Ontwikkelingspsychologie: Peuter- tot Adolescentietijd

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/64

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Flashcards over de cognitieve, sociale en morele ontwikkeling van kinderen en adolescenten, gebaseerd op belangrijke theorieën van Piaget, Vygotsky, Erikson en Kohlberg.

Last updated 10:28 AM on 6/11/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

65 Terms

1
New cards

Preoperationeel stadium

Piagets stadium van 2 tot 7 jaar waarin het gebruik van symbolisch denken groeit, het vermogen om te redeneren ontstaat en het gebruik van begrippen toeneemt.

2
New cards

Symboolgebruik

Het vermogen om een symbool, woord of object te gebruiken om iets weer te geven of te vervangen op het moment dat het fysiek niet aanwezig is.

3
New cards

Operaties

Georganiseerde, logische formele mentale processen.

4
New cards

Centratie

Het onvermogen van het jonge kind om zich op meer dan 1 aspect van een stimulus te concentreren, waarbij het visuele beeld het denken domineert.

5
New cards

Conservatie

Het inzicht dat kwantiteit niet gerelateerd is aan de opstelling en de uiterlijke verschijningsvormen van objecten.

6
New cards

Transformatie

Het proces waarbij de ene toestand veranderd in de andere; kleuters hebben hier vaak een onvolledig begrip van en zien enkel de toestand.

7
New cards

Egocentrisme (peuter/kleuter)

Het onvermogen om zich te verplaatsen in het fysiek perspectief, de gedachten, gevoelens of standpunten van anderen.

8
New cards

Intuïtief denken

Vorm van denken waarbij kinderen gretig kennis over de wereld verwerven en primitief redeneren op basis van functionaliteit en identiteit.

9
New cards

Informatieverwerkingstheorie

Een benadering gericht op veranderingen in de mentale progamma’s die kinderen gebruiken om problemen op te lossen.

10
New cards

Autobiografisch geheugen

De herinneringen van specifieke gebeurtenissen uit ons eigen leven, waarvan de nauwkeurigheid toeneemt na het 3de levensjaar.

11
New cards

Scripts

Algemene weergaven in het geheugen van gebeurtenissen en de volgorde waarin ze optreden.

12
New cards

Zone van naaste ontwikkeling (ZNO)

Volgens Lev Vygotsky het niveau waarop een kind een taak bijna, maar niet volledig zelfstandig kan uitvoeren.

13
New cards

Scaffolding

De ondersteuning bij leren en probleemoplossing die zelfstandigheid en groei bevordert door aan te sluiten bij wat de leerling nodig heeft.

14
New cards

Syntaxis

Het combineren van woorden tot zinnen; verdubbelt bij peuters elke maand op 2 à 3 jarige leeftijd.

15
New cards

Fast mapping

Het proces waarbij nieuwe woorden meteen aan een betekenis worden gekoppeld.

16
New cards

Pragmatiek

De vaardigheid om te weten wanneer en hoe je iets tegen iemand moet zeggen in een sociale context.

17
New cards

Autonomie versus schaamte en twijfel

Eriksons stadium voor peuters en kleuters waarin zij streven naar onafhankelijkheid.

18
New cards

Initiatief versus schuld

Eriksons stadium voor kleuters waarbij het oplossen van conflicten effect heeft op het zelfbeeld.

19
New cards

Zelfbeeld

Iemands identiteit of de opvattingen die hij of zij van zichzelf als persoon heeft.

20
New cards

Genderschema

Een cognitief raamwerk dat nodig is om een genderidentiteit te ontwikkelen.

21
New cards

Genderconstantie

Het besef dat gender stabiel blijft over de tijd, ontstaat vanaf 4 à 5 jaar.

22
New cards

Functioneel spel

Spelvorm die bestaat uit eenvoudige, zich herhalende activiteiten.

23
New cards

Constructief spel

Spelvorm waarbij kinderen objecten manipuleren om iets te produceren of te bouwen.

24
New cards

Parallelspel

Spelvorm waarbij kinderen naast elkaar met hetzelfde materiaal spelen zonder wezenlijke interactie.

25
New cards

Associatief spel

Spelvorm waarbij twee of meer kinderen interactie aangaan door materiaal uit te wisselen, hoewel ze niet hetzelfde doen.

26
New cards

Coöperatief spel

Spelvorm waarbij kinderen echt met elkaar spelen.

27
New cards

Theory of mind

De vaardigheid om aan jezelf en anderen gedachten, gevoelens en intenties toe te schrijven en op basis daarvan gedrag te anticiperen.

28
New cards

Autoritaire ouders

Ouders die streng en star zijn, vaak straffen, strikte gehoorzaamheid eisen en geen weerwoord accepteren.

29
New cards

Permissieve ouders

Ouders die vage en inconsistente feedback geven en weinig eisen of grenzen stellen.

30
New cards

Autoritatieve ouders

Ouders die consequent en liefdevol zijn, uitleg geven over regels en de onafhankelijkheid van het kind stimuleren.

31
New cards

Onverschillige ouders

Ouders die emotioneel afstandelijk zijn, weinig belangstelling tonen en afwijzend gedrag vertonen.

32
New cards

Moreel realisme

Piagets stadium waarin kinderen regels als vast en onveranderlijk beschouwen; inclusief concepten als immanente rechtvaardigheid.

33
New cards

Instrumentele agressie

Agressie gemotiveerd door de wens om een concreet doel te bereiken.

34
New cards

Relationele agressie

Niet-fysieke agressie die bedoeld is om een ander psychisch te kwetsen.

35
New cards

Concreet operationeel stadium

Piagets stadium van 7 tot 12 jaar waarin kinderen logica toepassen op concrete problemen en leren decentreren.

36
New cards

Reversibiliteit

Het concept dat een operatie omgedraaid kan worden, bijvoorbeeld 3+5=83 + 5 = 8 en dus 83=58 - 3 = 5.

37
New cards

Metalinguïstisch bewustzijn

Het besef van het eigen taalgebruik, wat helpt om taal te begrijpen bij onduidelijke informatie.

38
New cards

Intelligentiequotiënt (IQ)

Een score berekend via de formule IQ=MLKL×100IQ = \frac{ML}{KL} \times 100, waarbij ML de mentale leeftijd en KL de kalenderleeftijd is.

39
New cards

Verstandelijke beperking (DSM V)

Ontwikkelingsstoornis met beperkingen in verstandelijk en adaptief functioneren; IQ-scores onder 70.

40
New cards

Hoogbegaafheid

Gekenmerkt door een IQ>130IQ > 130, voorkomend bij 3 tot 5% van de bevolking.

41
New cards

Acceleratie

Onderwijsmethode voor hoogbegaafden waarbij zij in hun eigen tempo speciale lesprogramma's volgen.

42
New cards

Verrijking

Onderwijsmethode waarbij hoogbegaafde kinderen individuele activiteiten krijgen om dieper op specifieke onderwerpen in te gaan.

43
New cards

Pygmalion-effect

Verschijnsel waarbij de verwachtingen van autoriteitsfiguren ervoor zorgen dat een kind het verwachte gedrag daadwerkelijk gaat vertonen.

44
New cards

Vlijt versus minderwaardigheid

Eriksons stadium voor de schoolgaande leeftijd (6-12 jaar) gericht op de groei van competenties.

45
New cards

Eigenwaarde

De waardering voor het eigen ik met alle bijbehorende positieve en negatieve kenmerken.

46
New cards

Opwaartse sociale vergelijking

Zichzelf vergelijken met anderen die beter presteren, wat kan aanzetten tot betere prestaties maar ook negatief zelfbeeld kan veroorzaken.

47
New cards

Neerwaartse sociale vergelijking

Zichzelf vergelijken met anderen die minder competent zijn om het zelfbeeld te beschermen.

48
New cards

Formeel-operationeel stadium

Piagets stadium vanaf 12 jaar waarin het vermogen ontstaat om abstract te denken en systematisch problemen aan te pakken.

49
New cards

Hypotetisch-deductief redeneren

Het vermogen om vanuit een algemene theorie specifieke hypothesen af te leiden en deze te toetsen.

50
New cards

Systeem 1 (Kahneman & Tversky)

De 'intuïtieve piloot': snel, automatisch, moeiteloos en gebaseerd op ervaringen en emoties.

51
New cards

Systeem 2 (Kahneman & Tversky)

De 'rationele navigator': langzaam, bewust, inspannend en gebaseerd op logische regels.

52
New cards

Cognitieve biases

Systematische fouten in het denken die ontstaan door het gebruik van heuristieken (mentale shortcuts).

53
New cards

Imaginair publiek

Het geloof van een adolescent dat hij of zij het middelpunt van de aandacht is en dat anderen voortdurend op hem/haar letten.

54
New cards

Persoonlijke fabel

De overtuiging dat de eigen ervaringen uniek zijn en dat men niet onderhevig is aan de regels die voor anderen gelden.

55
New cards

Preconventionele moraal (Kohlberg)

Niveau waarbij morele beslissingen gebaseerd zijn op het vermijden van straf en het verkrijgen van beloningen.

56
New cards

Conventionele moraal (Kohlberg)

Niveau waarbij gedrag gericht is op het behagen van anderen en het behoren tot de maatschappij.

57
New cards

Postconventionele moraal (Kohlberg)

Niveau waarbij mensen universele morele principes hanteren die boven de wetten van de maatschappij staan.

58
New cards

Identity achievement

Marcia's status waarbij een adolescent zich aan een identiteit verbindt na een periode van actieve exploratie.

59
New cards

Identity foreclosure

Marcia's status waarbij iemand zich voortijdig aan een identiteit verbindt zonder alternatieven te onderzoeken, vaak onder invloed van anderen.

60
New cards

Identity diffusion

Marcia's status waarbij men verschillende identiteiten overweegt maar zich nooit verbindt, of zelfs niet over opties nadenkt.

61
New cards

Openlijke vorm van antisociaal gedrag (overt)

Probleemgedrag waarbij anderen direct last ondervinden, zoals roepen, pesten of vechten.

62
New cards

Heimelijke vorm van antisociaal gedrag (covert)

Antisociaal gedrag dat zich achter de rug van volwassenen afspeelt, zoals liegen, stelen of vernielen.

63
New cards

Transactioneel stressmodel (Lazarus)

Model waarbij de beoordeling van de situatie (primair en secundair) bepaalt hoe men reageert op een stressor.

64
New cards

Algemeen aanpassingssyndroom (Selye)

Theorie die stelt dat het lichaam stress niet langdurig kan verdragen; langdurig hoog cortisol kan schadelijk zijn.

65
New cards

Coping

De manier waarop iemand omgaat met stressvolle situaties; kan probleemgericht of emotiegericht zijn.