werken met schooldata - kern

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
Card Sorting

1/48

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 10:47 AM on 6/21/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

49 Terms

1
New cards

Kwalitatief onderzoek

Onderzoek dat gericht is op diepgaand inzicht, betekenisverlening en interpretaties van betrokkenen, vaak gebruikmakend van niet-cijfermatige gegevens zoals tekst of gesproken woord.

2
New cards

Kwantitatief onderzoek

Onderzoek dat gericht is op cijfermatige gegevens en het statistisch beschrijven of analyseren van variabelen en verbanden.

3
New cards

Experiment (experimenteel design/ontwerp)

Een onderzoeksstrategie ontworpen om causale verbanden te bewijzen door actieve manipulatie van een variabele, bij voorkeur met een willekeurige toewijzing proefpersonen en duidelijke meetmomenten.

4
New cards

Controle groep

De groep proefpersonen in een experiment of quasi-experiment die de specifieke nieuwe interventie niet krijgt, gebruikt als nulmeting ter vergelijking.

5
New cards

Interne validiteit

De mate waarin een onderzoeksopzet erin slaagt om alternatieve verklaringen voor de resultaten uit te sluiten, zodat je zeker weet dat het effect door de interventie komt.

6
New cards

Populatie

De volledige doelgroep of verzameling eenheden waarover een onderzoeker uitspraken wil doen.

7
New cards

Case-study

Een intensieve onderzoeksstrategie waarbij één specifiek geval (een individu, organisatie of gebeurtenis) in zijn natuurlijke, complexe setting gedurende langere tijd diepgaand wordt bestudeerd.

8
New cards

Enquête (vragenlijst)

Een gestructureerde methode van dataverzameling bestaande uit een vaste serie schriftelijke, digitale of telefonische vragen die aan respondenten wordt voorgelegd.

9
New cards

Focusgroepsgesprek (groepsgesprek)

Een kwalitatieve methode waarbij een kleine groep betrokkenen onder leiding van een moderator discussieert over een specifiek thema.

10
New cards

Delphi-methode

Een kwalitatieve onderzoeksmethode waarbij experts in opeenvolgende schriftelijke vragenrondes (anoniem) naar hun mening of toekomstverwachtingen worden gevraagd om consensus te bereiken.

11
New cards

Natuurlijke setting (natuurlijke omgeving)

De dagelijkse, niet-gekunstelde praktijksituatie waarin verschijnselen zich voordoen en worden onderzocht.

12
New cards

Attitudeschaal (Likertschaal, Likertitems)

Een meetinstrument bestaande uit een reeks stellingen waarbij de respondent per stelling aangeeft in welke mate hij het ermee eens of oneens is (meestal op een 5-puntsschaal).

13
New cards

Meerkeuzevraag

Een gesloten vraagvorm waarbij de respondent moet kiezen uit een beperkt aantal vooraf geformuleerde antwoordmogelijkheden.

14
New cards

Kwantitatief databestand

Een verzameling van puur cijfermatige gegevens opgeslagen voor statistische verwerking.

15
New cards

Meetniveau

De specifieke eigenschap en schaal van een variabele die bepaalt welke wiskundige en statistische bewerkingen op de data zijn toegestaan.

16
New cards

Gemiddelde

Een centrummaat die de centrale tendens van een scoreverdeling weergeeft, berekend door de som van alle scores te delen door het totale aantal waarnemingen.

17
New cards

Standaarddeviatie (standaardafwijking)

Een spreidingsmaat die aangeeft hoe dicht of hoe ver de individuele scores gemiddeld rondom het berekende gemiddelde liggen.

18
New cards

Variantie

Een spreidingsmaat die die de gemiddelde gekwadrateerde afwijking van het gemiddelde weergeeft (het kwadraat van de standaarddeviatie).

19
New cards

Correlatie

De mate van lineaire samenhang tussen twee kwantitatieve variabelen.

20
New cards

Validiteit van een toets

De mate waarin een meetinstrument daadwerkelijk meet wat het volgens de meetpretentie behoort te meten.

21
New cards

Betrouwbaarheid van een toets

De mate waarin een meetinstrument vrij is van toevallige fouten en bij herhaalde metingen onder dezelfde omstandigheden stabiele, consistente resultaten oplevert.

22
New cards

Cronbachs alfa

Een statistische coëfficiënt (tussen 0 en 1) die gebruikt wordt als maat voor de interne consistentie en betrouwbaarheid van een vragenlijst of attitudeschaal.

23
New cards

t-toets

Een statistische hypothesetoets die gebruikt wordt om te bepalen of het verschil tussen de gemiddelden van twee groepen (of twee meetmomenten) statistisch significant is.

24
New cards

Onafhankelijke variabele (oorzaakvariabele, voorspeller, verklarende variabele)

De variabele die een verandering teweegbrengt in een andere variabele en in het causale model optreedt als de veronderstelde oorzaak.

25
New cards

Afhankelijke variabele (gevolgvariabele, effectvariabele, criteriumvariabele)

De variabele waarin de onderzoeker geïnteresseerd is en waarvan de waarden of veranderingen vermoedelijk worden beïnvloed of veroorzaakt door de onafhankelijke variabele.

26
New cards

Operationaliseren

Het proces waarbij abstracte theoretische begrippen of variabelen worden omgezet in concrete, meetbare operaties, indicatoren of testbare vragen.

27
New cards

Generaliseerbaarheid (externe validiteit)

De mate waarin de resultaten en conclusies van een specifiek onderzoek kunnen worden uitgebreid of overgedragen naar andere personen, situaties, scholen of perioden dan die in het onderzoek zijn bekeken.

28
New cards

Statistische regressie naar het gemiddelde (regressie-effect)

Het statistische verschijnsel dat proefpersonen die bij een eerste meting (extreem) hoog of laag scoren, bij een second meting puur door toeval en meetfout dichter bij het groepsgemiddelde zullen scoren.

29
New cards

Statische groepsvergelijking

Een pre-experimenteel ontwerp waarbij een bestaande groep die de interventie heeft ondergaan achteraf wordt vergeleken met een bestaande groep die geen interventie heeft ondergaan, zonder dat er een voormeting heeft plaatsgevonden.

30
New cards

Sneeuwbalsteekproef (snowball sample)

Een niet-aselecte steekproefprocedure die start met een klein aantal respondenten, die vervolgens gevraagd worden om nieuwe respondenten binnen hun eigen netwerk aan te dragen, bruikbaar bij moeilijk bereikbare doelgruppen.

31
New cards

Likert-item

Een enkelvoudige stelling in een vragenlijst waarbij de respondent zijn mate van instemming aangeeft op een symmetrische, meerpuntige antwoordschaal (meestal bestaande uit 5 of 7 categorieën).

32
New cards

Likertschaal (sommatieschaal)

Een samengesteld meetinstrument waarbij de scores van een reeks onderling samenhangende Likert-items die hetzelfde abstracte begrip meten, worden opgeteld of gemiddeld tot één totale schaalscore.

33
New cards

Item-totaalcorrelatie (rit-waarde)

De statistische correlatie tussen de score op een individueel item en de totale score op de overige items van de schaal, gebruikt om te beoordelen of het item wel goed in de schaal past.

34
New cards

Moeilijkheidsindex (p-waarde)

De statistische verhouding of het percentage respondenten dat een specifieke toetsvraag correct heeft beantwoord, variërend tussen 0 (extreem moeilijk) en 1 (extreem makkelijk).

35
New cards

Interbeoordelaarsbetrouwbaarheid (intercoder reliability)

De mate van overeenstemming tussen twee of meer onafhankelijke waarnemers of beoordelaars die op basis van hetzelfde observatiesysteem exact dezelfde situatie of gedragingen hebben gescoord.

36
New cards

Procentuele overeenstemming

Een eenvoudige index voor de interbeoordelaarsbetrouwbaarheid, berekend door het aantal momenten waarop waarnemers exact hetzelfde scoorden te delen door het totale aantal observatiemomenten (zonder correctie voor de toevalsovereenstemming).

37
New cards

Cohens kappa ( $\kappa$ )

Een geavanceerde statistische coëfficiënt voor de interbeoordelaarsbetrouwbaarheid die de werkelijke overeenstemming tussen twee beoordelaars berekent en daarbij corrigeert voor de overeenstemming die puur op basis van toeval verwacht mag worden.

38
New cards

Nominaal meetniveau (nominale variabele)

Het laagste meetniveau waarbij de waarden of categorieën van een variabele louter kwalitatieve namen of labels zijn waartussen geen enkele logische rangorde of rekenkundige afstand bestaat.

39
New cards

Ordinaal meetniveau (ordinale variabele)

Een meetniveau waarbij de categorieën van een variabele een duidelijke, logische rangorde of hiërarchie kennen, maar waarbij de onderlinge afstanden tussen de opeenvolgende categorieën niet meetbaar of gelijk zijn.

40
New cards

Interval meetniveau (intervalvariabele)

Een kwantitatief meetniveau waarbij de waarden een natuurlijke rangorde hebben en de onderlinge afstanden (intervallen) tussen opeenvolgende meetpunten exact gelijk en meetbaar zijn, maar waarbij een natuurlijk, absoluut nulpunt ontbreekt.

41
New cards

Ratio meetniveau (ratiovariabele)

Het hoogste, meest volledige kwantitatieve meetniveau waarbij de waarden een logische rangorde hebben, de onderlinge afstanden exact gelijk zijn en er bovendien sprake is van een absoluut, natuurlijk nulpunt dat de totale afwezigheid van het kenmerk aanduidt.

42
New cards

Mediaan

De middelste score in een naar grootte gerangschikte reeks waarnemingen, die de verdeling opsplitst in twee exact gelijke delen van $50\%$.

43
New cards

Standaardscore (z-score)

Een lineair getransformeerde score die exact aangeeft hoeveel standaarddeviaties een ruwe score boven of onder het groepsgemiddelde ligt, berekend via de formule z=(X-X ̅)/sd

44
New cards

Lineaire transformation

Een wiskundige bewerking waarbij alle scores in een verdeling met een vaste factor worden vermenigvuldigd of met een constante waarde worden verhoogd/verlaagd, waardoor de vorm van de oorspronkelijke verdeling intact blijft.

45
New cards

Spreidingsdiagram (scattergram, scatterplot)

Een grafische weergave van het verband tussen twee kwantitatieve variabelen, waarbij de scores van elke onderzoekseenheid als een stip op het snijpunt van de X-as en de Y-as worden weergegeven.

46
New cards

Schijnverband (spoorloos verband, nonsenscorrelatie)

Een statistische samenhang tussen twee variabelen die niet berust op een oorzakelijk effect, maar die volledig wordt veroorzaakt door een achterliggende, derde variabele die beide variabelen beïnvloedt.

47
New cards

Determinatiecoëfficiënt (r²)

Het kwadraat van de correlatiecoëfficiënt dat aangeeft welk deel (of percentage) van de totale variantie in de ene variabele direct kan worden verklaard of voorspeld door de variantie in de andere variabele.

48
New cards

Inhoudsvaliditeit (content validity)

De mate waarin de items van een test of meetinstrument een representatieve en volledige afspiegeling vormen van het gehele kennisdomein of de vaardigheid die men wil meten.

49
New cards

Begripsvaliditeit (constructvaliditeit)

De mate waarin de testscores daadwerkelijk de theoretische, psychologische eigenschap of het abstracte begrip (het construct) weerspiegelen dat men beoogt te meten.