1/64
Flashcards over de cognitieve, sociale en morele ontwikkeling van kinderen en adolescenten, gebaseerd op belangrijke theorieën van Piaget, Vygotsky, Erikson en Kohlberg.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Preoperationeel stadium
Piagets stadium van 2 tot 7 jaar waarin het gebruik van symbolisch denken groeit, het vermogen om te redeneren ontstaat en het gebruik van begrippen toeneemt.
Symboolgebruik
Het vermogen om een symbool, woord of object te gebruiken om iets weer te geven of te vervangen op het moment dat het fysiek niet aanwezig is.
Operaties
Georganiseerde, logische formele mentale processen.
Centratie
Het onvermogen van het jonge kind om zich op meer dan 1 aspect van een stimulus te concentreren, waarbij het visuele beeld het denken domineert.
Conservatie
Het inzicht dat kwantiteit niet gerelateerd is aan de opstelling en de uiterlijke verschijningsvormen van objecten.
Transformatie
Het proces waarbij de ene toestand veranderd in de andere; kleuters hebben hier vaak een onvolledig begrip van en zien enkel de toestand.
Egocentrisme (peuter/kleuter)
Het onvermogen om zich te verplaatsen in het fysiek perspectief, de gedachten, gevoelens of standpunten van anderen.
Intuïtief denken
Vorm van denken waarbij kinderen gretig kennis over de wereld verwerven en primitief redeneren op basis van functionaliteit en identiteit.
Informatieverwerkingstheorie
Een benadering gericht op veranderingen in de mentale progamma’s die kinderen gebruiken om problemen op te lossen.
Autobiografisch geheugen
De herinneringen van specifieke gebeurtenissen uit ons eigen leven, waarvan de nauwkeurigheid toeneemt na het 3de levensjaar.
Scripts
Algemene weergaven in het geheugen van gebeurtenissen en de volgorde waarin ze optreden.
Zone van naaste ontwikkeling (ZNO)
Volgens Lev Vygotsky het niveau waarop een kind een taak bijna, maar niet volledig zelfstandig kan uitvoeren.
Scaffolding
De ondersteuning bij leren en probleemoplossing die zelfstandigheid en groei bevordert door aan te sluiten bij wat de leerling nodig heeft.
Syntaxis
Het combineren van woorden tot zinnen; verdubbelt bij peuters elke maand op 2 à 3 jarige leeftijd.
Fast mapping
Het proces waarbij nieuwe woorden meteen aan een betekenis worden gekoppeld.
Pragmatiek
De vaardigheid om te weten wanneer en hoe je iets tegen iemand moet zeggen in een sociale context.
Autonomie versus schaamte en twijfel
Eriksons stadium voor peuters en kleuters waarin zij streven naar onafhankelijkheid.
Initiatief versus schuld
Eriksons stadium voor kleuters waarbij het oplossen van conflicten effect heeft op het zelfbeeld.
Zelfbeeld
Iemands identiteit of de opvattingen die hij of zij van zichzelf als persoon heeft.
Genderschema
Een cognitief raamwerk dat nodig is om een genderidentiteit te ontwikkelen.
Genderconstantie
Het besef dat gender stabiel blijft over de tijd, ontstaat vanaf 4 à 5 jaar.
Functioneel spel
Spelvorm die bestaat uit eenvoudige, zich herhalende activiteiten.
Constructief spel
Spelvorm waarbij kinderen objecten manipuleren om iets te produceren of te bouwen.
Parallelspel
Spelvorm waarbij kinderen naast elkaar met hetzelfde materiaal spelen zonder wezenlijke interactie.
Associatief spel
Spelvorm waarbij twee of meer kinderen interactie aangaan door materiaal uit te wisselen, hoewel ze niet hetzelfde doen.
Coöperatief spel
Spelvorm waarbij kinderen echt met elkaar spelen.
Theory of mind
De vaardigheid om aan jezelf en anderen gedachten, gevoelens en intenties toe te schrijven en op basis daarvan gedrag te anticiperen.
Autoritaire ouders
Ouders die streng en star zijn, vaak straffen, strikte gehoorzaamheid eisen en geen weerwoord accepteren.
Permissieve ouders
Ouders die vage en inconsistente feedback geven en weinig eisen of grenzen stellen.
Autoritatieve ouders
Ouders die consequent en liefdevol zijn, uitleg geven over regels en de onafhankelijkheid van het kind stimuleren.
Onverschillige ouders
Ouders die emotioneel afstandelijk zijn, weinig belangstelling tonen en afwijzend gedrag vertonen.
Moreel realisme
Piagets stadium waarin kinderen regels als vast en onveranderlijk beschouwen; inclusief concepten als immanente rechtvaardigheid.
Instrumentele agressie
Agressie gemotiveerd door de wens om een concreet doel te bereiken.
Relationele agressie
Niet-fysieke agressie die bedoeld is om een ander psychisch te kwetsen.
Concreet operationeel stadium
Piagets stadium van 7 tot 12 jaar waarin kinderen logica toepassen op concrete problemen en leren decentreren.
Reversibiliteit
Het concept dat een operatie omgedraaid kan worden, bijvoorbeeld 3+5=8 en dus 8−3=5.
Metalinguïstisch bewustzijn
Het besef van het eigen taalgebruik, wat helpt om taal te begrijpen bij onduidelijke informatie.
Intelligentiequotiënt (IQ)
Een score berekend via de formule IQ=KLML×100, waarbij ML de mentale leeftijd en KL de kalenderleeftijd is.
Verstandelijke beperking (DSM V)
Ontwikkelingsstoornis met beperkingen in verstandelijk en adaptief functioneren; IQ-scores onder 70.
Hoogbegaafheid
Gekenmerkt door een IQ>130, voorkomend bij 3 tot 5% van de bevolking.
Acceleratie
Onderwijsmethode voor hoogbegaafden waarbij zij in hun eigen tempo speciale lesprogramma's volgen.
Verrijking
Onderwijsmethode waarbij hoogbegaafde kinderen individuele activiteiten krijgen om dieper op specifieke onderwerpen in te gaan.
Pygmalion-effect
Verschijnsel waarbij de verwachtingen van autoriteitsfiguren ervoor zorgen dat een kind het verwachte gedrag daadwerkelijk gaat vertonen.
Vlijt versus minderwaardigheid
Eriksons stadium voor de schoolgaande leeftijd (6-12 jaar) gericht op de groei van competenties.
Eigenwaarde
De waardering voor het eigen ik met alle bijbehorende positieve en negatieve kenmerken.
Opwaartse sociale vergelijking
Zichzelf vergelijken met anderen die beter presteren, wat kan aanzetten tot betere prestaties maar ook negatief zelfbeeld kan veroorzaken.
Neerwaartse sociale vergelijking
Zichzelf vergelijken met anderen die minder competent zijn om het zelfbeeld te beschermen.
Formeel-operationeel stadium
Piagets stadium vanaf 12 jaar waarin het vermogen ontstaat om abstract te denken en systematisch problemen aan te pakken.
Hypotetisch-deductief redeneren
Het vermogen om vanuit een algemene theorie specifieke hypothesen af te leiden en deze te toetsen.
Systeem 1 (Kahneman & Tversky)
De 'intuïtieve piloot': snel, automatisch, moeiteloos en gebaseerd op ervaringen en emoties.
Systeem 2 (Kahneman & Tversky)
De 'rationele navigator': langzaam, bewust, inspannend en gebaseerd op logische regels.
Cognitieve biases
Systematische fouten in het denken die ontstaan door het gebruik van heuristieken (mentale shortcuts).
Imaginair publiek
Het geloof van een adolescent dat hij of zij het middelpunt van de aandacht is en dat anderen voortdurend op hem/haar letten.
Persoonlijke fabel
De overtuiging dat de eigen ervaringen uniek zijn en dat men niet onderhevig is aan de regels die voor anderen gelden.
Preconventionele moraal (Kohlberg)
Niveau waarbij morele beslissingen gebaseerd zijn op het vermijden van straf en het verkrijgen van beloningen.
Conventionele moraal (Kohlberg)
Niveau waarbij gedrag gericht is op het behagen van anderen en het behoren tot de maatschappij.
Postconventionele moraal (Kohlberg)
Niveau waarbij mensen universele morele principes hanteren die boven de wetten van de maatschappij staan.
Identity achievement
Marcia's status waarbij een adolescent zich aan een identiteit verbindt na een periode van actieve exploratie.
Identity foreclosure
Marcia's status waarbij iemand zich voortijdig aan een identiteit verbindt zonder alternatieven te onderzoeken, vaak onder invloed van anderen.
Identity diffusion
Marcia's status waarbij men verschillende identiteiten overweegt maar zich nooit verbindt, of zelfs niet over opties nadenkt.
Openlijke vorm van antisociaal gedrag (overt)
Probleemgedrag waarbij anderen direct last ondervinden, zoals roepen, pesten of vechten.
Heimelijke vorm van antisociaal gedrag (covert)
Antisociaal gedrag dat zich achter de rug van volwassenen afspeelt, zoals liegen, stelen of vernielen.
Transactioneel stressmodel (Lazarus)
Model waarbij de beoordeling van de situatie (primair en secundair) bepaalt hoe men reageert op een stressor.
Algemeen aanpassingssyndroom (Selye)
Theorie die stelt dat het lichaam stress niet langdurig kan verdragen; langdurig hoog cortisol kan schadelijk zijn.
Coping
De manier waarop iemand omgaat met stressvolle situaties; kan probleemgericht of emotiegericht zijn.