1/89
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Classical Hollywood (jaar)
1930-1960
Classical Hollywood (kenmerken)
“klassieke narratieve film” / “klassieke filmtaal”
klassieke verhaalstructuur
belang temporele en ruimtelijke coherentie
Classical Hollywood system
standaardisering programma
Oligopolie
zelfcensuur (production code)
Star-system
cruciale rol producer en genre
klassieke narratieve film (klassieke filmtaal)
Griffith vastgelegd (vooravond WOI)
beste studio’s in hollywood
consolidatie doorbraak geluidsfilm
standaardisering van lengte
klassieke verhaalstructuur
gebaseerd “burgerlijk realistisch theater”
verhaal rond personages (rom. hetero koppel)
oorzaak-gevolg relatie
psychologische motivatie, identificatie met kijker
temporele en ruimtelijke coherentie
continuity editing en ellipsen
onzichtbare montage
180° regel
typische opbouw scène: establishing shot, closer shots
match on action (cut in actie)
eyeline match
L’Evolution du langage cinématographique
André Bazin, 1955
Frankrijk en US: ontw. Filmtaal (laat jaren ‘30) die klassieke perfectie bereikt
Wereldwijde dominantie
Classical hollywood system
Enorme output: Elke studio 1/week
Massapubliek
Standaardisering programma
newsreel
Short
Cartoon
Double-feature: A- en B-productie
Oligopolie in Hollywood
95% filmproductie 8 studio’s
5 majors: MGM, Paramount, WB, 20th century fox, RKO
3 minors: Universal, Columbia, UA
Verticaal geïntegreerd (produceer én distrubeer én vertoon in eigen cinema)
Block booking(film kopen met grote ster? = heel pakket minder bekende films ook kopen)
blind bidding: films kopen zonder ze zelf te zien
Neergang hollywoodsysteem
Na WOII (1946 hoogtepunt), 1948
Doorbraak tv
Anti-trust wetten
McCarthyisme, Hollywood Blacklist
Production Code niet langer houdbaar
“Target audiences”
Classical Hollywood Musical (jaar)
1930-1955
Classical Hollywood Musical (kenmerken)
Nauw verbonden opkomst geluid, 1ste geluidsfilms: verfilmde broadway-opvoeringen
Importeren van broadway talent, experten in geluid en muziek
Vroege geluidsfilms
opgesloten geluidsdichte studio’s
‘Regressie’
Beperkingen geluidstechnologie (standaardsnelheid etc.)
Hollywood Musical jaren ‘30
snelle evolutie
Belangrijk genre
Escapisme tijdens depressie
Belangrijkrijkste fig.: Busby Berkeley en Fred Astaire
Busby Berkeley
leger ervaring → regisseren grote groepen
Succesvolle choreograaf broadway
1930 → Hollywood (1939 hoogtepunt)
Snapt taal van de cinema
Dansregie in functie van de camera
Vaak met regisseur Lloyd Bacon
“Berkeley girls”
Reputatie voor complexe danspatronen
Gebruik van trappen
Indrukwekkende belichting
Atletische erotiek
Incorporatie avant-garde in mainstream:
abstractie
Surrealistische, fantastische stijl
Constructivistische ritmische montages
Backstage musical
Fred Astaire
Upper class
Reeks vr RKO, met Ginger Rogers
Hetero romance, paringsdans
Acteur en choreografie en regie
Grotere integratie muziek/dans binnen verhaal
Functionele camera-stijl, ‘zelf partner in dans’
Hollywood musical jaren ‘40 en ‘50
MGM
Integrated musical, dance dramas
verdere integratie
Meer ontwikkelde personages
Jaren ‘40 technicolor
(Gene Kelly)
Arthur Freed
producer Vr MGM ‘39
Synoniem glitter en hoge kwaliteit van MGM musical
“Freed unit”, vaak zelfde crew
Frans Poëtisch realisme (jaar)
1930-1940
(Ontwikkeld laat ‘20, dominant ‘34-‘40)
Franse cinema jaren ‘20
bloeiende filmcultuur en avant-garde
Nauwe connecties AG en mainstream
1ste AG: impressionistische cinema
2de AG: cinéma pur en surrealisme
Franse cinema vroege ‘30
Economische en artistieke crisis
O.a. gevolg doorbraak geluid
Ca. 1934 nieuwe regulering industrie: productie terug op peil
Gedecentraliseerde productiestructuur
Pos. Impact:
klank → Am. daalt, stimulering locale prod.
zwak studiosysteem → vrijheid voor filmmakers
Kritische waardering Franse film
Filmstudio’s bijzonder kosmopolitisch, vaak Duitse en midden-Europese émigrés
Frans Poëtisch realisme (kenmerken)
term van criticus Georges Sadoul
Evenwicht tussen: naturalisme (invloed nat. traditie 19de E) & stilering en lyrische elmn
2 Fasen
1ste fase FPR
optimisme ingegeven door Front populaire (links volksfront) 1935-1937
Maatschappelijk optimisme → humanistische empathie
Solidariteit als thema
2de fase FPR
na 1937 pessimistische stemming Door mislukking van volksfront
aanslepend economische crisis
Fascisme, Spaanse burgeroorlog
Oorlogsdreiging
Jean Gabin: tragische held
Thema’s misdaad etc. Maar zelden geweld
Typische verhaalstructuur: Fatalisme
Ondersteunt door Mis-en-scène: grote schaduw partijen, duistere kroegen etc.
Personages:
aan de rand van de samenleving, met veel sympathie gezet in volkse context
Protagonisten confrontatie intense liefde, vaak gedoemd
anti-held (niet als type, volwaardig, volkscontext, ‘gewone’ volk
Aandacht voor realistische evocatie dagelijkse context, maar in studio gecreëerd, stilering van de realiteit, poëtische stemming
Impact FPR
belangstelling gewone mensen in dagelijkse omgeving
→ Inspiratiebron Italiaans neorealisme
Fatalisme, sombere stemming en lichtwerking
→ Am. Film noir
Belangrijkste figuren FPR
regisseurs: Jacques Feyder, Julien Duvivier, Marcel Carné, Jean Renoir, Jean Grémillon
Scenario schrijver: Jacques Prévert, Charles Spaak, Marcel Pagnol?
Jacques Prévert
veel scenario’s geschreven (Renoir, CARNÉ, Grémillon)
Dichter, connecties met surrealisme
Authentiek taalgebruik (ondanks poëtisch gehalte)
Vaak over leven Parijs
Charles Spaak
Belg, vanaf ’28 in Frankrijk
scenario’s voor Feyder, Renoir, Duvivier, Grémillon
Marcel Pagnol
volks karakter, regionalisme
Toneelschrijver, nauw betrokken bij filmadaptaties
Trilogie over volkse figuren in Marseille
Marcel Carné
vertegenwoordiger FPR
Mobiele camera, wnr statisch focus op diepte (laag standpunt, versterkt fatalisme)
Naadloze overgangen, lange takes, weinig camera standpunten
Traagheid versterkt realisme
sombere. melancholische sfeer, gevoel van noodlot/ tragische afloop
Le Quai des brumes (1938): het ‘meesterwerk’ van FPR
Jean Renoir
(Zoon van impressionistische schilder Pierre-Auguste Renoir)
Begint in stille film periode
Tijdens jaren ‘30: eigen verbeeldingswereld en eigen stijl
sociaal engagement, goedhartige toon, humanisme
Stijl nooit opzichtig, X spectaculaire effecten
Volgens sommige geen persoonlijke camerastijl (luisterende naar iedereen)
Geregeld acteur in eigen films
Voorloper neo-realisme
Rijke visuele textuur ->
Soms locatie-opnamen
Perfecte harmonie acteurs, regie, setting
Stijl gemarkeerd door plan séquence (long take, sequence shot)
Afwijken trad. découpage
Plan séquence
long take, sequence shot
niet langer achter elkaar gemonteerde korte fragmenten, maar één enkele camera-opstelling
dramatische spanning door diepte-compositie
Gebruik van verschillende plans
Gebruik van kaders in beeld
Aan de basis van deel-focus photography (Orson Welles, Greg Toland)
Toni
geen prof. Acteurs
Inspiratie It. Neo-realisme
Orson Welles (jaar)
1915-1985
Theater-experimenten in jaren ‘30
Radio: adaptatie van lit. Klassiekers (financieren Mercury theater)
1939 contract met RKO (dito)
1941 Citizen Kane
Citizen Kane
(1941)
Mijlpaal id filmgeschiedenis, stilistische veranderingen Hollywood
Complexe flashback structuur
Abrupte cuts → shock effect, abrupte, ritmische montage (Eisenstein)
Dissolves → dromerig
Gebaseerd op echte mensen
Newsreal = film in film, expressieve effecten
op vele vlakken vernieuwend:
casting van toneel (Mercury theater) (Welles zelf als Kane)
1ste vb. Film noir: realisme + expressionistische stilering
Greg Toland cameraman → deep focus photography: tegenstelling van diffuus licht van soft focus (dom. ‘3), grotere scherptediepte, voorgrond, middenvlak en achtergrond simultaan scherp
Mobiele camera (Murnau), mobiele long takes, Staging in depth, (Renoir, Ford), Barokke mise-en-scène (Von Sternberg)
Special effects: matte shots & indruk van deep focus, maar samengesteld beeld
Geluid:
soundtrack: ongeziene subtiliteit en complexiteit
Overlappen van dialogen, doorsnijden van temporele en ruimtelijke dissolves
Geluiden vervormd
Gregg Toland
Vooral Welles, Wyler, (Ford)
Deep focus dankzij technische vernieuwingen:
snellere film → hogere lichtgevoeligheid
Kleiner diafragme → grotere scherpte
Nieuwe lampen
Afstandsbediening voor scherptestelling
24mm groothoeklens: expressief gebruik van vervormingen
Deep focus (impact)
Nieuwe mogelijkheden voor mise-en scène
Impact op montage: langere takes, minder shots
Expressief gebruik (a.h.w. montage binne frame), creëeren van metaforen
Volop gebruik van diepte: low angles, plafonds, claustrofobisch effect
Film noir (jaar en kenmerken)
1940-1958
Amoreel en cynisch universum
Nachtelijke grootstad, eenzaamheid, vervreemding
Zwervende, neurotische of psychotische personages (psychoanalyse)
Subjectiviteit: Voice-over, pov
Complexe verhaalstructuren: flashbacks
Expressieve chiascuro, expressieve shot-composities
Alfred Hitchcock (jaar)
1899-1980
Filmografie: 1925-1976
‘40-‘50: klassieke Hitchcock (in ‘39 nr Hollywood) (daarna ‘late’)
Overbrugd divers periodes filmg.:
stille film → geluid (1929)
van Europa → US (1939 door Selznick)
Van klassiek → modernisme
Televisie (1955)
Hitchcock in Hollywood
Verschillende studio’s
Film als massa-entertainment
In combinatie met artistieke creativiteit en technische experimenten
Als regisseur controle over film (vanaf 1946 ook producent)
Hitchcock eerste stappen
vroege jaren ‘20
O.a. art director → blijvende interesse sets en decor
Gedraaid erin Duitse studio’s → invloed: expressionisme kammerspielfilm
Hitchcock (Thema’s en motieven)
Thema’s en motieven:
Algemene sfeer van dreiging, angst
Zwarte humor, sarcasme, galgenhumor
Geregeld narratieve ritme door reis, transport, manhunt
Beslotenheid van het huis; gothic plot (Vrouwelijke tegenhanger film noir)
Onmacht van de autoriteiten
Overdracht van schuld (christelijke iconografie)
Irreële sfeer van droom (surrealisme)
Erotische spanning, verborgen verlangens
Hitchcock objecten
Emotioneel of symbolisch geladen object
Nadrukkelijk in beeld gebracht, close-ups en pov-shots
Fetisj-object
MacGuffin
element dat plot structureert
(Bv. Begeerd voorwerp dat verhaal in gang zet zonder al te veel duiding)
Voor verdere verhaal weinig relevant
Pure cinema
beeldend vertellen, verbale info vermijden
Typisch modernistische Hitchcock vanaf ‘50
Kijken, bespieden zelf onderwerp van de film (voyeurisme, erotische dimensie van blik, pov-shots → kijker medeplichtig)
De blik construeert de fictie (personages die vermoeden hebben)
Film van Hitchcock is metafoor voor cinema of filmkijken in het algemeen
Italiaans neorealisme (jaar)
1940-1955
Italiaans neorealisme (kenmerken)
grote impact: novelle vague, ciné vérité, dogma, wereldcinema
Nauw gebonden met specifieke maatschappelijke context (alternatief realisme)
Aandacht voor gewone mensen in dagelijkse omgeving (→ geen stereotype helden)
Niet-professionele acteurs &Authentiek taalgebruik
Cinema van tijdsduur: versterkt realisme, observerende camera, objectiverende stijl ->
Beweeglijke camera; mobiele long takes
Actuele onderwerpen
Voorkeur voor mise-en-scène ipv montage: long takes, long shots
Filmen op ooghoogte, op locatie
Aandacht voor relatie tussen personages en omgeving
Cesare Zavattini
scenarist en theoreticus
Nauwe samenwerking Vittorio De Sica
Interview 1952 “Some ideas on the cinema”: a.h.w. manifest neorealisme
Grote impact op Bazin en Kracauer
Idee: film 90min over man waar niks gebeurd
André Bazin
propageert neorealisme in Fr, NR krijgt filosofische dimensie
Waardering voor onbepaaldheid, het onverklaarbare
Kijker wordt aangezet wereld aandachtig te bekijken
Betekenis eerder achteraf dan op voorhand
Vergelijkbaar met deep focus
Integriteit van tijd en ruimte behouden
Kijker gaat confrontatie met werkelijkheid aan
Roberto Rossellini
late ‘30 eerste stappen filmwereld
Oorlogstriologie: Roma città aperta (1945), Paisà (1946), Germania anno zero (1947)
Met Ingrid Bergman
→ van neorealisme naar modernisme
Enerzijds versterken neorealistische elmn: tijdsduur, long takes, belang omgeving
Anderzijds afwijken: tendens tot interiorisatie, sociale dimensie w minder belangrijk, vrouwelijke hoofdpersonages
Werk voor televisie
Vittorio De Sica
in filmwereld als tiener
Rond 1930 al populaire acteur
Loopbaan als regisseur begint vanaf 1940
Vruchtbare samenwerken met Cesare Zavattini vanaf 1942
Hitchcock (Personages)
Personages:
“wrong man”, figuur op de vlucht
Koele blondines: fetisj-actrices
Dominante moederfiguren
Gesofisticeerde misdadigers
Variaties op vorming van heteroseksueel koppel: onconventionele seksuele expressies, opmerkelijke kusscènes vgl. moordscènes
Europa jaren ‘60 en ‘70
modernistische cinema:
auteurscinema: Godard, Bergman, Pasolini
Art house cinema: naast commerciële Hollywood circuit, nieuw hoger opgeleid publiek
Verwant aan modernisme in literatuur en beeldende kunsten:
Formele complexiteit en diepgang
Meditatie op moderne conditie
Modernistische auto-reflectie
auteurscinema
regisseur:
betrokken bij productie
Vaak scenario zelf schrijven
Eigen typische stijl (specifieke mise-en-scène, camerastijl)
Presenteren zich als individuele kunstenaars (met indiv. Agenda)
Cinema die ernstiger was
Hoge artistieke ambities, op niveau trachten plaatsen met Kunst (hermetische periode)
Modernistische cinema belang Italië
bloeiende filmindustrie
Erfenis van neorealisme
Evolutie naar ‘pink neorealisme: lichtvoetige comedies met eigentijdse sociale achtergrond
Film in Italië ca. ‘50 - ‘70
Films met Totò
Spaghetti-westerns
Peplum-films
Italiaans modernisme (regisseurs/auteurs)
Visconti, Rosselini, De Sica blijven actief in ‘60 en ‘70
Federico Fellini, Michelangelo Antonioni, Pier Paolo Pasolini …
Michelangelo Antonioni
1912-2007
Einde oorlog en kort na: documentaires (omgeving en relatie met mens)
Films: 1950-1995 (oeuvre in kielzog It. Neorealisme)
Belang van Rossellini: Viaggio in Italia, Stromboli
Volwassen stijl vroege jaren ‘60 (tetralogie: L’avventura, La notte, L’Eclisse, Il deserto rosso)
vervreemding in moderne omgeving
Vrouwelijke protagonist
Strakke berekende shot-compositie (personages in landschap, tegen architectuur)
Extreme long takes
Onconventionele montage en camera-bewegingen
Pov shots zeer zeldzaam
Breken van regels: evocatie van desoriëntatie
Toeschouwer w bewust gemaakt van textuur en compositie
Motief lege stad belangrijk
Pier Paolo Pasolini
1922-1975
(Bekend auteur)
Vanaf midden ‘50 betrokken bij film
Vanaf ‘60 zelf filmmaker (1961-1975)
Humanist: aandacht menselijk individu, gewone mensen gewone omgeving, belangstelling cultuur Renaissance
Katholicisme: zelf atheïstisch, maar fascinatie
Marxisme: nadruk culturele ontvoogding, nauwelijks belang proletariaat, vooral sub-proletariaat
Psychoanalyse: Freud, primitieve mythes
Homoseksualiteit: In films weinig (1 uitzondering), verstoppen achter masker
Linguïstiek en literaire theorie: semiotiek
Neorealisme: iets van het verleden, maar grote impact → niet-prof. Acteurs, long shots
Nouvelle Vague (jaar)
Doorbraak 1958-1961
Bloeiperiode 1959-1963
Nouvelle vague (oorspong)
Nauw verwant aan Rive Gauche
Geen stilistische eenheid
Gemeenschappelijke intellectuele achtergrond
Grondige kennis filmgeschiedenis en filmcultuur
Belang van Henri Langlois (Cinémathèque française)
Belang van André Bazin- gemeenschappelijke intellectuele achtergrond
- grondige kennis van filmgeschiedenis en filmcultuur
- nouvelle vague: oorsprong in kritische teksten in Cahiers du cinéma
Nouvelle Vague (kenmerken)
Verwerping van Cinéma de papa
Fascinatie voor It. Neorealisme
Fascinatie voor Am. Cinema (vaak referenties aan Hollywood)
Belang van Jean Rouch en Ciné verité
“Politique des auteurs”
Meer persoonlijke en vrijere stijl van film-maken:
niettemin belang van genres (Hollywood)
Lagere budgetten
Jonge protagonisten in eigentijdse grootstedelijke wereld
Existentiële thema’s: aanvaarding absurditeit van bestaan
Scherpe, ironische of sarcastische toon
Improvisatorisch karakter:
geïmproviseerde dialogen
Vlugge verandering van scènes; elliptische structuur
In montage
Long takes
Gefragmenteerde stijl
Gebruik van natuurlijke locaties
Natuurlijk licht
Jean-Luc Godard (jaren)
reeks baanbrekende films ‘60
Tot 1967 nouvelle vague
(67-80 reeks militante film- en video-essays, ‘80 terug speelfilms, ‘90 speelfilms naast video- en media-kunst)
Jean-Luc Godard (nouvelle vague)
duidelijk verschillende sensibiliteit andere nouvelle vague
Meest radicale filmmakeren ‘60-‘70s
Film vaak eerder essay dan verhaal
relatie cineast-kijker belangrijker dan tss personages
Film als intellectuele reflectie
Fragmentarisch
Meer experimenteel
Brechtiaanse vervreemdingseffecten
Link met politiek: sociale problemen, verdingelijking, marxisme, vervreemding, dekolonisatie, grote conflicten
Jean-Luc Godard (maoïstische periode)
1968-1973
Samenwerking met Jean-Pierre Gorin
Focus op sociale contestatie en internationalisme
Niet-narratief: interviews, direct address tot camera
Rive Gauche
zelfde periode als Nouvelle Vague (eind ‘50 begin ‘60)
Alain Resnais, Chris Marker, Agnès Varda
Belang van documentaire (Jean Rouch en Ciné verité)
Meer sociaal en politiek bewust dan cahiers-groep
Sterker beïnvloed door literatuur en beeldende kunst (Cahiers eerder film)
Modernisme (vb modernisme in film, verwantschap lit en beeldend)
Vervagen grens documentaire en fictiefilm, psychologischer, subjectieve ervaring, open & ambigu
Agnès Varda
1928-2019
Oeuvre: speelfilms, docu’s, experimentele films, filminstallaties, foto’s
Auteur: ‘cinécriture’ (schrijven met film)
Artistieke en literaire invloeden: surrealisme, Kafka
Feministisch: vaak vrouwelijke hoofdpersonages met vrouwelijke stem
Alain Resnais
1922-2014
Sleutelfiguur Europees modernisme
Verkiest (itt nouvelle vague) werken op basis van scenario
Vaak in samenwerking met belangrijke schrijver
Trage manier van werken moet meticuleuze planning
Film als meditatie op tijd en temporaliteit
beïnvloed door filosofie van Henri Bergson
Rationele tijd van de klok vs. subjectieve, pure tijd
Essentie van leven is ‘durée’: staat heden en verleden 1
Belangrijkste thema: effect van tijd op menselijk geheugen
Persoonlijk en collectief
Narratieve conventies doorbreken: verleden, heden en toekomst in zelfde temporele en ruimtelijke laag, objectiviteit en subjectiviteit moeilijk van elkaar te onderscheiden
Specifieke stijl:
lange tracking shots: meditatieve werking, melancholisch effect
Berekende shot compositie
Ruimtelijke en temporele manipulatie
Visuele schoonheid gecombineerd met intellectuele diepte
Chris Marker
1921-2012
Nauw verbonden met documentaire en essay-film
Thema van geheugen, herinnering, geschiedenis (verband tussen herinnering en beelden)
EX: La Jétée (1961-64)
Transcendental style
term van Paul Schrader
Ozu, Dreyer, Bresson (beste vb)
Vaak om sacrale uit te drukken (niet noodzakelijk)
Meeste kunst uit religieuze context voortgesproten (itt film product van kapitalisme en industriële techniek)
Niet noodzakelijk letterlijk spiritueel of religieus, wel filosofische, morele en theologische vraagstukken
Paradoxaal realisme
realiteit van het transcendente tonen of evoceren
Aandacht voor de materialiteit van de dingen en verschijnselen
Het mystieke ligt besloten in het kleinste detail (belang close-up)
Strengheid, ascetische stijl
stijl gebaseerd op eliminatie ipv accumulatie
Voorkeur spaarzame, kale ruimte
Non-expressieve kunst (in acteren)
Zoals religieus ritueel
Vaak frontale compositie
Vaak statische camera
Robert Bresson (jaren)
1901-1999
transcendental style
Film: 1943-1983
Relatief los van grote filmindustrie
Regisseerde, produceerde en schreef alles zelf
Weinig commerieel succes
‘Notes sur le cinématographe’ - 1975
Robert Bresson (kenmerken)
ingetogen,, minimalistische, ascetische stijl
“filmen is kunst van weglaten”
Minimaal aantal beelden
Veel suggestie; off-screen geluid
Elliptische wijze van vertellen
kijker moet zelf verhaal tussen beelden construeren
Sobere strakke vormgeving:
minimalistische decors; vaak op locatie
Monochroom zwart/wit; laatste films bleke kleuren
Geen professionele acteurs, maar ‘modelles’
acteren zonder minste spoor van emotie
Citeren in plaats van uitspreken dialoog
Afwezigheid van psychologische details en motivatie
personages lijken gestuurd door het lot
Spirituele, metafysische en religieuze dimensie (soms letterlijk)
personages in geloofscrisis, Pessimisme, Verhalen over toeval en noodlot, Leven is lijden (Nihilistisch)
Motief van gevangenis of kerker
Carl Theodor Dreyer
1889-1968
Film: 1919-1964
Tussen expressionisme en transcendental style (meer late werken)
Eenvoudige verhalen
Spirituele thematiek
Hoofdpersonages: eenzame mensen die twijfelen aan hun geloof
Religieus fundamentalisme en sterke familiebanden
Sobere en minimalistische stijl
elliptische structuur
Beperkte dialogen houterig en zonder emotie
Sober decors nadrukkelijk aanwezig
Personages bewegen nauwelijks
Lange statige shots
Belang van close-ups (soms vervreemdend)
Opmerkelijke shot-compositie
picturale stijl: sterk beïnvloed door schilderkunst
Meesterlijke beheersing van het licht
Tableaux
Western (basis + oorspong)
genre met grote thematische en iconografische consistentie
Maar ook enorme flexibiliteit
Schatplichtig aan diverse precedenten
Structuur ontleend aan 19de eeuwse populaire melodramatische literatuur (deugdzame held vs. schurk die maagdelijke heldin bedreigt)
Captivity narratives
Wild weest shows (bv. Buffalo Bill, “circus”)
Visuele representatie Am. Landschap 19de eeuw
Western (geografisch)
belang van locatie → plaatsduiding in titels
Genre inherent verbonden met indrukwekkende landschappen
Belang verhouding tss personages en landschap
Dominantie van Southwest
Western = ‘mythe’ van USA
Thema van spanning tussen wildernis en civilisatie
Meeste verhalen 1865-1900 (tussen burgeroorlog en sluiten van frontier)
André Bazin over de western
- Le Western oh le cinéma américain par excellence (1953)
- Evolution du Western (1955)
eerder mythe dan historische realiteit, = idealisering ervan
Genre begaan met metafysische en morele dilemma’s (goed vs. kwaad; vrouw vaak repr. v goede)
1937-1940: culminatie, korte klassieke periode
Na WOII: ontwikkeling surwestern: “ernstige” thema’s
Robert Warshow over de western
- The Westerner (1954)
Epische weergave van morele ambiguïteit (zoals Bazin)
Maar eerder weergave van ideologisch conflict (gepaard vorming Am. Kapitalisme)
Cruciaal: strijd tss individu en gemeenschap (eerder aandacht westerner dan western)
Westernheld = tragische held (zoals gangster)(kan niet aarden in gemeenschap, individualisme dat onmogelijk is in 20ste eeuw)
Verschillen gangster: op zichzelf gewezen, wereld wapens openlijk gedragen, geweld niet opportunistisch eerder uitdrukking levenswijze en morele code
Jim Kitses over de western
- Horizons West (1969)
Synchronische en structuralistische benadering
Essentie van Am nationaal bewustzijn (tuin vs. wildernis)
Andere dualismen:
gemeenschap vs. individu
Beperking vs. vrijheid
Verandering en toekomst vs. traditie en verleden
Complexe vermenging van mythische en archetypische elementen
Will Wright over de western
Structuralistische analyse
Ook moderne samenleving nood aan mythes
Westerns: industrieel geproduceerde verhalen met mythisch materiaal
Analyse van plotstructuren: weerspiegelen verschuiving en Am samenleving
Jaren ‘20: epic western
Grote historische kader van westwaartse migratie en opening frontier
Ontsluiten van West: harde en moeilijke onderneming
Super-producties met stars; indrukwekkend gebruik locaties
Korte heropleving in vroege jaren ‘30; begin geluidsfilm
Jaren ‘30
sterke daling in productie
Verschillende oorzaken:
fascinatie moderne techniek
Fascinatie moderne metropool: gangster vervangt outlaw
Introductie geluidsfilm: vroege geluidstechniek gebonden aan studio, financiële investering te groot voor kleine studio’s
Gouden tijdperk van de B-western
sterk geformaliseerd en gestandaardiseerd
Gespecialiseerde studio’s
Populariteit van figuur singing cowboy
Met gespecialiseerde stars die met hun persona wreden geïdentificeerd
Jaren ‘40
genre wordt volwassen
Opnieuw toonaangevend A-genre
Consolidatie van mythologie
Ook complexere, meer volwassen thema’s
(Teloorgang van de onschuld)
Tendens tot psychologisering
Jaren ‘50
Belangrijk decennium voor genre, meerdere invloedrijke films
Western duidelijk bepaald door maatschappelijke gebeurtenissen (Burgerrechten beweging, indiaan als allegorie voor Afro-Am)
Wijzigende positie van vrouw in samenleving; westerns met sterke vrouwelijke protagonisten
Complexere westernhelden (wijziging van positie held t.a.v. gemeenschap; held in crisis, protagonisten met duistere kant)
Anthony Mann
- noir-elementen naar Western overgebracht
- protagonisten: moreel ambivalent, psychologisch onstabiel, geplaagd door obsessies
- dimensie van Griekse of Shakespeareaanse tragedie
- motief van reis, zoektocht, jacht: protagonist op zoek naar zichzelf
- climax: duel tussen held en nemesis in indrukwekkend leeg landschap
- Mann: “de Vergilius van the West” (Jean-Luc Godard)
Budd Boetticher
(- cyclus met Randolph Scott:
- o.a. The Tall T (1957), Comanche Station (1960), Ride Lonesome (1959))
- B-producties
- opmerkelijke kadrages in lege landschappen: modernistisch effect
- cynische figuren
- emotionaliteit van personages onderdrukt
Mann en Boetticher
tendens tot eenvoud, uitzuivering
- reductie tot archetypische en mythische elementen
Jaren ‘60
- einde van Golden Age van Western; tevens einde van Classical Hollywood
- besef dat idealen van genre niet langer geldig zijn
meer cynische benadering van West
“professional plot”- structuur (cf. Will Wright)
cynisme ook in nieuwe sub-genres:
Contemporary western
Spaghetti western
Vietnam-western
Contemporary western
vroege jaren ‘60
- realistisch beeld van eigentijdse Westen
- meditatie over einde van the West en einde van het genre van de western
- expliciete nevenschikking van traditie en moderniteit: bvb. paard vs auto
Spaghetti western
doorbraak ca 1964
- Italiaanse western maar eigenlijk vaak internationale co-producties
- verhalen vaak gesitueerd in Mexico
- evocatie van cynische en opportunistische west
- fascinatie voor geweld: ontkoppeld van elke morele context
- element van parodie: karikaturale uitvergrotingen
- geworteld in Italiaanse traditie
- invloed van opera seria; belang van muziek (Morricone)
- invloed van Italiaans modernisme: cf. Antonioni
Vietnam western (+oorzaak)
Amerikaanse cultuur jaren 1960: toenemende fascinatie voor geweld
- 1968: moord op Martin Luther King en Robert Kennedy
- 1968: hoogtepunt van Vietnamoorlog (slachting van My Lai)
- traditionele voorstelling van geweld in cinema wordt gezien als artificieel
afschaffing Motion Picture Production Code
- ‘bloedballetten’
- telelens, slow-motion, geluidseffecten
- indrukwekkende cross-cutting (invloed Kurosawa en Eisenstein)