1/48
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Kwalitatief onderzoek
Onderzoek dat gericht is op diepgaand inzicht, betekenisverlening en interpretaties van betrokkenen, vaak gebruikmakend van niet-cijfermatige gegevens zoals tekst of gesproken woord.
Kwantitatief onderzoek
Onderzoek dat gericht is op cijfermatige gegevens en het statistisch beschrijven of analyseren van variabelen en verbanden.
Experiment (experimenteel design/ontwerp)
Een onderzoeksstrategie ontworpen om causale verbanden te bewijzen door actieve manipulatie van een variabele, bij voorkeur met een willekeurige toewijzing proefpersonen en duidelijke meetmomenten.
Controle groep
De groep proefpersonen in een experiment of quasi-experiment die de specifieke nieuwe interventie niet krijgt, gebruikt als nulmeting ter vergelijking.
Interne validiteit
De mate waarin een onderzoeksopzet erin slaagt om alternatieve verklaringen voor de resultaten uit te sluiten, zodat je zeker weet dat het effect door de interventie komt.
Populatie
De volledige doelgroep of verzameling eenheden waarover een onderzoeker uitspraken wil doen.
Case-study
Een intensieve onderzoeksstrategie waarbij één specifiek geval (een individu, organisatie of gebeurtenis) in zijn natuurlijke, complexe setting gedurende langere tijd diepgaand wordt bestudeerd.
Enquête (vragenlijst)
Een gestructureerde methode van dataverzameling bestaande uit een vaste serie schriftelijke, digitale of telefonische vragen die aan respondenten wordt voorgelegd.
Focusgroepsgesprek (groepsgesprek)
Een kwalitatieve methode waarbij een kleine groep betrokkenen onder leiding van een moderator discussieert over een specifiek thema.
Delphi-methode
Een kwalitatieve onderzoeksmethode waarbij experts in opeenvolgende schriftelijke vragenrondes (anoniem) naar hun mening of toekomstverwachtingen worden gevraagd om consensus te bereiken.
Natuurlijke setting (natuurlijke omgeving)
De dagelijkse, niet-gekunstelde praktijksituatie waarin verschijnselen zich voordoen en worden onderzocht.
Attitudeschaal (Likertschaal, Likertitems)
Een meetinstrument bestaande uit een reeks stellingen waarbij de respondent per stelling aangeeft in welke mate hij het ermee eens of oneens is (meestal op een 5-puntsschaal).
Meerkeuzevraag
Een gesloten vraagvorm waarbij de respondent moet kiezen uit een beperkt aantal vooraf geformuleerde antwoordmogelijkheden.
Kwantitatief databestand
Een verzameling van puur cijfermatige gegevens opgeslagen voor statistische verwerking.
Meetniveau
De specifieke eigenschap en schaal van een variabele die bepaalt welke wiskundige en statistische bewerkingen op de data zijn toegestaan.
Gemiddelde
Een centrummaat die de centrale tendens van een scoreverdeling weergeeft, berekend door de som van alle scores te delen door het totale aantal waarnemingen.
Standaarddeviatie (standaardafwijking)
Een spreidingsmaat die aangeeft hoe dicht of hoe ver de individuele scores gemiddeld rondom het berekende gemiddelde liggen.
Variantie
Een spreidingsmaat die die de gemiddelde gekwadrateerde afwijking van het gemiddelde weergeeft (het kwadraat van de standaarddeviatie).
Correlatie
De mate van lineaire samenhang tussen twee kwantitatieve variabelen.
Validiteit van een toets
De mate waarin een meetinstrument daadwerkelijk meet wat het volgens de meetpretentie behoort te meten.
Betrouwbaarheid van een toets
De mate waarin een meetinstrument vrij is van toevallige fouten en bij herhaalde metingen onder dezelfde omstandigheden stabiele, consistente resultaten oplevert.
Cronbachs alfa
Een statistische coëfficiënt (tussen 0 en 1) die gebruikt wordt als maat voor de interne consistentie en betrouwbaarheid van een vragenlijst of attitudeschaal.
t-toets
Een statistische hypothesetoets die gebruikt wordt om te bepalen of het verschil tussen de gemiddelden van twee groepen (of twee meetmomenten) statistisch significant is.
Onafhankelijke variabele (oorzaakvariabele, voorspeller, verklarende variabele)
De variabele die een verandering teweegbrengt in een andere variabele en in het causale model optreedt als de veronderstelde oorzaak.
Afhankelijke variabele (gevolgvariabele, effectvariabele, criteriumvariabele)
De variabele waarin de onderzoeker geïnteresseerd is en waarvan de waarden of veranderingen vermoedelijk worden beïnvloed of veroorzaakt door de onafhankelijke variabele.
Operationaliseren
Het proces waarbij abstracte theoretische begrippen of variabelen worden omgezet in concrete, meetbare operaties, indicatoren of testbare vragen.
Generaliseerbaarheid (externe validiteit)
De mate waarin de resultaten en conclusies van een specifiek onderzoek kunnen worden uitgebreid of overgedragen naar andere personen, situaties, scholen of perioden dan die in het onderzoek zijn bekeken.
Statistische regressie naar het gemiddelde (regressie-effect)
Het statistische verschijnsel dat proefpersonen die bij een eerste meting (extreem) hoog of laag scoren, bij een second meting puur door toeval en meetfout dichter bij het groepsgemiddelde zullen scoren.
Statische groepsvergelijking
Een pre-experimenteel ontwerp waarbij een bestaande groep die de interventie heeft ondergaan achteraf wordt vergeleken met een bestaande groep die geen interventie heeft ondergaan, zonder dat er een voormeting heeft plaatsgevonden.
Sneeuwbalsteekproef (snowball sample)
Een niet-aselecte steekproefprocedure die start met een klein aantal respondenten, die vervolgens gevraagd worden om nieuwe respondenten binnen hun eigen netwerk aan te dragen, bruikbaar bij moeilijk bereikbare doelgruppen.
Likert-item
Een enkelvoudige stelling in een vragenlijst waarbij de respondent zijn mate van instemming aangeeft op een symmetrische, meerpuntige antwoordschaal (meestal bestaande uit 5 of 7 categorieën).
Likertschaal (sommatieschaal)
Een samengesteld meetinstrument waarbij de scores van een reeks onderling samenhangende Likert-items die hetzelfde abstracte begrip meten, worden opgeteld of gemiddeld tot één totale schaalscore.
Item-totaalcorrelatie (rit-waarde)
De statistische correlatie tussen de score op een individueel item en de totale score op de overige items van de schaal, gebruikt om te beoordelen of het item wel goed in de schaal past.
Moeilijkheidsindex (p-waarde)
De statistische verhouding of het percentage respondenten dat een specifieke toetsvraag correct heeft beantwoord, variërend tussen 0 (extreem moeilijk) en 1 (extreem makkelijk).
Interbeoordelaarsbetrouwbaarheid (intercoder reliability)
De mate van overeenstemming tussen twee of meer onafhankelijke waarnemers of beoordelaars die op basis van hetzelfde observatiesysteem exact dezelfde situatie of gedragingen hebben gescoord.
Procentuele overeenstemming
Een eenvoudige index voor de interbeoordelaarsbetrouwbaarheid, berekend door het aantal momenten waarop waarnemers exact hetzelfde scoorden te delen door het totale aantal observatiemomenten (zonder correctie voor de toevalsovereenstemming).
Cohens kappa ( $\kappa$ )
Een geavanceerde statistische coëfficiënt voor de interbeoordelaarsbetrouwbaarheid die de werkelijke overeenstemming tussen twee beoordelaars berekent en daarbij corrigeert voor de overeenstemming die puur op basis van toeval verwacht mag worden.
Nominaal meetniveau (nominale variabele)
Het laagste meetniveau waarbij de waarden of categorieën van een variabele louter kwalitatieve namen of labels zijn waartussen geen enkele logische rangorde of rekenkundige afstand bestaat.
Ordinaal meetniveau (ordinale variabele)
Een meetniveau waarbij de categorieën van een variabele een duidelijke, logische rangorde of hiërarchie kennen, maar waarbij de onderlinge afstanden tussen de opeenvolgende categorieën niet meetbaar of gelijk zijn.
Interval meetniveau (intervalvariabele)
Een kwantitatief meetniveau waarbij de waarden een natuurlijke rangorde hebben en de onderlinge afstanden (intervallen) tussen opeenvolgende meetpunten exact gelijk en meetbaar zijn, maar waarbij een natuurlijk, absoluut nulpunt ontbreekt.
Ratio meetniveau (ratiovariabele)
Het hoogste, meest volledige kwantitatieve meetniveau waarbij de waarden een logische rangorde hebben, de onderlinge afstanden exact gelijk zijn en er bovendien sprake is van een absoluut, natuurlijk nulpunt dat de totale afwezigheid van het kenmerk aanduidt.
Mediaan
De middelste score in een naar grootte gerangschikte reeks waarnemingen, die de verdeling opsplitst in twee exact gelijke delen van $50\%$.
Standaardscore (z-score)
Een lineair getransformeerde score die exact aangeeft hoeveel standaarddeviaties een ruwe score boven of onder het groepsgemiddelde ligt, berekend via de formule z=(X-X ̅)/sd
Lineaire transformation
Een wiskundige bewerking waarbij alle scores in een verdeling met een vaste factor worden vermenigvuldigd of met een constante waarde worden verhoogd/verlaagd, waardoor de vorm van de oorspronkelijke verdeling intact blijft.
Spreidingsdiagram (scattergram, scatterplot)
Een grafische weergave van het verband tussen twee kwantitatieve variabelen, waarbij de scores van elke onderzoekseenheid als een stip op het snijpunt van de X-as en de Y-as worden weergegeven.
Schijnverband (spoorloos verband, nonsenscorrelatie)
Een statistische samenhang tussen twee variabelen die niet berust op een oorzakelijk effect, maar die volledig wordt veroorzaakt door een achterliggende, derde variabele die beide variabelen beïnvloedt.
Determinatiecoëfficiënt (r²)
Het kwadraat van de correlatiecoëfficiënt dat aangeeft welk deel (of percentage) van de totale variantie in de ene variabele direct kan worden verklaard of voorspeld door de variantie in de andere variabele.
Inhoudsvaliditeit (content validity)
De mate waarin de items van een test of meetinstrument een representatieve en volledige afspiegeling vormen van het gehele kennisdomein of de vaardigheid die men wil meten.
Begripsvaliditeit (constructvaliditeit)
De mate waarin de testscores daadwerkelijk de theoretische, psychologische eigenschap of het abstracte begrip (het construct) weerspiegelen dat men beoogt te meten.