Franse Woordenschat en Grammatica: Objecten Beschrijven en -IR Werkwoorden

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/95

flashcard set

Earn XP

Description and Tags

Deze flashcards behandelen de vocabulaire voor het beschrijven van voorwerpen (materialen, vormen, schoolbenodigdheden), aanwijzende voornaamwoorden en de vervoeging van verschillende types werkwoorden op -IR.

Last updated 2:02 PM on 6/21/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

96 Terms

1
New cards

l'argent (m.)

het zilver

2
New cards

un bac à papier

een papierbak

3
New cards

une bague

een ring

4
New cards

un banc

een bank

5
New cards

le bois

het hout

6
New cards

un bracelet

een armband

7
New cards

une brosse

een borstel

8
New cards

un bureau

een bureau

9
New cards

un caddie

een winkelkarretje

10
New cards

un cahier

een schrift

11
New cards

une calculatrice

een rekentoestel (bijv. voor de som 2569×597522569 \times 59752)

12
New cards

un cartable

een boekentas

13
New cards

le carton

het karton

14
New cards

une cartouche

een patroon

15
New cards

un casier

een locker

16
New cards

des ciseaux (m.)

een schaar

17
New cards

un classeur

een map

18
New cards

un clavier

een toetsenbord

19
New cards

une colle

een lijm(stift)

20
New cards

un collier

een ketting

21
New cards

un compas

een passer (bijv. om een cirkel met een diameter van 3,cm3,cm te trekken)

22
New cards

une craie

een krijtje

23
New cards

un crayon

een potlood

24
New cards

le cuir

het leder

25
New cards

une culotte

een onderbroek

26
New cards

un écran

een scherm

27
New cards

un effaceur

een inktwisser

28
New cards

une équerre

een tekendriehoek

29
New cards

de l'essuie-tout (m.)

keukenpapier

30
New cards

un étui / un plumier / une trousse

een pennenzak

31
New cards

une farde

een map

32
New cards

une feuille

een blad

33
New cards

un feutre

een stift

34
New cards

un flacon

een flesje

35
New cards

un four

een oven

36
New cards

un frigo / un réfrigérateur

een frigo

37
New cards

un globe

een wereldbol

38
New cards

une gomme

een gom

39
New cards

une latte / une règle

een lat

40
New cards

un livre

een boek

41
New cards

un marqueur / un surligneur

een markeerstift

42
New cards

le métal

het metaal

43
New cards

une montre

een uurwerk

44
New cards

un mouchoir

een zakdoek

45
New cards

l'or (m.)

het goud

46
New cards

le papier

het papier

47
New cards

la plastique

het plastiek

48
New cards

une plume

een pen

49
New cards

un portable

een gsm

50
New cards

une poubelle

een vuilbak

51
New cards

une poupée

een pop

52
New cards

un produit

een product

53
New cards

un projecteur (LCD)

een projector

54
New cards

une règle

een regel / een lat (om bijv. een lijn van 22,cm22,cm te trekken)

55
New cards

une souris

een muis

56
New cards

un stylo

een stylo

57
New cards

un stylo feutre

een stift

58
New cards

un tableau

een bord

59
New cards

une tablette

een tablet

60
New cards

un tabouret

een taboeret

61
New cards

un taille-crayon

een potloodslijper

62
New cards

un tippex

een tippex (ruban correcteur)

63
New cards

une tirelire

een spaarpot

64
New cards

un toboggan

een glijbaan

65
New cards

une touche

een toets

66
New cards

le verre

het glas

67
New cards

carré.e

vierkant

68
New cards

court.e

kort

69
New cards

cylindrique

cylindrisch

70
New cards

grand.e

groot

71
New cards

gros.se

groot, dik

72
New cards

léger.légère

licht

73
New cards

lourd.e

zwaar

74
New cards

moche

lelijk

75
New cards

ovale

ovaal

76
New cards

petit.e

klein

77
New cards

quotidien.ne

dagelijks

78
New cards

rapide

snel

79
New cards

rectangulaire

rechthoekig

80
New cards

rond.e

rond

81
New cards

triangulaire

driehoekig

82
New cards

décrire

beschrijven

83
New cards

tricher

spieken

84
New cards

C'est en coton

Het is van katoen

85
New cards

Cela ressemble à …

Het lijkt op …

86
New cards

Ça sert à …

Het dient om…

87
New cards

Ça fait 20,cm20,cm de haut

Het is 20,cm20,cm hoog

88
New cards

Les adjectifs démonstratifs (SINGULIER)

ce (m), cette (f), cet (m + klinker/doffe h)

89
New cards

Les adjectifs démonstratifs (PLURIEL)

ces

90
New cards

Les pronoms démonstratifs (SINGULIER)

celui (m), celle (f)

91
New cards

Les pronoms démonstratifs (PLURIEL)

ceux (m), celles (f)

92
New cards

Verbes en -IR (Type PARTIR)

Werkwoorden eindigend op -vir, -tir, -mir (bijv. partir, dormir, sortir, mentir, sentir, servir)

93
New cards

Verbes en -IR (Type FINIR)

Regelmatige werkwoorden op -ir waarbij de stam op -iss- verschijnt in het meervoud (bijv. finir, choisir, réussir, réfléchir, remplir, grandir, réagir, rougir)

94
New cards

Verbes en -IR (Type OUVRIR)

Werkwoorden eindigend op -rir die worden vervoegd zoals werkwoorden op -er (bijv. ouvrir, découvrir, souffrir, couvrir, offrir)

95
New cards

Venir

Irregulier werkwoord op -ir: je viens, tu viens, il vient, nous venons, vous venez, ils viennent

96
New cards

Courir

Irregulier werkwoord op -ir: je cours, tu cours, il court, nous courons, vous courez, ils courent