1/166
Deze flashcardset bevat de volledige lijst van 167 signalwoorden, uitdrukkingen en kernbegrippen voor het Frans VWO-examen, gecategoriseerd door verbindingswoorden, tijdsaanduidingen en academische woordenschat.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
mais
maar
cependant
echter, desondanks
pourtant
toch, desondanks
en revanche
daarentegen
or
nu, maar (redengevend)
néanmoins
niet-temin
toutefois
toch, echter
malgré
ondanks
bien que + subj.
hoewel
quoique + subj.
hoewel, ofschoon
au contraire
integendeel
alors que
terwijl (tegenstelling)
tandis que
terwijl (tegenstelling/tijd)
car
want (reden)
parce que
omdat
puisque
aangezien, omdat
en raison de
vanwege
à cause de
door, vanwege (negatief)
grâce à
dankzij (positief)
étant donné que
gezien het feit dat
vu que
gezien het feit dat
comme
omdat / zoals (aan begin zin)
donc
dus, daarom
ainsi
zo, op die manier
c'est pourquoi
dat is waarom, daarom
par conséquent
bijgevolg, als gevolg
alors
dan, dus
de ce fait
daardoor
si bien que
zodat
de sorte que
zodat
c'est la raison pour laquelle
dat is de reden waarom
de plus
bovendien
en outre
bovendien, daarnaast
également
eveneens, ook
par ailleurs
overigens, bovendien
d'ailleurs
trouwens, overigens
en effet
inderdaad, immers
en plus
bovendien, erbij
aussi
ook
non seulement… mais aussi
niet alleen… maar ook
d'abord
eerst, ten eerste
ensuite
vervolgens, daarna
puis
dan, vervolgens
enfin
tot slot, tenslotte
premièrement
ten eerste
deuxièmement
ten tweede
d'une part… d'autre part
enerzijds… anderzijds
avant tout
bovenal, allereerst
pour commencer
om te beginnen
pour finir
om te eindigen
en résumé
samengevat
bref
kortom
en somme
samengevat, kortom
finalement
uiteindelijk, ten slotte
en définitive
uiteindelijk
au total
al met al
en conclusion
ter conclusie
en fin de compte
uiteindelijk, per saldo
par exemple
bijvoorbeeld
notablement
met name, vooral
tel que / tels que
zoals, als
entre autres
onder andere
c'est le cas de
dat is het geval bij
soit
namelijk / dat wil zeggen
auparavant
vroeger, tevoren
désormais
voortaan, vanaf nu
dorénavant
voortaan
dès lors
sindsdien, vanaf dat moment
depuis
sinds, al (tijd)
actuellement
momenteel, nu
jadis
vroeger, weleer
autrefois
vroeger
à l'époque
destijds, in die tijd
bientôt
binnenkort, spoedig
jusqu'à présent
tot nu toe
dès que
zodra
lorsque / quand
wanneer, als
si
als, indien
à condition que + subj.
op voorwaarde dat
pourvu que + subj.
mits, als maar
à moins que + subj.
tenzij
en cas de
in geval van
selon
volgens, afhankelijk van
c'est-à-dire
dat wil zeggen
autrement dit
met andere woorden
en d'autres termes
in andere woorden
à savoir
namelijk, te weten
il s'agit de
het gaat om, het betreft
cela signifie que
dat betekent dat
cela veut dire que
dat wil zeggen dat
souvent
vaak
parfois
soms
rarement
zelden
toujours
altijd
jamais
nooit
de temps en temps
van tijd tot tijd
régulièrement
regelmatig
encore
nog, weer
de plus en plus
steeds meer
de moins en moins
steeds minder