1/47
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Neurologische inspectie
Ontkleedinstructies
Laat de noodzakelijke boven- en/of onderkleding uittrekken zodat de te onderzoeken spieren goed zichtbaar zijn.
Inspectie
• De patiënt staat (zo mogelijk), beoordeel voor- en achterzijde van de patiënt.
• Let op omvang en symmetrie van de spieren, is er sprake van atrofie?
• Let op onwillekeurige bewegingen: fasciculaties (spiertrekkingen onder huid), tremoren (trilling van lichaamsdeel), andere onwillekeurige bewegingen?
Motoriek Tonus
Tonus
• Maak een passieve beweging in de gewrichten, eerst rustig en maak daarna een snellere beweging in dezelfde richting.
• Maak ter afwisseling zijdelingse bewegingen om eventueel zelf meebewegen van patiënt tegen te gaan (hierdoor neemt de voorspelbaarheid van de bewegingsrichting af).
• Onderzoek:
o Elleboog: buig en strek in wisselend tempo, houd een vinger op de bicepspees.
o Pols: buig en strek in wisselend tempo.
Beoordeel steeds of er sprake is van symmetrie en normotonie.
Hypotonie: Afwezigheid van weerstand.
Hypertonie: Verergering van weerstand bij snelle beweging.
Spasticiteit (verhoogde spierspanning): Knipmesfenomeen waarbij de weerstand plotseling wegvalt.
Rigiditeit: Loden pijp- of tandradfenomeen.
• Specificeer een afwijkende bevinding:
o hypotonie (geen weerstand);
o hypertonie (verergering bij snelle beweging);
spasticiteit/verhoofdespierspanning (knipmesfenomeen: weerstand valt sel weg)
rigiditeit (loden pijp- of tandrad fenomeen).
Motoriek Spierkracht
Algemene aandachtspunten
• Voorkom compensatie: Let erop dat alleen de te testen spier(groep) kracht geeft. Voorkom compensatoire bewegingen en fixeer zo nodig het aangrenzende gewricht.
• Uitvoering weerstand: Laat de patiënt de spier eerst zelf aanspannen (tegen de zwaartekracht) zonder de spier maximaal te verkorten. Geef bij voorkeur met een vlakke hand weerstand (niet knijpen).
• Beheersing: Laat de patiënt maximaal spierkracht geven, maar voorkom een grote bewegingsuitslag in het gewricht.
• Vergelijking: Vergelijk steeds links en rechts en benoem de uitslag volgens de MRC-schaal.
Proef met de uitgestrekte armen
• Houding: De patiënt kan staan, zitten of liggen.
• Instructie: Laat de patiënt de armen naar voren uitstrekken met de handpalmen naar boven (supinatie). Leg uit dat de armen op gelijke hoogte gehouden moeten worden.
• Observatie: Vraag de patiënt de ogen te sluiten en observeer één minuut.
• Resultaat: De proef is positief wanneer één van de armen uitzakt, waarbij de hand proneert (latente parese).
Onderzoek per gewricht
Schouder (patiënt staand of zittend)
• Abductoren (m. deltoideus): Laat de patiënt de armen opzij gestrekt op schouderhoogte houden. Probeer beide armen omlaag te drukken.
Elleboog (patiënt staand, zittend of liggend)
• Flexoren (m. biceps brachii): Laat de patiënt de arm gebogen houden in de elleboog, met de onderarm in supinatie. Probeer de arm te strekken.
• Extensoren (m. triceps brachii): Laat de patiënt de arm enigszins gestrekt houden in de elleboog. Probeer de arm te buigen.
Pols (patiënt staand, zittend of liggend)
• Extensoren: Laat de patiënt de pols in extensie houden, met de onderarm in pronatie. Probeer de pols te buigen.
• Flexoren: Laat de patiënt de onderarm in supinatie houden, een vuist maken en de pols flecteren. Probeer de pols te strekken.
Vingers (patiënt staand, zittend of liggend)
• Flexoren: Laat de patiënt zo hard mogelijk in je uitgestrekte wijs- en middelvinger knijpen. Beoordeel de knijpkracht.
• Opponeren (m. opponens pollicis): Laat de patiënt de duim- en pinktop zo stevig mogelijk op elkaar houden. Probeer met een vinger de ontstane cirkel te doorbreken.
NB: Ook bij MRC 5 is het mogelijk de cirkel te doorbreken.
• Sluiters (mm. interossei): Laat de patiënt de vingers strekken en spreiden. Breng je vingers tussen die van de patiënt en laat deze de vingers zo krachtig mogelijk sluiten. Beoordeel de kracht.
• Extensoren: Laat de patiënt de vingers in de MCP-gewrichten in een hoek van 90° houden, met de PIP- en DIP-gewrichten gestrekt. Houd de vingers tegen en vraag de patiënt de vingers te strekken.