Flashcards periode 3 - set 1

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/76

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 9:17 AM on 4/13/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

77 Terms

1
New cards

Wat is ontwikkelingspsychologie?

De studie van hoe mensen veranderen en zich ontwikkelen gedurende hun leven.

2
New cards

Wat zijn ontwikkelingsdomeinen?

Verschillende gebieden waarin mensen zich ontwikkelen, zoals lichaam, denken en gedrag.

3
New cards

Wat is fysieke ontwikkeling?

Ontwikkeling van het lichaam zoals hersenen, spieren, zintuigen, voeding en slaap.

4
New cards

Wat is cognitieve ontwikkeling?

Ontwikkeling van denken, leren, geheugen en probleemoplossing.

5
New cards

Wat is sociaal-emotionele ontwikkeling?

Ontwikkeling van emoties en relaties met andere mensen.

6
New cards

Wat is persoonlijkheidsontwikkeling?

Ontwikkeling van eigenschappen die iemand uniek maken.

7
New cards

Wat is de prenatale periode?

De periode van conceptie tot geboorte.

8
New cards

Wat is de babytijd?

De periode van geboorte tot 2 jaar.

9
New cards

Wat is de peuter- en kleutertijd?

De periode van 2 tot 6 jaar.

10
New cards

Wat is de schooltijd?

De periode van 6 tot 12 jaar.

11
New cards

Wat is de adolescentie?

De periode van 12 tot 20 jaar.

12
New cards

Waarom zijn leeftijdsfases sociale constructies?

Omdat ze door de maatschappij zijn bedacht en per cultuur kunnen verschillen.

13
New cards

Wat is een cohort?

Een groep mensen die in dezelfde tijd en plaats is geboren.

14
New cards

Wat zijn normatieve historische invloeden?

Belangrijke gebeurtenissen die iedereen in een tijd meemaakt (zoals oorlog of pandemie).

15
New cards

Wat zijn normatieve leeftijdsgebonden invloeden?

Gebeurtenissen die bij een bepaalde leeftijd horen (zoals puberteit).

16
New cards

Wat zijn normatieve sociaal-culturele invloeden?

Invloeden van cultuur, afkomst en sociale klasse.

17
New cards

Wat zijn niet-normatieve gebeurtenissen?

Unieke gebeurtenissen die niet iedereen meemaakt (zoals overlijden van een ouder).

18
New cards

Wat is continue ontwikkeling?

Ontwikkeling die geleidelijk verloopt (stapje voor stapje).

19
New cards

Wat is discontinue ontwikkeling?

Ontwikkeling in duidelijke stappen of fases.

20
New cards

Wat is een kritieke periode?

Een moment waarin iets moet gebeuren voor normale ontwikkeling (anders blijvende schade).

21
New cards

Wat is een gevoelige periode?

Een periode waarin leren makkelijker gaat, maar later nog kan worden ingehaald.

22
New cards

Wat is het levensloopmodel?

Het idee dat ontwikkeling het hele leven doorgaat.

23
New cards

Wat is nature?

Ontwikkeling door aanleg en genetica.

24
New cards

Wat is nurture?

Ontwikkeling door omgeving en opvoeding.

25
New cards

Wat is het biopsychosociaal model?

Ontwikkeling door combinatie van biologische, psychologische en sociale factoren.

26
New cards

Wat is het psychodynamisch perspectief?

Gedrag wordt beïnvloed door onbewuste gevoelens en conflicten.

27
New cards

Wat is het id?

Het deel van de persoonlijkheid met primitieve behoeften en driften.

28
New cards

Wat is het ego?

Het rationele deel dat rekening houdt met de werkelijkheid.

29
New cards

Wat is het superego?

Het geweten (normen en waarden).

30
New cards

Wat is fixatie?

Blijven hangen in een ontwikkelingsfase door te veel of te weinig bevrediging.

31
New cards

Wat is de theorie van Erikson?

Ontwikkeling in 8 fasen met telkens een crisis die opgelost moet worden.

32
New cards

Wat is het behavioristisch perspectief?

Gedrag wordt geleerd door omgeving en ervaringen.

33
New cards

Wat is klassieke conditionering?\n\n

Leren door het koppelen van stimuli.\n\n

34
New cards

Wat is operante conditionering?\n\n

Leren door beloning en straf.\n\n

35
New cards

Wat is sociaal-cognitieve leertheorie?\n\n

Leren door anderen te observeren en na te doen.\n\n

36
New cards

Wat is het cognitief perspectief?\n\n

Kijkt naar hoe mensen denken en informatie verwerken.\n\n

37
New cards

Wat zijn schema’s volgens Piaget?\n\n

Mentale structuren om informatie te organiseren.\n\n

38
New cards

Wat is assimilatie?\n\n

Nieuwe informatie toevoegen aan bestaande kennis.\n\n

39
New cards

Wat is accommodatie?\n\n

Bestaande kennis aanpassen aan nieuwe informatie.\n\n

40
New cards

Wat is de informatieverwerkingstheorie?\n\n

Het brein werkt als een computer (opslaan en verwerken van info).\n\n

41
New cards

Wat is cognitieve neurowetenschap?\n\n

Onderzoek naar hersenprocessen bij denken.\n\n

42
New cards

Wat is het bio-ecologisch model?\n\n

Ontwikkeling wordt beïnvloed door verschillende omgevingslagen.\n\n

43
New cards

Wat is het microsysteem?\n\n

Directe omgeving (gezin, school).\n\n

44
New cards

Wat is het mesosysteem?\n\n

Verbindingen tussen onderdelen van de directe omgeving.\n\n

45
New cards

Wat is het exosysteem?\n\n

Indirecte invloeden (zoals werk ouders).\n\n

46
New cards

Wat is het macrosysteem?\n\n

Cultuur en maatschappij.\n\n

47
New cards

Wat is het chronosysteem?\n\n

Invloed van tijd en gebeurtenissen.\n\n

48
New cards

Wat is de theorie van Vygotsky?\n\n

Ontwikkeling door sociale interactie.\n\n

49
New cards

Wat is de zone van naaste ontwikkeling?\n\n

Wat een kind kan leren met hulp.\n\n

50
New cards

Wat is scaffolding?\n\n

Ondersteuning geven bij leren.\n\n

51
New cards

Wat is een ongeconditioneerde stimulus (UCS)?\n\n

Stimulus die automatisch reactie geeft.\n\n

52
New cards

Wat is een ongeconditioneerde respons (UCR)?\n\n

Automatische reactie op UCS.\n\n

53
New cards

Wat is een neutrale stimulus (NS)?\n\n

Stimulus zonder reactie.\n\n

54
New cards

Wat is een geconditioneerde stimulus (CS)?\n\n

Aangeleerde stimulus.\n\n

55
New cards

Wat is een geconditioneerde respons (CR)?\n\n

Aangeleerde reactie.\n\n

56
New cards

Wat is verwerving (acquisitie)?\n\n

Het leren van de koppeling tussen stimuli.\n\n

57
New cards

Wat is extinctie?\n\n

Het verdwijnen van een aangeleerde reactie.\n\n

58
New cards

Wat is spontaan herstel?\n\n

Terugkeer van een reactie na rust.\n\n

59
New cards

Wat is stimulusgeneralisatie?\n\n

Reageren op vergelijkbare stimuli.\n\n

60
New cards

Wat is stimulusdiscriminatie?\n\n

Verschil leren tussen stimuli.\n\n

61
New cards

Wat is conditionering van hogere orde?\n\n

Nieuwe koppeling maken met bestaande CS.\n\n

62
New cards

Wat is operante conditionering?\n\n

Gedrag leren door gevolgen.\n\n

63
New cards

Wat is bekrachtiging?\n\n

Alles wat gedrag laat toenemen.\n\n

64
New cards

Wat is positieve bekrachtiging?\n\n

Iets leuks toevoegen → gedrag neemt toe.\n\n

65
New cards

Wat is negatieve bekrachtiging?\n\n

Iets vervelends wegnemen → gedrag neemt toe.\n\n

66
New cards

Wat is continue bekrachtiging?\n\n

Altijd belonen → snel leren.\n\n

67
New cards

Wat is intermitterende bekrachtiging?\n\n

Soms belonen → gedrag blijft langer.\n\n

68
New cards

Wat is een vast ratioschema?\n\n

Beloning na vast aantal acties.\n\n

69
New cards

Wat is een variabel ratioschema?\n\n

Beloning na onvoorspelbaar aantal acties.\n\n

70
New cards

Wat is een vast intervalschema?\n\n

Beloning na vaste tijd.\n\n

71
New cards

Wat is een variabel intervalschema?\n\n

Beloning na wisselende tijd.\n\n

72
New cards

Wat is straf?\n\n

Iets doen om gedrag te verminderen.\n\n

73
New cards

Wat is positieve straf?\n\n

Iets vervelends toevoegen → gedrag daalt.\n\n

74
New cards

Wat is negatieve straf?\n\n

Iets leuks wegnemen → gedrag daalt.\n\n

75
New cards

Waarom werkt straf vaak slecht?\n\n

Het leert geen goed gedrag, geeft angst en werkt vaak tijdelijk.\n\n

76
New cards

Wat is een nadeel van straf?\n\n

Gedrag komt vaak terug als straf stopt.\n\n

77
New cards

Waarom is bekrachtiging beter?\n\n

Het leert gewenst gedrag en werkt langer.\n\n