Economie

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/229

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 7:25 AM on 5/17/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

230 Terms

1
New cards

Aanbodoverschot

Een situatie waarin de aangeboden hoeveelheid groter is dan de gevraagde hoeveelheid, waardoor de prijs daalt.

2
New cards

Aanbodzijde

De kant van de economie die zich bezighoudt met de productie, inclusief factoren zoals technologie, arbeid, kapitaal en overheidsregulering.

3
New cards

Aanbieder

De partij die een product of dienst aanbiedt op de markt.

4
New cards

Aanwendingsrichting

De manier waarop een middel wordt gebruikt.

5
New cards

Achterlopende conjunctuurindicator

Een macro-economische variabele waarvan de waarde pas verandert nadat de economie een keerpunt heeft bereikt.

6
New cards

Actie

Een mogelijke keuze die een speler in een economiespel kan maken.

7
New cards

Adaptieve inflatieverwachting

De veronderstelling dat de verwachte inflatie gelijk is aan de huidige inflatie.

8
New cards

Afzet

Het aantal verkochte producten.

9
New cards

Algemeen evenwicht

Een situatie waarin alle markten in een economie tegelijkertijd in evenwicht zijn.

10
New cards

Algemeen prijspeil

De gemiddelde prijs van een verzameling goederen en diensten in een economie.

11
New cards

Alternatief aanwendbaar

De eigenschap van een middel dat het voor verschillende behoeften kan worden gebruikt.

12
New cards

Anticyclisch beleid

Economisch beleid dat de conjunctuurbeweging dempt, bijvoorbeeld door te stimuleren in een laagconjunctuur en te bezuinigen in een hoogconjunctuur.

13
New cards

Anticyclische variabele

Een variabele die in de tegenovergestelde richting van de economische groei beweegt.

14
New cards

Appreciatie

Een stijging van de waarde van een valuta ten opzichte van een andere valuta in een stelsel van zwevende wisselkoersen.

15
New cards

Arbeid

Een productiefactor die alle menselijke inspanning omvat, zowel lichamelijk als geestelijk.

16
New cards

Arbeidsdeling

Het verdelen van een productieproces in afzonderlijke deeltaken, die door verschillende personen worden uitgevoerd.

17
New cards

Arbeidsinkomensquote (AIQ)

Het aandeel van het arbeidsinkomen (loon plus winst van zelfstandigen) in het netto binnenlands inkomen.

18
New cards

Arbeidsintensief

Een productieproces waarbij relatief veel arbeid wordt ingezet in vergelijking met kapitaal.

19
New cards

Arbeidsmarkt

De abstracte markt waar vraag naar en aanbod van arbeid samenkomen.

20
New cards

Arbeidsmobiliteit

Het gemak waarmee werknemers van baan of van regio kunnen veranderen.

21
New cards

Arbeidsproductiviteit

De productie per gewerkt uur of per werknemer.

22
New cards

Asymmetrische informatie

Een situatie waarin één partij bij een transactie meer of betere informatie heeft dan de andere partij.

23
New cards

Autarkie

Een situatie van zelfvoorziening, waarin een land geen handel drijft met andere landen.

24
New cards

Automatische stabilisator

Een mechanisme, zoals een progressief belastingstelsel of werkloosheidsuitkeringen, dat de economische schommelingen automatisch dempt zonder direct overheidsingrijpen.

25
New cards

Averechtse selectie

Een situatie waarbij alleen de 'slechte' risico's een verzekering afsluiten of een transactie aangaan, omdat zij meer profijt hebben van de informatieasymmetrie.

26
New cards

Balans

Een overzicht van de bezittingen (activa) en de financiering daarvan (passiva) van een bedrijf of instelling op een bepaald moment.

27
New cards

Bankrun

Een situatie waarbij veel spaarders tegelijkertijd hun geld van een bank opnemen uit angst dat de bank failliet gaat.

28
New cards

Basisjaar

Het referentiejaar waarmee andere jaren worden vergeleken bij het berekenen van indexcijfers.

29
New cards

Baten

De voordelen die een keuze of actie opleveren.

30
New cards

Bedrijfsobligatie

Een schuldbewijs uitgegeven door een bedrijf, waarbij het bedrijf rente betaalt en de lening op een bepaalde datum aflost.

31
New cards

Bedrijfsvorm

De rechtsvorm van een bedrijf, die bepaalt wie de eigenaar is en wie aansprakelijk is voor de schulden.

32
New cards

Begrotingsbeleid

Het beleid van de overheid met betrekking tot haar uitgaven en inkomsten (belastingen) om de economie te beïnvloeden.

33
New cards

Begrotingssaldo

Het verschil tussen de overheidsinkomsten en -uitgaven in een bepaalde periode.

34
New cards

Behoefte

Een verlangen of wens van een persoon dat bevredigd kan worden door middel van goederen of diensten.

35
New cards

Belastingdruk

Het totale bedrag aan belastingen in een land uitgedrukt als een percentage van het bruto binnenlands product (bbp).

36
New cards

Belastingstelsel

Het geheel van regels en wetten dat bepaalt hoe belastingen worden geheven.

37
New cards

Belastingvrije voet

Het deel van het inkomen waarover geen belasting hoeft te worden betaald.

38
New cards

Benchmark

Een referentiepunt of standaard waarmee prestaties kunnen worden vergeleken.

39
New cards

Berovingsprobleem

Een situatie waarin een partij, na een specifieke investering te hebben gedaan, wordt 'uitgeknepen' door de andere partij die daardoor een machtspositie heeft verkregen.

40
New cards

Bestedingen

De totale uitgaven aan goederen en diensten in een economie, bestaande uit consumptie, investeringen en overheidsbestedingen.

41
New cards

Bestedingslijn

Een grafische weergave van de totale bestedingen bij verschillende inkomensniveaus in het Keynesiaanse kruis.

42
New cards

Bestedingsmethode

Een methode om het bbp te berekenen door alle bestedingen van eindgebruikers (consumptie, investeringen, overheidsbestedingen, export minus import) op te tellen.

43
New cards

Betalingsbalans

Een systematisch overzicht van alle economische transacties tussen inwoners van een land en het buitenland in een bepaalde periode.

44
New cards

Betalingsbereidheid

De maximale prijs die een consument bereid is te betalen voor een product of dienst.

45
New cards

Betaalmiddel

Een functie van geld waarmee betalingen voor goederen en diensten kunnen worden verricht.

46
New cards

Black box

Een metafoor in de economie voor het productieproces zelf, waarbij alleen de inputs en outputs worden bekeken, niet de interne werking.

47
New cards

Boxenstelsel

Het Nederlandse systeem voor de inkomstenbelasting, waarbij inkomen is verdeeld over drie boxen met verschillende belastingtarieven.

48
New cards

Bbp (bruto binnenlands product)

De totale geldwaarde van alle in een land geproduceerde goederen en diensten in een jaar.

49
New cards

Break-evenpunt (BEP)

De productieomvang waarbij de totale opbrengsten gelijk zijn aan de totale kosten; er wordt dan geen winst of verlies gemaakt.

50
New cards

Budget

De optelsom van alle middelen (zoals geld en tijd) die iemand heeft.

51
New cards

Budgetlijn

Een grafische weergave van alle mogelijke productcombinaties die een consument maximaal kan kopen met een gegeven budget.

52
New cards

Buitenlandse valutareserve

De voorraden vreemde valuta die een centrale bank aanhoudt.

53
New cards

Centrale bank

De instelling die verantwoordelijk is voor het monetaire beleid van een land of valutagebied, zoals de ECB of DNB.

54
New cards

Ceteris paribus

De aanname dat alle andere factoren gelijk blijven, terwijl de relatie tussen twee specifieke variabelen wordt bestudeerd.

55
New cards

Chartaal geld

Tastbaar geld, zoals munten en bankbiljetten.

56
New cards

Collectief aanbod

De totale hoeveelheid van een product die alle aanbieders samen bij een bepaalde prijs willen verkopen.

57
New cards

Collectief belang

Het gemeenschappelijke belang van een groep, dat kan verschillen van het individuele belang van de leden.

58
New cards

Collectief goed

Een goed of dienst waarvan niemand kan worden uitgesloten van het gebruik en waarvan het gebruik door de een het gebruik door de ander niet vermindert (niet-rivaliserend).

59
New cards

Comparatief (productie)voordeel

Het vermogen van een land, bedrijf of persoon om een product te maken met lagere alternatieve kosten dan een ander.

60
New cards

Complementair product

Producten die elkaar aanvullen en vaak samen worden gebruikt (bijvoorbeeld printer en inktcartridges).

61
New cards

Conjunctuur

De schommelingen in de economische groei rond het langetermijngroeipad, bestaande uit hoog- en laagconjunctuur.

62
New cards

Conjunctuurindicator

Een economische maatstaf die informatie geeft over de huidige of toekomstige fase van de conjunctuur.

63
New cards

Conjuncturele werkloosheid

Werkloosheid die ontstaat als gevolg van een laagconjunctuur (een negatieve output gap).

64
New cards

Consumentenprijsindex (CPI)

Een indexcijfer dat de gemiddelde prijsontwikkeling weergeeft van een vaste mand goederen en diensten.

65
New cards

Consumentensurplus

Het verschil tussen wat consumenten bereid zijn te betalen voor een product en wat ze er daadwerkelijk voor betalen.

66
New cards

Consumptie

De uitgaven van huishoudens aan goederen en diensten.

67
New cards

Consumptiefunctie

De relatie die weergeeft hoe de consumptie van huishoudens afhangt van hun (besteedbaar) inkomen.

68
New cards

Contract

Een juridisch bindende overeenkomst waarin de voorwaarden van een ruil of samenwerking worden vastgelegd.

69
New cards

CPI (consumentenprijsindex)

Indexcijfer voor de hoogte van het algemeen prijspeil.

70
New cards

Crediteur

Een natuurlijk persoon of instelling waaraan een bedrijf of persoon geld schuldig is.

71
New cards

Debiteur

Een natuurlijk persoon of instelling die geld schuldig is aan een ander.

72
New cards

Deflatie

Een aanhoudende daling van het algemene prijspeil.

73
New cards

Degressief belastingstelsel

Een belastingstelsel waarbij het belastingtarief daalt naarmate het inkomen stijgt.

74
New cards

Denivellering

Een toename van de inkomens- of vermogensongelijkheid.

75
New cards

Depositogarantiestelsel

Een stelsel dat ervoor zorgt dat spaarders hun geld tot een bepaald maximumbedrag terugkrijgen als een bank failliet gaat.

76
New cards

Depreciatie

Een daling van de waarde van een valuta ten opzichte van een andere valuta in een stelsel van zwevende wisselkoersen.

77
New cards

Depressie

Een langdurige en zeer ernstige economische recessie.

78
New cards

Deviezenreserve

De voorraad vreemde valuta die een centrale bank aanhoudt.

79
New cards

Dienstensector

De macro-economische sector die commerciële diensten levert, ook wel tertiaire sector genoemd.

80
New cards

Directe belasting

Een belasting die direct wordt geheven over inkomen of vermogen, zoals loonbelasting.

81
New cards

Directe ruil

Het ruilen van goederen of diensten direct tegen andere goederen of diensten, zonder gebruik van geld (ruilhandel).

82
New cards

Discrete vraag

Een type vraag waarbij de gevraagde hoeveelheid alleen verandert bij significante prijsveranderingen (in sprongen).

83
New cards

Dividend

Het deel van de winst dat een bedrijf uitkeert aan zijn aandeelhouders.

84
New cards

Dominante actie

Een actie in de speltheorie die altijd de beste uitkomst oplevert voor een speler, ongeacht de actie van de andere speler.

85
New cards

Duaal mandaat

Een dubbel doel voor een centrale bank, zoals prijsstabiliteit en volledige werkgelegenheid (bij de Amerikaanse Fed).

86
New cards

Duopolie

Een specifieke vorm van oligopolie met precies twee aanbieders.

87
New cards

Econometrie

De toepassing van statistische en wiskundige methoden om economische data te analyseren.

88
New cards

Economisch structuurbeleid

Overheidsbeleid gericht op het verbeteren van de productiviteit en het groeipotentieel van de economie op de lange termijn.

89
New cards

Economische doelmatigheid

Een maatstaf voor hoe goed een markt of economie schaarse middelen verdeelt, vaak gemeten aan de hand van het totale surplus.

90
New cards

Economische groei

De procentuele toename van het reële bruto binnenlands product (bbp).

91
New cards

Economische kringloop

Een model dat de geld- en goederenstromen tussen de belangrijkste sectoren van een economie (gezinnen, bedrijven, overheid, buitenland) weergeeft.

92
New cards

Economische recessie

Een periode van minstens twee opeenvolgende kwartalen waarin de economie krimpt.

93
New cards

Economiespel

Een vereenvoudigde weergave van een strategische economische situatie met spelers, acties en een opbrengstenmatrix.

94
New cards

Effecten

Verhandelbare financiële instrumenten, zoals aandelen en obligaties.

95
New cards

Effectieve vraag

De totale bestedingen in een economie, bestaande uit consumptie, investeringen en overheidsbestedingen.

96
New cards

Eigen risico

Het bedrag dat een verzekerde zelf moet betalen bij een schadegeval, voordat de verzekeraar betaalt.

97
New cards

Eigen vermogen

Het deel van het vermogen van een bedrijf dat door de eigenaren is ingebracht of dat is ingehouden uit winst.

98
New cards

Elastische vraag

Een situatie waarbij de gevraagde hoeveelheid procentueel meer verandert dan de prijs (prijselasticiteit < -1).

99
New cards

Eng welvaartsbegrip

Een smalle definitie van welvaart die zich beperkt tot het inkomen of het bbp per hoofd.

100
New cards

Evenwicht in dominante acties

Een situatie waarin elke speler zijn dominante actie kiest.