1/182
oublier
vergeten
apprécier
waarderen
crier
roepen
publier
publiceren
remercier
bedanken
vérifier
controleren
manger
eten
changer
veranderen
se changer
zich omkleden
corriger
verbeteren
déménager
verhuizen
encourager
aanmoedigen
exiger
eisen
mélanger
mengen
nager
zwemmen
neiger
(3e p. sg.) sneeuwen
partager
delen
protéger
beschermen
ranger
opruimen
plonger
duiken
voyager
reizen
commencer
beginnen
avancer
vooruitgaan
annoncer
aankondigen
déplacer
verplaatsen
effacer
wissen
lancer
gooien
menacer
bedreigen
placer
plaatsen
prononcer
uitspreken
acheter
kopen
emmener (+ personne)
(iemand) meenemen
lever
heffen
se lever
opstaan
mener
leiden
geler
vriezen
peler
pellen
peser
wegen
se promener
wandelen
appeler
roepen
s'appeler
heten
rappeler / se rappeler
herinneren / zich herinneren
jeter
werpen
rejeter
verwerpen
projeter
projecteren
appuyer
steunen
employer
gebruiken
(s')ennuyer
(zich) vervelen
essayer
proberen
(s’)essuyer
(zich) afdrogen
nettoyer
schoonmaken
payer
betalen
espérer
hopen
compléter
aanvullen, vervolledigen
exagérer
overdrijven
s’inquiéter
zich zorgen maken
préférer
verkiezen
protéger
beschermen
répéter
herhalen
posséder
bezitten
partir
vertrekken
repartir
opnieuw vertrekken
dormir
slapen
sentir
voelen, ruiken
se sentir
zich voelen
mentir
liegen
servir
(be)dienen
sortir
uitgaan
ouvrir
openen
couvrir
bedekken
découvrir
ontdekken
offrir
aanbieden, schenken
souffrir
lijden
conduire
besturen, rijden, leiden
construire
bouwen
cuire
koken, bakken, braden
détruire
vernietigen
introduire
inleiden
produire
produceren
traduire
vertalen
attendre
wachten
correspondre
overeenkomen
défendre
verdedigen
dépendre (de)
afhangen (van)
descendre
naar beneden gaan, uitstappen
(se) détendre
(zich) ontspannen
entendre
horen
perdre
verliezen
rendre
teruggeven
répondre
antwoorden
vendre
verkopen
peindre
schilderen
atteindre
bereiken
craindre
vrezen
éteindre
uitdoen, doven, blussen
plaindre
beklagen
se plaindre (de)
klagen (over)
joindre
bereiken, samenvoegen
rejoindre
zich voegen bij, inhalen
aller
gaan