\. De kandidaten kunnen de kritiek van Habermas op het proces van modernisering weergeven aan de hand van het onderscheid tussen instrumentele en communicatieve rationaliteit. Daarbij kunnen zij de opvatting van Habermas dat de leefwereld en het goede leven kunnen worden gekoloniseerd door het bureaucratische en het economische systeem uitleggen, toepassen en beoordelen.


In zijn kritiek op het proces van modernisering onderscheidt Habermas:



• instrumentele rationaliteit: de bureaucratische rationele beheersing van onze staat en



VM, gericht op efficiency;



• communicatieve rationaliteit: de moreel- en esthetisch-praktische rationaliteit in onze



leefwereld, waarin wij discussiëren over goede doelen die we samen willen nastreven door het eens te worden; dit is de publieke sfeer van het communicatieve handelen (bijv. in milieubeweging, vrouwenbeweging en antiglobalisme).



In de moderne tijd dreigt deze communicatieve leefwereld gekoloniseerd te worden door het bureaucratische en economische systeem. Dit gebeurt zowel openlijk als in het verborgene, bijv. door commercie in zorg en media (presentatie van nieuws en selectie van informatie en aanbiedingen door Google en Facebook).L



Advies van Habermas: we moeten instituties zoveel mogelijk democratiseren, zodat we daar zeggenschap over krijgen en ook andere waarden inbrengen dan alleen economische of rationeel-efficiënte.
6
New cards


47\. De kandidaten kunnen uitleggen dat het Panopticum van Bentham volgens Foucault model staat voor moderne machtsuitoefening door instituties. Zij kunnen daarbij uitleggen:



− dat in het Panopticum macht automatiseert en ontindividualiseert;



− dat de gedetineerde het principe van zijn onderwerping – dwang – overneemt en op

zichzelf toepast.


In het panopticum wordt macht uitgeoefend door de gevangene zichtbaar te maken. I.p.v. zich te kunnen verschuilen in de anonimiteit van de menigte, het duister van de kerker, wordt de gevangene als individu tentoongesteld. De wetenschap dat hij ieder moment in de gaten gehouden wordt werkt disciplinerend. Door het besef dat hij zichtbaar is neemt de gedetineerde de dwang van de macht over en past die toe op zichzelf; automatisering van de macht (Denk aan camera’s op straat (China), bodycams gebruikt door de politie, God, Sinterklaas....) Er hoeft niemand daadwerkelijk in het panopticum te zitten (net zoals er niet in elke ‘camera’ een echte camera hoeft te zitten). Daarbij wordt de macht ontindividualiseerd; instituties hebben geen gezicht, geen identiteit, ze zijn onpersoonlijk.



Denk aan de belastingdienst: er is geen persoon meer die aangesproken kan worden. Het is het systeem tegenover de individuele burger, die zichzelf onderwerpt.
7
New cards


DE KANDIDATEN KUNNEN UITLEGGEN DAT MENSEN DE VRIJHEID HEBBEN OM ZICH OP VERSCHILLENDE MANIEREN TE VERHOUDEN TOT HUN EIGEN LICHAMELIJKHEID EN DAARVAN VOORBEELDEN GEVEN.


●      Wij mensen hebben de vrijheid van hoe we ons verhouden tot ons lichaam. We hebben zelf de keuze om bepaalde behoeftes te weigeren of na te gaan. Als ik geen zin heb om een bepaalde behoefte te vervullen, dan kan ik dat weigeren. Tenzij ik het wel wil en dan kan ik erin mee gaan. Ook hebben wij de vrijheid om ons uiten op verschillende manieren. We kunnen ons onderscheiden van anderen. Maar die lichamelijkheid heeft wel grenzen. Wij bepalen niet wanneer we leven of dood gaan. Ook moeten we eten en drinken op een gegeven moment, anders ga je dood.



 



\-        Een voorbeeld daarvan is met eten is als we honger hebben, kunnen we nadenken om het iets later te doen, omdat we het momenteel druk hebben. Net als in de les weet ik dat ik nu niet kan eten en het later moet. Terwijl een dier dat niet kan en die zal gelijk op zoek gaan naar eten.



 



\-        Een voorbeeld van de vrijheid om op je eigen manier jezelf te uiten tot te wereld is het hebben van bijvoorbeeld een tattoo, gekleurd haar of een andere kledingstijl. Die uitmaakt wie jij bent. Het individualiseert onszelf.
8
New cards


DE KANDIDATEN KUNNEN AAN DE HAND VAN VOORBEELDEN UITLEGGEN DAT MENSEN ZICH ONDERSCHEIDEN VAN DIEREN DOOR ENERZIJDS EEN GEBREKKIG INSTINCT EN ANDERZIJDS DOOR DE NOODZAAK ZELF NA TE DENKEN EN HUN EIGEN OMGEVING TE VORMEN. TEVENS KUNNEN ZE UITLEGGEN DAT DE VRIJHEID DIE MET DIE KEUZES GEPAARD GAAT OM KAN SLAAN IN VERSLAVING EN HET TENIET DOEN VAN INDIVIDUELE AUTONOMIE.


●      De mens heeft een instinct die geen duidelijke sturing geeft, vandaar dat we onze rede moeten gebruiken om ons aan te passen aan onze omgeving en behoeftes. Dieren hebben integendeel tot mensen wel een instinct die een duidelijke sturing geeft. Vandaar dat Nietzsche de mens een ziek dier noemt. Wij hebben alles nodig om te overleven: kleding, warm eten en nog veel meer. Wij passen de omgeving aan om te overleven.



 



\-        Een voorbeeld daarvan is met eten is als we honger hebben, kunnen we nadenken om het iets later te doen, omdat we momenteel druk hebben. Net als in de les weet ik dat ik nu niet kan eten en het later moet. Terwijl een dier dat niet kan en die zal gelijk op zoek naar eten gaan.



 



\-        Een voorbeeld van het vormen van de omgeving is wat wij tegenwoordig veel zien met de klimaatverandering. Doordat de mens de behoefte heeft om het warm te hebben, om meer land te hebben en andere dingen waar bomen voor nodig zijn, is de mens in staat om de omgeving te veranderen voor zijn eigen welzijn. De mens zal dus de bomen omkappen, om daar bijvoorbeeld huizen te plaatsen of om het te gebruiken om het warm te krijgen.



 



●      Maar doordat we de keuze hebben om bepaalde handelingen uit te voeren hebben kan het ervoor zorgen dat onze individuele autonomie zal verminderen. Dat komt onder andere door verslaving. Door verslaving kun je denken dat je iets niet wilt, maar omdat je verslaafd bent is je lichaam als het ware verplicht om het te doen. Omdat die verslaafd is. Het beperkt de vrijheid dus.



 

Een voorbeeld daarvan is een persoon met obesitas. Hoe graag dat persoon ook niet wilt eten. Hij moet eten, omdat hij niet anders kan. Het is een soort van verslaving die die niet kan weerstaan.
9
New cards


DE KANDIDATEN KUNNEN MET BEHULP VAN VOORBEELDEN UITLEGGEN DAT LICHAMELIJKE BEHOEFTES EN VERLANGENS ONDERDEEL ZIJN VAN MENSELIJKE IDENTITEIT, EEN VERSTANDELIJKE EN CULTURELE DIMENSIE HEBBEN EN NIET ZUIVER PARTICULIER ZIJn


●      Bij de menselijke identiteit hoort het  hebben van lichamelijke behoeftes bijvoorbeeld dat we moeten eten, en daarbij hoort de verlangen om te gaan eten. Die twee lopen altijd via de wil volgens kant. Door het hebben van de wil bepalen we zelf of we meegaan in onze behoefte of we er tegen verzetten. Maar onze lichamelijke behoeftes kunnen we niet altijd natuurlijk vervullen. We hebben onze rede nodig om die behoeftes te vervullen. En dat delen we met anderen. Die anderen kunnen ermee opgroeien en eraan wennen → cultuur. Hegel vindt het meedoen met de culturele dimensie een vorm van vrijheid, omdat we onze natuurlijke behoeftes overstijgen en erkenning zoeken bij de mensen die behoren tot je cultuur. René Girard vond dat juist niet. Hij vond het niet particulier en juist geen vrijheid, omdat je de ander als het ware na aapt. mimetische begeerte wordt dat ook wel genoemd. Doordat een ander iets wilt, wil de ander het ook.



 

Een voorbeeld is tajine. Als ik dat aan een Nederlander zou geven, zou die het apart vinden. Hij is er niet aan gewend, terwijl het voor een Marokkaan dood normaal is om dat te eten → cultuur
10
New cards


DE KANDIDATEN KUNNEN UITLEGGEN



DAT DOOR DE TECHNIEK EEN ONTLIJVING VAN HET LICHAAM HEEFT PLAATSGEVONDEN EN DAT HET LICHAAM EEN CONSUMPTIEARTIKEL IS GEWORDEN. DAARBIJ KUNNEN ZIJ DE BEGRIPPEN VIRTUALISERING, GENOT EN MANIPULATIE BETREKKEN.


Door techniek heeft de mens minder betrekking tot bijvoorbeeld werk. Waar eerst de hand voor werd gebruikt, is er nu een machine die het werk overneemt. Door dat machines het werk overgenomen hebben, worden we als het ware ontlijfd van ons lichaam. En doordat we dat werk niet meer hoeven uit te voeren gaan we opzoek naar genot. En genot komt van het consumeren. Maar bij dat genot komt een vorm van manipulatie voor. Door reclame worden we onbewust gemanipuleerd om bepaalde producten te kopen, dat volgens hen voor genot zou gaan zorgen. En daarnaast speelt virtualisering ook een grote rol. Door het plaatsen van bijvoorbeeld foto’s wordt er erkenning gezocht met betrekking tot de uiterlijk inplaats van je innerlijk.



 



 

*Volgens Bentham zijn we autonoom als we genot nastreven en pijn vermijden, maar volgens Kant zijn we juist vrij als we met onze reden weerstand bieden aan onze genot sprinkels. Freud zegt dat we die bewuste keuze op weerstand helemaal niet kunnen maken en dat we geleid worden door onbewuste driften en Hannah Arendt laat zien dat onze moderne nader op arbeiden er toe leidt dat alles gezien wordt als goederen om te consumeren, inclusief ons lichaam dus*
11
New cards


46\. De kandidaten kunnen het onderscheid tussen het Angelsaksische en het Rijnlandse model als varianten van het idee van de vrije markt uitleggen, toepassen en beoordelen. Daarbij kunnen zij aangeven wat in beide modellen de verschillen zijn in de bedrijfscultuur aan de hand van het onderscheid tussen recht en moraal en het onderscheid tussen shareholder-capitalism en stakeholder-capitalism.


Op de VM bestaat er een



• Angelsaksisch model met als basis het shareholder-capitalism; daarin gaat het primair



om het tevredenstellen van de aandeelhouders door het behalen van maximale winsten; individuele ondernemers dienen een zo groot mogelijke vrijheid te hebben om hun eigenbelang na te streven;



• Rijnlands model met als basis het stakeholder-capitalism; naast vrijheid voor de ondernemer zijn ook gelijkheid en solidariteit tussen de betrokkenen bij de onderneming (stakeholders) belangrijke waarden; het bedrijf wordt gezien als een gemeenschap; elke medewerker is een homo cooperans; er moet een goede sociale wetgeving zijn tbv goede arbeidsomstandigheden; er is overleg en medezeggenschap; bedrijven werken binnen verzorgingsstaten met onderwijs en zorg voor iedereen en een sociale markteconomie die gericht is op duurzaamheid op de lange termijn.
12
New cards


De kandidaten kunnen de opvatting van Bentham uitleggen, toepassen en beoordelen dat ons handelen wordt bepaald door het nutsprincipe en de mens primair wordt opgevat als een belichaamd zelf dat allerlei prikkels ondergaat en gedreven wordt door het najagen van genot en het voorkomen van pijn. Tevens kunnen zij uitleggen dat Benthams benadering een vorm is van modern economisch denken, waarbij de consument calculerend bezig is om zijn leven zo aangenaam mogelijk te maken


Bentham staat bekend als de grondlegger van het utilisme. We moeten altijd van hem kiezen en zullen kiezen wat genot veroorzaakt en pijn vermijdt.

Hij heeft een bekende nutsprincipe, van het latijnse woord utilus, nut. Een handeling is nuttig als het plezier, geluk of voordeel te weg brengt of wanneer het in iederen geval pijn of ongeluk tegen gaat. Een handeling is niet nuttig wanneer het meer pijn dan genot oplevert. Pijn betekent niet simpelweg de “au” prikkel. Als je walgt van de smaak van spruitjes dan is dat ook pijn. Genot is dan ook niet alleen waar je een “wauw” ervaring van krijgt. Een goed boek lezen is ook al genot. Het gaat hier dus om het gevolg van een handeling en daarom wordt zijn utilisme ook wel een consequentialistische ethiek genoemd. Goede handelingen zijn handelingen die goede gevolgen hebben, dus in het geval van Bentham: plezier & genot. Slechte handelingen zijn handelingen die slechte gevolgen hebben dus pijn & ongeluk. Die moeten dus vermeden worden. Bentham reduceert het menselijk handelen tot  twee principes: pijn & genot. Dat zijn hele lichamelijke zaken. De mens is daarom volgens Bentham een belichaamd zelf, dat allemaal lichamelijke prikkels ondergaat. We ervaren pijn en plezier. We kiezen liever voor genot dan voor pijn.



Met het vermijden van pijn en het zoeken van genot streven wij naar het grootste geluk voor het grootste aantal mensen. Daarbij gebruiken we een hedonistische calculus op basis van criteria als intensiteit, duur, zekerheid en snelheid. Alles, zowel lichamelijk als geestelijk genot, is in getallen uit te drukken en dus calculeerbaar. (voorbeeld hoestdrank vies dus pijn  maar uiteindelijk nodig om de pijn te verminderen, om beter te worden.) Het moet ook voor het geheel goed zijn (belasting is poep dus pijn, maar uiteindelijk kan je met dat geld een probleem oplossen). Met deze calculus is Bentham een voorloper van het moderne economische denken van de burger die calculerend winkelt of het web afstruint. Ook de overheid stimuleert dit calculeren (bijv. door keuzevrijheid in zorgverzekering). We bekijken alles in termen als kosten en baten. → rekensom. Wat leidt tot genot → goed. wat leidt naar pijn → slecht. Dat betekent dat we geen moeite willen doen, want moeite is moeizaam dus pijnlijk. We willen zoveel kort termijn geluk en hebben geen zicht op de lange termijn.

Volgens Bentham zijn mensen een belichaamd zelf en wordt hun handelen bepaald door het nutsprincipe. Mensen ondergaan prikkels, zoeken genot/plezier en vermijden pijn. Genot en pijn bepalen wat we moeten (norm) en zullen doen (feit). Bentham is tegen ascetisme.

Met het vermijden van pijn en het zoeken van genot streven wij naar het grootste geluk voor het grootste aantal mensen. Daarbij gebruiken we een hedonistische calculus op basis van criteria als intensiteit, duur, zekerheid en snelheid. Alles, zowel lichamelijk als geestelijk genot, is in getallen uit te drukken en dus calculeerbaar. Met deze calculus is Bentham een voorloeer van het moderne economische denken van de burger die calculerend winkelt of het web afstruint. Ook de overheid stimuleert dit calculeren (bijv. door keuzevrijheid in zorgverzekering). De moderne VM is in dit denken de leverancier van comfort en individuele genotsbeleving.
13
New cards


De kandidaten kunnen de opvatting van Kant dat de goede wil – als het vermogen om zichzelf te bepalen – het grondprincipe is van ons handelen uitleggen, toepassen en beoordelen. Tevens kunnen zij vanuit deze opvatting kritiek leveren op de utilitaristische opvattingen van Bentham door uit te leggen dat we onvrij – en niet autonoom – zijn als we ons niet laten leiden door redelijkheid maar door lichamelijke prikkels van genot en pijn.
Volgens Kant is de goede wil het basisprincipe van ons handelen. De wil is het oorspronkelijke vermogen zichzelf te bepalen. De wil kan zich laten leiden door de rede of door neiging. De wil is verbonden met ons vermogen om te denken en een voorstelling te maken van wat ons te doen staat. Kant levert hiermee kritiek op het utilitarisme van Bentham: volgens Kant maakt het lichamelijke genot principe ons onvrij, want we maken ons dan afhankelijk van lichamelijke behoeften; onze redelijkheid daarentegen maakt ons autonoom; op redelijke gronden moeten we het goede willen, ook al gaat dat in tegen onze natuurlijke neigingen. Een strenge, protestants aandoende moraal van plichten!

wil vrij zelf regel bedenkt en volgt. Als die voldoet aan de categorisch imperatief dan goede wil mens niet alleen als middel maar ook doel

Kortom de goede wil is de basisprincipe van ons handelen. De wil is vrij en bedenkt zelf e regels en volgt ze. Maar het is pas een GOEDE wil als het ook nog eens voldoet aan de categorisch imperatief, dat inhoudt dat het ook voor iedereen als regel zou moeten kunnen zijn en het zichzelf niet onmogelijk maakt als dat gebeurt. Hij is tegen de utilitaristische opvattingen van Bentham, omdat het volgen van je lichamelijke behoeftes onvrij is. Je lichamelijke behoeftes komen uit de natuur dus als je dat volgt is dat niet volgens jezelf. Integendeel tot je redelijkheid die autonoom is. Ook al hebben we natuurlijke neigingen om iets te doen, je moet alsnog het goede willen door middel van je reden.
14
New cards


De kandidaten kunnen met voorbeelden uitleggen dat passies zich volgens Freud manifesteren buiten het bewustzijn om, onder meer in ons consumptiegedrag. Daarbij kunnen zij hierover een beargumenteerd standpunt innemen.


Volgens Freud manifesteren passies zich in ons consumptiegedrag zonder dat we ons



daarvan bewust zijn. De ziel bestaat uit drie delen: Ich, Es en Über-ich. Het Ich is het



bewuste deel; het Es het onderbewuste met daarin lusten (in het bijzonder seksuele) en



driften die zich in getransformeerde gedaante uiten in ons gedrag. Het kopen van een dure



auto, bijvoorbeeld, of hard rijden is een getransformeerde seksuele energie; shoppen, chips



eten en in Facebook bladeren komen voort uit verveling en onbevredigde seksuele



gevoelens. Het sociale is een sfeer van onderdrukte (suppressie) en verdrongen (repressie) seksuele verlangens door collectieve gedragsregels, gedicteerd door het Über-ich of geweten, dat lusten sublimeert tot sociaal geaccepteerd gedrag. Sinds de jaren 60 van de vorige eeuw hoeven we die lusten niet meer te onderdrukken, maar mogen we eraan toegeven. Het kopen van een auto, aftershave of schoenen wordt gepromoot met verleidelijke beelden van een mooie vrouw die je daarmee binnen bereik krijgt.

Mogelijke kritiek op Freud: Er zit meer achter ons consumeren dan seksuele drijfveren innerlijke leegte of gemis aan zin zijn minstens zo aannemelijk als verklaring.
15
New cards


55\. De kandidaten kunnen het onderscheid dat Arendt maakt tussen arbeiden, werken en handelen uitleggen, toepassen en evalueren. Daarbij kunnen zij uitleggen dat volgens Arendt in de moderne consumptiemaatschappij arbeiden dominant is geworden.
Arendt ziet arbeiden als bezig zijn __om te overleven__ in de natuurlijke omgeving (de bezigheid van slaven en vrouwen in het oude Griekenland; vrije burgers voelden zich daar te goed voor): men produceert en consumeert zonder dat daardoor een bestendige wereld tot stand komt. (landbouw)

\
Werken ziet zij als __het creëren van duurzame zaken__: gebouwen, werktuigen, kunstwerken; men ontworstelt zich hiermee aan de natuur en de vergankelijkheid van de natuurlijke cycli. Het kost inspanning, maar men is in het werk vrijer dan bij arbeid. (cultuur en eigen menselijke activiteit)

Handelen betekent: nieuwe initiatieven ontplooien; dat doet men vooral in de politiek, dmv debat, beraad en beslissingen. Dit gebeurt in een sfeer van vrijheid en wederzijds oordeel; de mens ontplooit zich als individu. bouwen aan een betere samenleving.

In het oude Griekenland had handelen het meeste aanzien. In de moderne tijd staat arbeid centraal; men is bezig in een sfeer van noodzaak, onderworpen aan een cyclus van ontstaan en vergaan. De mens wordt onder invloed van het protestantisme gezien als een animal laborans. De aandacht in economie en filosofie gaat vooral uit naar vragen over arbeid, consumptie en bezitsverhoudingen. Alles wordt consumptiegoed; men maakt geen duurzame producten; de cyclus van productie, consumptie en afval verloopt steeds sneller. Zelfs kunst is tegenwoordig vooral bedoeld als tijdverdrijf en niet voor het maken van iets moois of eeuwigs.

Werk en acties of handelingen (waardoor mensen echt tot mensen gemaakt worden) verdwijnen. We leven in een consumptieve privésfeer en laten de publieke sfeer links liggen.
16
New cards


56\. De kandidaten kunnen de volgende opvattingen die een ‘lichaamsethiek’



voorbereiden, uitleggen, toepassen en beoordelen:



− de opvatting van de stoïcijnen dat een levenshouding van apatheia kan worden



bereikt door de passies met de rede onder bedwang te houden;



− de opvatting van Plato en Aristoteles waarin het lustvol verlangen (epithumia) tegenover de emotionele bezieling (thymos) staat en de moderne interpretatie van thymos (van Fukuyama en Sloterdijk)


GL is volgens de Stoa leven in overeenstemming met de kosmos, het geordende harmonische geheel dat wordt bestuurd door de Logos of Ratio. Gevoelens en verlangens in ons kunnen ingaan tegen datgene wat in de redelijke orde van de natuur is gelegen en daarom moeten wij die passies en emoties beheersen of zelfs onderdrukken. Je gevoelsmatig hechten aan zaken die je niet in je macht hebt, zoals geld, schoonheid of geliefden, kan leiden tot hebzucht, jaloezie, angst en verdriet. Dit moet je zien te voorkomen door apatheia na te streven, een levenshouding waarin die passies en emoties tot rust zijn gebracht. Je komt dan uit bij deugden als matigheid, vrijgevigheid en vrij zijn van afgunst. De soberheid en zelfdiscipline die de Stoa predikt zijn een vorm van (volgens critici negatieve)

'lichaamsethiek'.

 Plato en Aristoteles onderscheiden naast de rede en de 'lagere' lustvolle vegetatieve verlangens (naar eten, drinken en seks) ook nog een derde deel van de ziel, waarin hogere behoeftes en verlangens schuilgaan: de thymos, wat wij gemoed, of hart en ziel, of bezieling zouden noemen. De thymos is gericht op zaken die van waarde voor je zijn en waarvoor je het lagere lichamelijk genot wel wil inruilen. Vechten voor je land of trainen voor sportprestaties vind je belangrijker dan puur lichamelijk genot en daar wil je best voor afzien of pijn lijden. (Denk hierbij ook aan eerdere eindtermen over de verschillende soorten deugden bij Aristoteles, en dan met name de ethische deugden, en de drie delen van de ziel

volgens Plato, waarvan het thymotische/strevende deel hier het meest relevant is.

In de metafoor van de tweespan paarden en de menner wordt dat deel uitgebeeld door het goede paard).

Deze thymos wordt ook belangrijk gevonden door de filosofen Fukuyama en Sloterdijk. Zij bekritiseren daarmee de vooronderstelling van ons denken over economie waarin het zinnelijk (lichamelijk) verlangen centraal staat en de mens gebonden is aan zijn begeerten. Mensen worden volgens hen ook geleid door meer hoogstaande behoeften, die tegen de economische en seksuele begeerte in kunnen gaan.
17
New cards


De kandidaten kunnen aangeven wat Kant verstaat onder goede wil en kunnen uitleggen dat deze volgens hem van absolute waarde is.
De goede wil is de zuivere wil: de wil die het goede wenst omwille van dat goede zelf. Dus de wil die de plicht uit achting voor de wet wenst. Je wil de waarheid spreken omdat je eerlijkheid wenst. Niet omdat je daar persoonlijk voordeel mee wilt behalen. Deze goede wil is van absolute waarde omdat er niets is dat haar beter maakt. Allerlei andere eigenschappen: verstand, beheersing zijn namelijk niet intrinsiek goed maar slechts goed als er een goede wil is. Een beheerst iemand kan namelijk het goede doen, maar een beheerst slecht iemand (zonder goede wil) is vreselijk. Ook geluk maakt de goede wil niet beter. Ook een slecht mens kan immers gelukkig zijn. De goedheid van beheerstheid of geluk zijn dus toevallig en niet absoluut. Kant merkt hier op dat dit idee dat de goede wil geen geluk of nut nodig heeft om te schitteren, merkwaardig over kan komen.

Absolute waarde is waardevol vanuit zichzelf en niet van zichzelf. Het is waardevol zonder dat het afhankelijk is van iets anders. De goede wil heeft alleen een intrinsieke onvoorwaardelijk waarde, omdat het de voorwaarde is voor alle goede handelen. De goede wil is niet goed door de gevolg ervan. Het is alleen goed als je het wilt. Ookal leidt de goede wil tot niets, dan is het goed. Het gaat namelijk niet om de resultaat ervan. De goede wil is de voorwaarde om goed te handelen. Het is goed vanuit zichzelf. De goede wil is het vermogen om als redelijk wezen te bepalen wat goed is om te doen. Doormiddel van de algemene principe, dat is de categorische imperatief. 
18
New cards


De kandidaten kunnen uitleggen dat het vrije handelen volgens Kant aan een wetsvorm gebonden is. Tevens kunnen zij aan welke specifieke eis de wetsvorm van het goede handelen moet voldoen.


Vrij handelen is handelen zonder neigingen (die zijn immers niet gekozen). Je moet boven je omstandigheden staan. Je handelt vrij als je de plicht wenst omwille van de wet. In alle gevallen wil je de plicht, dan handel je zuiver of vrij. Dit ‘in alle gevallen’ laat zien dat vrij handelen aan een wetsvorm geboden is en wel aan de categorische imperatief: ik behoor nooit anders te werk te gaan dan zo dat ik ook redelijkerwijs zou kunnen willen dat mijn maxime een algemene wet zou worden.

vrij handelen is autonoom handelen vanuit je rationeel besef je volgt een rationele plicht. Je wil die plicht ook en daarom ben je vrij. Die algemene plicht die je als redelijk wezen wilt volgen is de algemene wetmatigheid. Omdat je vanuit je vrijheid en plicht wilt volgen is het vrij handelen gebonden aan een algemene wetmatigheid. Je kunt niets slechts willen. Je hebt misschien slechte neigingen of gewoontes maar dat is niet wat je echt wilt. Je wil is rationeel. Het moet bepaald worden door de wet
19
New cards
59\. De kandidaten kunnen uitleggen dat Arendt de kunstenaar de enige overgebleven ‘werker’ in een maatschappij van arbeiders noemt en dat in de moderne tijd alle activiteiten van de mens die geen arbeid zijn, spel of hobby genoemd worden.
De kunstenaar is niet zozeer gericht op consumptie (de kost verdienen), maar wil iets maken. De kunstenaar is daarom geen arbeider, maar een werker. De kunstenaar wil nog iets scheppen en niet enkel om dit te consumeren. Tegelijkertijd beschouwt de moderne samenleving alles dat zich niet richt op de kost verdienen als een soort van spel of hobby. De emancipatie van de arbeid is veranderd in de onbetwiste overheersing door de arbeid.
20
New cards


60\. De kandidaten kunnen uitleggen dat Marx’ ideaal van de animal laborans volgens Arendt op een verkeerde vooronderstelling berust en dat dit ideaal noodzakelijk leidt tot een economie van verspilling, waardoor de mens uiteindelijk zijn tehuis zal verliezen. Tevens kunnen zij deze opvattingen van Arendt herkennen, toepassen en beoordelen.
\
De moderne tijd laat volgens Arendt een overwinning zien van de animal laborans (de arbeidende mens) op de homo faber (de makende mens) en het zoӧn politikon (de mens als politiek dier). De waarden van werk en homo faber (permanentie, stabiliteit, duurzaamheid) en de waarden van zoӧn politikon (vrijheid, pluraliteit en solidariteit) zijn vervangen door de waarden van homo laborans: productiviteit en overvloed. Marx droomde van het vrij maken van de mens van de arbeid. Bevrijding van de arbeid is namelijk bevrijding van de noodzaak. Maar volgens Arendt kan de mens niet bevrijd worden van deze noodzaak, omdat consumptie ook de voorwaarde voor menselijk leven is. Arendt wijst erop dat de mens dan weliswaar bevrijd is geraakt van de arbeid, van al het zwoegen en zweten, maar niet van de noodzaak. De noodzaak bestond uit arbeid en consumptie. Met de bevrijding van de arbeid is de consumptie gegroeid. Er is dus geen bevrijding van de noodzaak, maar er is slechts een verschuiving opgetreden: de mens arbeidt niet veel meer, maar spant zich nu in om te consumeren. De bevrijding van werk (door automatisering) heeft niet tot een bevrijding van noodzaak geleid. Sterker nog: de enorme groei van de productiemogelijkheden heeft al het duurzame van de wereld ondermijnd. Niets hoeft behouden te blijven, alles kan opnieuw gemaakt worden. De vrijgekomen tijd wordt niet gebruikt voor hogere activiteiten maar voor verhoogde consumptie. En hoe meer vrije tijd animal laborans heeft, des te heviger gaat hij consumeren. Alles van de wereld wordt consumptieartikel, niets blijft meer bestaand en duurzaam. De massacultuur is volgens Arendt slechts een wancultuur. Onze economie is een economie van verspilling. Maar dan ontstaat er geen bewoonbare wereld, geen stabiliteit, geen duurzaamheid en dus geen thuis.