1/29
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Benadering film en geschiedenis: verschillende manieren
film als:
spectrum → verschillende vormen + stijlen
techniek → technologische innovaties
taal → verhalen via beeld, geluid, …
industrie → politiek en economische belangen
beweging → kunststromingen
praktijk → rol in samenleving
film: veelzijdig systeem waarbij meerdere dimensies aan het werk zijn
Voorgeschiedenis van film: lange voorgeschiedenis
niet plotseling uitgevonden
verschillende manieren bewegend beeld tonen
prehistorie cinema:
grotschilderingen van beweging
Griekse keramiek
Aziatische schaduwtheater
Voorgeschiedenis van film: precinema
vanaf 17e/18e eeuw
niet alleen visueel → onderdeel performance
verschillende technologieën:
toverlantaarn:
17e eeuw
beeldprojector: kaartje + kaars → projectie op groot scherm + ondersteunt door verteller/geluid/rook
chronofotografie:
1870
foto’s bewegende objecten: oorsprong → vraag ‘paard in galop volledig van grond?’
animatieapparaten:
1823: fenakistiscoop → wiel + spleet
1834: zoötroop → cilinder + spleet
1877: praxinoscoop → cilinder + spiegel
kinetoscoop:
1890
individueel kijkinstrument: oortje voor muziek (kinetofoon)
Voorgeschiedenis van film: technologische innovaties
van precinema naar cinema → projectie bewegend gefotografeerd beeld
ontwikkelingen opname + vertoning → camera + nieuwe projectoren
geleidelijk → meerdere plaatsen + mensen:
1891: Edison + Dickinson: kinetograaf → bewegend beeld opnemen voor kinetoscoop
1886: Le Prince: camera + projector → verdwenen dus ook verdwenen uit geschiedenis
1895: Lumière: cinematograaf → filmcamera + projector in 1 apparaat, groter publiek
eerste vertoning → Parijs
eind 19e - begin 20e eeuw → snelle verdere ontwikkelingen
bv.: Eidoloscope met Latham-loop → 10 minuten
hevige concurrentiestrijd → veel mensen op zelfde moment bezig → veel octrooien aangevraagd
niet enkel camera → alles er rond
ontwikkeling filmstudio’s → plaats voor ontwikkelen film → plaats met technische infrastructuur
Voorgeschiedenis van film: filmtechnologie naar film als massamedium
beschikbaarheid technologie betekende niet meteen film als cultuurproduct en -industrie:
eerst kijken naar uitvinding zelf
nadien onderdeel van iets breder
film meestal kort
inhoud simpel + verder gebouwd op breder onderdeel
Ontwikkeling film als cultuurproduct
film → medium om verhalen te vertellen
ontwikkeling → op zich staande cultuurvorm
concept feature film → 1 hoofdfilm in cinemaprogramma:
meer aandacht
eigen verhaal
omringd door kortfilm + nieuws
belangrijke namen:
Alice Guy: gebruik mogelijkheid ontwikkeling + eigen fictie verhaal → La fée aux choux
George Méliès: langere opbouw, grotere sets, montage → Le voyage dans la lune
Edwin S. Porter: spanningsopbouw via montage → The great train robbery
Filmvertoningen en publiek
1896 → 1e openbare filmvertoning België → Lumière cinematograaf
rondreizen met film
niet in vaste bioscopen → kermis + theaters (onderdeel)
1905 → vaste bioscopen → eigen orkest/muzikanten
verschillende soorten zalen:
bestaande plaatsen omgevormd tot bioscoop → cafés
filmpaleizen in steden
kleine zalen → dorp + café
verzuiling → elk zuil eigen cinema
evolutie publiek:
begin → lagere sociale klassen: klein + gevaarlijk
later → filmpaleizen: netter + mooier + prijscategorieën
1908 → koninklijk besluit ivm bioscoopexploitatie: angst dus overheid legt het stil (rondreizend minder want gevaarlijker: geen nooduitgangen, vaste stoelen)
België → snel ontwikkeld + snel verankerd in dagelijks leven
Film tijdens interbellum: technologische ontwikkelingen: geluid
voorgeschiedenis:
stille films → begeleid live muziek
technische experimenten
verschillende uitvindingen → bv.: phonoscène Alice Guy (grammofoon + filmen)
jaren 1920:
studio’s ontwikkelen zelf technieken
grote doorbraak → vitaphone Warner Brothers
goedkoper → geen tussenstappen nodig
patentenstrijd
1926:
Don Juan → drama met geluidseffecten + soundtrack
geluid opgenomen → gelijktijdig afgespeeld met film
cinema’s geen muziekinstallatie → geen doorbraak
1927:
The Jazz Singer → eerste feature film ‘talkie’
duurste film op dat moment + lang en volwaardig
stille film met muziek + geïmproviseerd dialoog
groot succes
midden jaren 1930:
bijna alle Hollywoodfilm geluid
1931:
eind productie met vitaphone → omslachtig want ‘sound-on-disc-systeem’ → keuze: ‘sound-on-film-systeem’
format war → strijd om eigen format standaard maken → economische voordelen
geluid → verschillenden landen verschillend moment
geluidsfilm → standaardisering filmvertoning:
minder creativiteit filmuitbater
meer controle vertoning filmmaker
Film als cultuurproduct
ontwikkeling storytelling-strategieën + filmische technieken:
fade-in, fade-out, close-up, …
ook dankzij technologische ontwikkelingen
van kortfilm → langspeelfilm:
eerste in Europa
nadien in VS
belangrijke pionier: D.W. Griffith ‘Birth of a nation’
ontstaan genres:
populairste in 1920-1960 → Western
musical → door ontstaan geluidsfilm
populariteit → veranderd doorheen tijd
film gecategoriseerd in genres:
verwachtingen gekoppeld aan genres
bepaalde publieken per genre
specifieke bioscopen per genre
marketing per genre
Groeiende dominantie van VS: algemeen
oorspronkelijk → Frans verhaal
dominantie VS → groeit snel → interbellum: 75-85% wereldwijd
verklaringen:
WOI → negatieve impact Europese filmindustrie (verwoest, onmogelijk film maken, vluchten naar VS)
aantrekking buitenlandse acteurs → Hollywood trekt aan
georganiseerde studiosysteem → snellere industrie, sneller uitbreiden, geld sneller rond
beschermen markt heel sterk → moeilijk binnentreden
grote thuismarkt → grote investeringen mogelijk
film → basis voor → VS gedomineerde geglobaliseerde populaire cultuur
angst → veramerikanisering
Groeiende dominantie van VS: internationale dominantie Hollywood
oorspronkelijk → NY
vana 1915 → opnames in Hollywood → voordelen:
droog + zonnig
ruimte voor expansie
geografische diversiteit
goedkope arbeidskrachten + grond
dominantie dankzij studiosysteem
Groeiende dominantie van VS: Hollywood: het studiosysteem
economische concentratie → Hollywood als oligopolie: beperkt aantal studio’s met alle macht
grotere investeringen nodig → hoe groter, hoe meer
horizontale concentratie → zelfde stap productieproces:
bandwerk → meerder films
kostenefficiëntie → besparen
arbeidsspecialisatie → meer mensen in dienst, elke taak 1 iemand dus specialist per vak mogelijk
verticale integratie → hele productieproces
exclusiviteitscontracten → vaste acteurs, regisseurs, …
grote bedrijven → efficiënt productiesysteem
veel macht → welke film maken en tonen
wetten tegen verticale integratie → eigendom bioscopen
1930 → Hollywood geconsolideerd → 8 studio’s:
the big five → Paramount, 20th Century Fox, Warner Bros, Loew’s Inc, Radio-Keith-Orpheum
little three → Universal, Columbia, United Artists (zelf meer artistieke controle)
Groeiende dominantie van VS: Hollywood: filmsterren
studiosysteem → culturele kracht
groot belang filmsterren → grotere schaal dan Europa
trekken publiek aan
campagnes gestructureerd rond filmsterren
persona ontwikkeld door studio’s → filmster als merk
bv.: Marilyn Monroe
Groeiende dominantie van VS: tegengewicht voor Amerikaans dominantie
verplicht aandeel binnenlandse film → publiek wil Amerikaans
krachten bundelen in Europa
opkomst geluid:
eerst → Engels niet bekend → minder mensen keken
nadien → opkomst ondertitels/dubbing → internationaal publiek
Hollywood → sneller investeren → publiek raakt gewend → niet meer terug → Europe moet volgen → moeilijker want meer talen
blijvend belang andere filmproductie:
bv.: Rusland, Duitsland, … → sturende rol staat
bv.: India → Bollywood
Film in België in interbellum
lucratieve filmmarkt:
ultraliberaal → paradijs + geen quota
geen censuur
weinig concurrentie Franse film → Vlaanderen
veel bioscopen
1929 → alle belangrijke Amerikaanse filmhuizen hadden Belgische afdeling
disciplinering medium:
beeld klopt niet volledig
disciplinering staat → angst voor wat het zou doen
verhoging belastingen bioscoopsector
zuilen willen grip op film → angst moreel verval → grip op mens niet verliezen
grote diversiteit filmzalen + overal bioscopen → interessante film markt
vanaf jaren 1920 → bouw echte bioscopen → filmpaleizen:
Métropole + Eldorado
link verzuiling en filmvertoning:
zuilen zorgen voor filmvertoning
willen vat op kracht film → binnendringen aspecten samenleving
boodschappen doorgeven via film
Filmproductie en -consumptie na WOII: veranderingen in Hollywood: crisis
the Paramount Decrees → studio’s schuldig monopolistische praktijken:
big five → afstand bioscopen
verbod block booking (= meerdere films als blok aanbieden, 1 film willen is alle rest ook tonen)
gevolgen:
onafhankelijke productie groeit → toegang bioscopen verhoogt
minder film maken + meer inzetten grotere films
zelf kiezen wat ze tonen → meer promotie nodig
eind jaren 1960 → studio’s maken verlies
daling bioscoopbezoeken
minder releases door Hollywood
Filmproductie en -consumptie na WOII: veranderingen in Hollywood: herstel
eind jaren 1970 → Hollywood herstelt:
meer gericht op jongeren
gedurfde + artistieke interessantere films
meer focus blockbusters
Filmproductie en -consumptie na WOII: veranderingen in Hollywood: verdere concentratie en consolidatie
vanaf jaren 1960 → filmstudio’s opgekocht
filmstudio’s deel entertainmentreuzen + andere bedrijven buiten industrie betrokken
verdere concentratie:
binnen filmindustrie: productie, distributie, …
binnen culturele industrie: televisie, uitgeverij, ..
buiten culturele industrie: soft drinks, vliegtuigmaatschappijen, …
inkomsten → niet enkel uit film → andere bronnen
Filmproductie en -consumptie na WOII: technologische vooruitgang: ontwikkeling kleur
sinds ontstaan film → geleidelijk + experimenten → voorbeelden:
handmatig inkleuren
tinting
toning
probleem → tijdsintensief + niet compatibel met geluidsfilm
kleuren registreren → verschillende ontwikkeld → strijd:
Kinemacolor: UK, filter in camera die kleuren opvangt, speciale soort camera → niet handig
Technicolor: 3 filmrollen elk eigen kleur en op elkaar gelegd, samenwerking Disney
Eastmancolor: doorbraak, 3 kleuren op 1 filmrol
zwart-wit films → blijven aanwezig
Filmproductie en -consumptie na WOII: technologische vooruitgang: camera’s en dragers
sinds ontstaan film → opgenomen op pellicule (=filmrol) → verschillende formaten
monteren → filmrollen knippen/plakken
film op fysieke dragers → doorgegeven van grote naar kleine bioscopen
1990 → overschakeling digitale camera’s/projectoren
ervoor uitgevonden → later aangepast voor film
monteren → digitaal knippen/plakken
films op pellicule → nog aanwezig
bv.: The Brutalist
Filmproductie en -consumptie na WOII: technologische vooruitgang: speciale effecten
sinds ontstaan film → experimenten:
optische illusie via stop-substitutie + meervoudige belichting → camera stoppen, veranderen, verder filmen
ontwikkelingen nieuwe technieken → bv.: green screen, motion capture, …
jaren 1980-1990 → meer digitale effecten
2017 → AI en Deepfake
oude technieken → blijven aanwezig → bv.: Here
Filmproductie en -consumptie na WOII: technologische vooruitgang: motieven
technologische ontwikkelingen → film niet fundamenteel veranderd
motieven ontwikkelingen nieuwe technieken:
artistiek → kunst maken
economisch → geld verdienen, efficiënter + goedkoper
commercieel → publiek blijven lokken
functioneel → problemen oplossen
Filmproductie en -consumptie na WOII: veranderende consumptiepraktijken: algemeen
zuilen blijven actief in film
luxueuze filmpaleizen + goedkope wijkbioscopen
evolutie:
van piek …
… naar daling …
… naar andere bioscopen
bioscoop bezoek → minder + selectiever
herleving buurtbioscopen
filmindustrie → meer dan bioscopen
daling bioscoopbezoek =/ dalende populariteit film
film kijken → tv, video, dvd, internet, streaming
Filmproductie en -consumptie na WOII: veranderende consumptiepraktijken: van piek …
verdere groei bioscopen België
kleine steden + gemeenten
1957 → 1/3 gemeenten minstens 1 bioscoop
piek bioscoopbezoek → net na WOII
publiek → divers + alle klassen + alle leeftijden
wekelijks/dagelijks bioscoopbezoek
Filmproductie en -consumptie na WOII: veranderende consumptiepraktijken: … naar daling …
na WOII → levensstijl + consumptiepraktijken veranderen
sociale, economische, culturele en technologische veranderingen → populariteit bioscoop daalt
samenleving verandert → verschillende factoren:
stijgende lonen → concurrentie andere vrijetijdsbesteding
privatisering vrije tijd → huizen verbeteren dus aangenamer thuis + gebruik/bezit televisie (tv =/ einde film → film op tv
auto → mobieler + suburbanisatie (steden rond steden want bereikbaarder met auto)
1946 → bezoekersaantallen dalen → groei bioscopen blijft
klein bioscopen → investeringen te groot → sluiten
crisis + moeilijkheden → begin sterke daling bioscopen
Filmproductie en -consumptie na WOII: veranderende consumptiepraktijken: … naar andere bioscopen
competitie met tv:
gebruik kleurenfilm, beter geluid, breedbeeld, veranderende bioscooparchitectuur, experimenten met 3D en geur cinema
hoofdfilm + trailers/reclame → blijft over
actualiteit verdwijnt → tv nieuws
voorfilm/cartoon verdwijnt
jaren 1960 → multiscreen + multiplex → antwoord dalend bioscoopbezoek:
grote zalen verdelen in kleine zalen
schaalvoordelen → minder personeel → lagere kosten
multiscreen bioscopen
jaren 1990 → multiplex (8) naar megaplex (15) → minder bioscopen met meer zalen
grote verspreiding → plaats nodig → verhuizen naar rand stad
internationaal fenomeen:
concentratie verschillende dingen → winkels + bioscopen
grote bioscopen → grotere investeringen mogelijk
Disciplinering film: veronderstelde kracht film
sterk geloof in kracht film → propagandamiddel + negatieve invloed bevolking (kinderen + lagere klassen)
direct censuur vermijden → censuur wetgeving/zelfcensuur
Disciplinering film: disciplinering film België
sinds ontstaan film → controle actief → zuilen belangrijke rol → controle door zuilen:
sterkst → katholieke zuil
ook socialisten, liberalen en vlaams-nationalisten
boycotten bioscopen/films
filmvertoning → banden met bioscopen + organisatie filmvertoning → verzuiling zorgt voor verspreiding filmzalen (elke zuil wil eigen bioscoop uit controle)
angst voor:
bioscopen → donkere ruimte waar mensen bijeenkomen
inhoud → beïnvloed mensen
gezondheid beschermen:
moreel → juiste waarden en normen
geestelijk → veroorzaakt mentale ziektes
lichamelijk → fysiek in donker
controle staat:
door druk zuilen
1920: Filmkeuringswet
1921: Filmkeuringscommissie:
geen officiële censuur maar bescherming kind
kinderen niet toegelaten in bioscoop → enkel bij goedkeuring
criteria waar films aan moeten voldoen → geweld/misdaad, seks/lichaam, familie/huwelijk, …
wet niet streng, filmkeuring wel
manieren creëren om ermee om te gaan
eind jaren 1950 → invloed daalt:
moraal verandert, opkomst tv, minder controle
Disciplinering film: disciplinering film Hollywood
VS → morele kritiek Hollywood → protesten snelle culturele veranderingen
voorkomen overheidscensuur → zelfregulering MPPDA/MPPA:
belangenorganisatie voor studio’s
economische logica → voorkomen geld verliezen door ingrijpen van overheid
1927: richtlijnen voor films → slecht gevolgd
1930: MPPC of Hays Code
1934 PCD → strengere toepassing Hays Code
Hays code:
gedetailleerde lijst afspraken → mocht niet getoond worden + mocht getoond worden met ‘juiste’ morele les + officieuze regels
grijze zones + dubbele bodems → filmmalers spelen ermee
1940-1950: films gaan er tegenin → systeem brokkelt af:
algemene crisis Hollywood
moraal veranderd
minder strikt
1968 → systeem vervangen door ratingsysteem leeftijdscodes
GPG, PG-13, R, NC-17
grote invloed → reclame + maak van films
Disciplinering film: filmkeuring vandaag
censuur + filmkeuring → bestaan nog
meeste landen → systeem classificatie → bv.: kijkwijzer België
internationale censuur:
aanpassing ondertiteling
andere versies
aanpassing oude films → moraal veranderd doorheen tijd