1/95
Deze flashcards behandelen de vocabulaire voor het beschrijven van voorwerpen (materialen, vormen, schoolbenodigdheden), aanwijzende voornaamwoorden en de vervoeging van verschillende types werkwoorden op -IR.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
l'argent (m.)
het zilver
un bac à papier
een papierbak
une bague
een ring
un banc
een bank
le bois
het hout
un bracelet
een armband
une brosse
een borstel
un bureau
een bureau
un caddie
een winkelkarretje
un cahier
een schrift
une calculatrice
een rekentoestel (bijv. voor de som 2569×59752)
un cartable
een boekentas
le carton
het karton
une cartouche
een patroon
un casier
een locker
des ciseaux (m.)
een schaar
un classeur
een map
un clavier
een toetsenbord
une colle
een lijm(stift)
un collier
een ketting
un compas
een passer (bijv. om een cirkel met een diameter van 3,cm te trekken)
une craie
een krijtje
un crayon
een potlood
le cuir
het leder
une culotte
een onderbroek
un écran
een scherm
un effaceur
een inktwisser
une équerre
een tekendriehoek
de l'essuie-tout (m.)
keukenpapier
un étui / un plumier / une trousse
een pennenzak
une farde
een map
une feuille
een blad
un feutre
een stift
un flacon
een flesje
un four
een oven
un frigo / un réfrigérateur
een frigo
un globe
een wereldbol
une gomme
een gom
une latte / une règle
een lat
un livre
een boek
un marqueur / un surligneur
een markeerstift
le métal
het metaal
une montre
een uurwerk
un mouchoir
een zakdoek
l'or (m.)
het goud
le papier
het papier
la plastique
het plastiek
une plume
een pen
un portable
een gsm
une poubelle
een vuilbak
une poupée
een pop
un produit
een product
un projecteur (LCD)
een projector
une règle
een regel / een lat (om bijv. een lijn van 22,cm te trekken)
une souris
een muis
un stylo
een stylo
un stylo feutre
een stift
un tableau
een bord
une tablette
een tablet
un tabouret
een taboeret
un taille-crayon
een potloodslijper
un tippex
een tippex (ruban correcteur)
une tirelire
een spaarpot
un toboggan
een glijbaan
une touche
een toets
le verre
het glas
carré.e
vierkant
court.e
kort
cylindrique
cylindrisch
grand.e
groot
gros.se
groot, dik
léger.légère
licht
lourd.e
zwaar
moche
lelijk
ovale
ovaal
petit.e
klein
quotidien.ne
dagelijks
rapide
snel
rectangulaire
rechthoekig
rond.e
rond
triangulaire
driehoekig
décrire
beschrijven
tricher
spieken
C'est en coton
Het is van katoen
Cela ressemble à …
Het lijkt op …
Ça sert à …
Het dient om…
Ça fait 20,cm de haut
Het is 20,cm hoog
Les adjectifs démonstratifs (SINGULIER)
ce (m), cette (f), cet (m + klinker/doffe h)
Les adjectifs démonstratifs (PLURIEL)
ces
Les pronoms démonstratifs (SINGULIER)
celui (m), celle (f)
Les pronoms démonstratifs (PLURIEL)
ceux (m), celles (f)
Verbes en -IR (Type PARTIR)
Werkwoorden eindigend op -vir, -tir, -mir (bijv. partir, dormir, sortir, mentir, sentir, servir)
Verbes en -IR (Type FINIR)
Regelmatige werkwoorden op -ir waarbij de stam op -iss- verschijnt in het meervoud (bijv. finir, choisir, réussir, réfléchir, remplir, grandir, réagir, rougir)
Verbes en -IR (Type OUVRIR)
Werkwoorden eindigend op -rir die worden vervoegd zoals werkwoorden op -er (bijv. ouvrir, découvrir, souffrir, couvrir, offrir)
Venir
Irregulier werkwoord op -ir: je viens, tu viens, il vient, nous venons, vous venez, ils viennent
Courir
Irregulier werkwoord op -ir: je cours, tu cours, il court, nous courons, vous courez, ils courent