1/229
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Aanbodoverschot
Een situatie waarin de aangeboden hoeveelheid groter is dan de gevraagde hoeveelheid, waardoor de prijs daalt.
Aanbodzijde
De kant van de economie die zich bezighoudt met de productie, inclusief factoren zoals technologie, arbeid, kapitaal en overheidsregulering.
Aanbieder
De partij die een product of dienst aanbiedt op de markt.
Aanwendingsrichting
De manier waarop een middel wordt gebruikt.
Achterlopende conjunctuurindicator
Een macro-economische variabele waarvan de waarde pas verandert nadat de economie een keerpunt heeft bereikt.
Actie
Een mogelijke keuze die een speler in een economiespel kan maken.
Adaptieve inflatieverwachting
De veronderstelling dat de verwachte inflatie gelijk is aan de huidige inflatie.
Afzet
Het aantal verkochte producten.
Algemeen evenwicht
Een situatie waarin alle markten in een economie tegelijkertijd in evenwicht zijn.
Algemeen prijspeil
De gemiddelde prijs van een verzameling goederen en diensten in een economie.
Alternatief aanwendbaar
De eigenschap van een middel dat het voor verschillende behoeften kan worden gebruikt.
Anticyclisch beleid
Economisch beleid dat de conjunctuurbeweging dempt, bijvoorbeeld door te stimuleren in een laagconjunctuur en te bezuinigen in een hoogconjunctuur.
Anticyclische variabele
Een variabele die in de tegenovergestelde richting van de economische groei beweegt.
Appreciatie
Een stijging van de waarde van een valuta ten opzichte van een andere valuta in een stelsel van zwevende wisselkoersen.
Arbeid
Een productiefactor die alle menselijke inspanning omvat, zowel lichamelijk als geestelijk.
Arbeidsdeling
Het verdelen van een productieproces in afzonderlijke deeltaken, die door verschillende personen worden uitgevoerd.
Arbeidsinkomensquote (AIQ)
Het aandeel van het arbeidsinkomen (loon plus winst van zelfstandigen) in het netto binnenlands inkomen.
Arbeidsintensief
Een productieproces waarbij relatief veel arbeid wordt ingezet in vergelijking met kapitaal.
Arbeidsmarkt
De abstracte markt waar vraag naar en aanbod van arbeid samenkomen.
Arbeidsmobiliteit
Het gemak waarmee werknemers van baan of van regio kunnen veranderen.
Arbeidsproductiviteit
De productie per gewerkt uur of per werknemer.
Asymmetrische informatie
Een situatie waarin één partij bij een transactie meer of betere informatie heeft dan de andere partij.
Autarkie
Een situatie van zelfvoorziening, waarin een land geen handel drijft met andere landen.
Automatische stabilisator
Een mechanisme, zoals een progressief belastingstelsel of werkloosheidsuitkeringen, dat de economische schommelingen automatisch dempt zonder direct overheidsingrijpen.
Averechtse selectie
Een situatie waarbij alleen de 'slechte' risico's een verzekering afsluiten of een transactie aangaan, omdat zij meer profijt hebben van de informatieasymmetrie.
Balans
Een overzicht van de bezittingen (activa) en de financiering daarvan (passiva) van een bedrijf of instelling op een bepaald moment.
Bankrun
Een situatie waarbij veel spaarders tegelijkertijd hun geld van een bank opnemen uit angst dat de bank failliet gaat.
Basisjaar
Het referentiejaar waarmee andere jaren worden vergeleken bij het berekenen van indexcijfers.
Baten
De voordelen die een keuze of actie opleveren.
Bedrijfsobligatie
Een schuldbewijs uitgegeven door een bedrijf, waarbij het bedrijf rente betaalt en de lening op een bepaalde datum aflost.
Bedrijfsvorm
De rechtsvorm van een bedrijf, die bepaalt wie de eigenaar is en wie aansprakelijk is voor de schulden.
Begrotingsbeleid
Het beleid van de overheid met betrekking tot haar uitgaven en inkomsten (belastingen) om de economie te beïnvloeden.
Begrotingssaldo
Het verschil tussen de overheidsinkomsten en -uitgaven in een bepaalde periode.
Behoefte
Een verlangen of wens van een persoon dat bevredigd kan worden door middel van goederen of diensten.
Belastingdruk
Het totale bedrag aan belastingen in een land uitgedrukt als een percentage van het bruto binnenlands product (bbp).
Belastingstelsel
Het geheel van regels en wetten dat bepaalt hoe belastingen worden geheven.
Belastingvrije voet
Het deel van het inkomen waarover geen belasting hoeft te worden betaald.
Benchmark
Een referentiepunt of standaard waarmee prestaties kunnen worden vergeleken.
Berovingsprobleem
Een situatie waarin een partij, na een specifieke investering te hebben gedaan, wordt 'uitgeknepen' door de andere partij die daardoor een machtspositie heeft verkregen.
Bestedingen
De totale uitgaven aan goederen en diensten in een economie, bestaande uit consumptie, investeringen en overheidsbestedingen.
Bestedingslijn
Een grafische weergave van de totale bestedingen bij verschillende inkomensniveaus in het Keynesiaanse kruis.
Bestedingsmethode
Een methode om het bbp te berekenen door alle bestedingen van eindgebruikers (consumptie, investeringen, overheidsbestedingen, export minus import) op te tellen.
Betalingsbalans
Een systematisch overzicht van alle economische transacties tussen inwoners van een land en het buitenland in een bepaalde periode.
Betalingsbereidheid
De maximale prijs die een consument bereid is te betalen voor een product of dienst.
Betaalmiddel
Een functie van geld waarmee betalingen voor goederen en diensten kunnen worden verricht.
Black box
Een metafoor in de economie voor het productieproces zelf, waarbij alleen de inputs en outputs worden bekeken, niet de interne werking.
Boxenstelsel
Het Nederlandse systeem voor de inkomstenbelasting, waarbij inkomen is verdeeld over drie boxen met verschillende belastingtarieven.
Bbp (bruto binnenlands product)
De totale geldwaarde van alle in een land geproduceerde goederen en diensten in een jaar.
Break-evenpunt (BEP)
De productieomvang waarbij de totale opbrengsten gelijk zijn aan de totale kosten; er wordt dan geen winst of verlies gemaakt.
Budget
De optelsom van alle middelen (zoals geld en tijd) die iemand heeft.
Budgetlijn
Een grafische weergave van alle mogelijke productcombinaties die een consument maximaal kan kopen met een gegeven budget.
Buitenlandse valutareserve
De voorraden vreemde valuta die een centrale bank aanhoudt.
Centrale bank
De instelling die verantwoordelijk is voor het monetaire beleid van een land of valutagebied, zoals de ECB of DNB.
Ceteris paribus
De aanname dat alle andere factoren gelijk blijven, terwijl de relatie tussen twee specifieke variabelen wordt bestudeerd.
Chartaal geld
Tastbaar geld, zoals munten en bankbiljetten.
Collectief aanbod
De totale hoeveelheid van een product die alle aanbieders samen bij een bepaalde prijs willen verkopen.
Collectief belang
Het gemeenschappelijke belang van een groep, dat kan verschillen van het individuele belang van de leden.
Collectief goed
Een goed of dienst waarvan niemand kan worden uitgesloten van het gebruik en waarvan het gebruik door de een het gebruik door de ander niet vermindert (niet-rivaliserend).
Comparatief (productie)voordeel
Het vermogen van een land, bedrijf of persoon om een product te maken met lagere alternatieve kosten dan een ander.
Complementair product
Producten die elkaar aanvullen en vaak samen worden gebruikt (bijvoorbeeld printer en inktcartridges).
Conjunctuur
De schommelingen in de economische groei rond het langetermijngroeipad, bestaande uit hoog- en laagconjunctuur.
Conjunctuurindicator
Een economische maatstaf die informatie geeft over de huidige of toekomstige fase van de conjunctuur.
Conjuncturele werkloosheid
Werkloosheid die ontstaat als gevolg van een laagconjunctuur (een negatieve output gap).
Consumentenprijsindex (CPI)
Een indexcijfer dat de gemiddelde prijsontwikkeling weergeeft van een vaste mand goederen en diensten.
Consumentensurplus
Het verschil tussen wat consumenten bereid zijn te betalen voor een product en wat ze er daadwerkelijk voor betalen.
Consumptie
De uitgaven van huishoudens aan goederen en diensten.
Consumptiefunctie
De relatie die weergeeft hoe de consumptie van huishoudens afhangt van hun (besteedbaar) inkomen.
Contract
Een juridisch bindende overeenkomst waarin de voorwaarden van een ruil of samenwerking worden vastgelegd.
CPI (consumentenprijsindex)
Indexcijfer voor de hoogte van het algemeen prijspeil.
Crediteur
Een natuurlijk persoon of instelling waaraan een bedrijf of persoon geld schuldig is.
Debiteur
Een natuurlijk persoon of instelling die geld schuldig is aan een ander.
Deflatie
Een aanhoudende daling van het algemene prijspeil.
Degressief belastingstelsel
Een belastingstelsel waarbij het belastingtarief daalt naarmate het inkomen stijgt.
Denivellering
Een toename van de inkomens- of vermogensongelijkheid.
Depositogarantiestelsel
Een stelsel dat ervoor zorgt dat spaarders hun geld tot een bepaald maximumbedrag terugkrijgen als een bank failliet gaat.
Depreciatie
Een daling van de waarde van een valuta ten opzichte van een andere valuta in een stelsel van zwevende wisselkoersen.
Depressie
Een langdurige en zeer ernstige economische recessie.
Deviezenreserve
De voorraad vreemde valuta die een centrale bank aanhoudt.
Dienstensector
De macro-economische sector die commerciële diensten levert, ook wel tertiaire sector genoemd.
Directe belasting
Een belasting die direct wordt geheven over inkomen of vermogen, zoals loonbelasting.
Directe ruil
Het ruilen van goederen of diensten direct tegen andere goederen of diensten, zonder gebruik van geld (ruilhandel).
Discrete vraag
Een type vraag waarbij de gevraagde hoeveelheid alleen verandert bij significante prijsveranderingen (in sprongen).
Dividend
Het deel van de winst dat een bedrijf uitkeert aan zijn aandeelhouders.
Dominante actie
Een actie in de speltheorie die altijd de beste uitkomst oplevert voor een speler, ongeacht de actie van de andere speler.
Duaal mandaat
Een dubbel doel voor een centrale bank, zoals prijsstabiliteit en volledige werkgelegenheid (bij de Amerikaanse Fed).
Duopolie
Een specifieke vorm van oligopolie met precies twee aanbieders.
Econometrie
De toepassing van statistische en wiskundige methoden om economische data te analyseren.
Economisch structuurbeleid
Overheidsbeleid gericht op het verbeteren van de productiviteit en het groeipotentieel van de economie op de lange termijn.
Economische doelmatigheid
Een maatstaf voor hoe goed een markt of economie schaarse middelen verdeelt, vaak gemeten aan de hand van het totale surplus.
Economische groei
De procentuele toename van het reële bruto binnenlands product (bbp).
Economische kringloop
Een model dat de geld- en goederenstromen tussen de belangrijkste sectoren van een economie (gezinnen, bedrijven, overheid, buitenland) weergeeft.
Economische recessie
Een periode van minstens twee opeenvolgende kwartalen waarin de economie krimpt.
Economiespel
Een vereenvoudigde weergave van een strategische economische situatie met spelers, acties en een opbrengstenmatrix.
Effecten
Verhandelbare financiële instrumenten, zoals aandelen en obligaties.
Effectieve vraag
De totale bestedingen in een economie, bestaande uit consumptie, investeringen en overheidsbestedingen.
Eigen risico
Het bedrag dat een verzekerde zelf moet betalen bij een schadegeval, voordat de verzekeraar betaalt.
Eigen vermogen
Het deel van het vermogen van een bedrijf dat door de eigenaren is ingebracht of dat is ingehouden uit winst.
Elastische vraag
Een situatie waarbij de gevraagde hoeveelheid procentueel meer verandert dan de prijs (prijselasticiteit < -1).
Eng welvaartsbegrip
Een smalle definitie van welvaart die zich beperkt tot het inkomen of het bbp per hoofd.
Evenwicht in dominante acties
Een situatie waarin elke speler zijn dominante actie kiest.