1/24
Deze flashcards dekken de kernconcepten van Bestuurskunde, inclusief de sferen van de samenleving, historische staatsmodellen, de Belgische federale en regionale structuur, en kwaliteitswaarden van goed bestuur.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Governance
De verwevenheid van verschillende combinaties van verantwoordelijkheden en rollen tussen de overheid, de markt en de civil society.
Voice
Het uitdrukken van voorkeuren voor het beleid via verkiezingen of andere signalen om aan te geven wie de staat moet besturen.
Exit
Het proces waarbij consumenten de markt verlaten door geen producten meer te kopen, of burgers verhuizen naar een andere jurisdictie.
Civil Society (Maatschappelijk middenveld)
Het geheel van door burgers opgerichte organisaties waarin zij zich verenigen op basis van vertrouwen (sociaal kapitaal).
Openbaar Bestuur
Het geheel van organisaties en activiteiten die gericht zijn op de besturing van de maatschappij.
Legaliteitsbeginsel (Rule of Law)
Het principe dat voor elk bestuursoptreden een wettige machtiging voorhanden moet zijn en er uitsluitend conform deze machtiging kan worden opgetreden.
Externaliteiten
Maatschappelijke effecten van consumptie of productie die niet in de prijs van een goed zijn verrekend.
Nachtwakersstaat
Een staatsmodel (1800-1870) gericht op slechts drie functies: territoriale integriteit, interne orde en belastingheffing.
New Public Management (NPM)
Een stroming die streeft naar betere overheidsprestaties door marktwerking en managementtechnieken uit de private sector te introduceren.
Multi-level governance
De situatie waarin het bestuur en beleid op verschillende niveaus (lokaal, regionaal, federaal, Europees) sterk met elkaar vervlochten zijn.
Path dependency (Padafhankelijkheid)
Het concept dat keuzes uit het verleden de huidige en toekomstige beslissingen en structuren sterk beïnvloeden.
Bureaucratie (volgens Weber)
De meest rationele vorm van gezagsuitoefening, gekenmerkt door continuïteit, hiërarchie, vaste regels en deskundigheid.
Legaal gezag
Een type gezag gebaseerd op het geloof in de legaliteit van een formeel normenstelsel en de bevoegdheid van aangestelde functionarissen.
Internal Verzelfstandigd Agentschap (IVA)
Een agentschap binnen de Vlaamse overheid zonder of met rechtspersoonlijkheid dat instaat voor beleidsuitvoering.
Extern Verzelfstandigd Agentschap (EVA)
Een overheidsinstelling met rechtspersoonlijkheid die uitvoeringstaken op zich neemt die een zekere autonomie vereisen.
Copernicushervorming
Een ingrijpende hervorming van de Belgische federale administratie (vanaf 1999) gericht op een moderne, burgergerichte overheid.
Dichotomie (Politiek-Administratie)
Het klassieke model dat uitgaat van een strikte scheiding tussen de politiek die het beleid bepaalt en de administratie die het uitvoert.
Inputlegitimiteit
Legitimiteit die afhangt van de mogelijkheid van burgers om hun voorkeuren gelijkwaardig in te brengen in het besluitvormingsproces.
Outputlegitimiteit
Legitimiteit die afhangt van de mate waarin het politieke systeem erin slaagt problemen van burgers effectief op te lossen.
Neocorporatisme
Een model waarbij belangrijke sociaaleconomische belangenorganisaties formeel erkend worden en een structurele rol spelen in het beleid.
Sigma-waarden
Bestuurskundige kwaliteitsmaatstaven gericht op zuinigheid, efficiëntie en effectiviteit ('scherp en doelgericht').
Theta-waarden
Bestuurskundige kwaliteitsmaatstaven gericht op integriteit, rechtvaardigheid en eerlijkheid.
Lambda-waarden
Bestuurskundige kwaliteitsmaatstaven gericht op robuustheid, veerkracht en aanpassingsvermogen.
Public Service Motivation (PSM)
Het idealistische motief van ambtenaren om zich in te zetten voor het algemeen belang en de samenleving.
Ambtelijke integriteit
Het handelen in overeenstemming met de algemeen aanvaarde waarden, normen en regels die gelden binnen de overheid.