1/45
Deze flashcards dekken de kernconcepten van milieu-economie, waterzuivering, milieumanagement (ISO 14001), atmosferische processen en bodemsanering gebaseerd op de examenvragen van deel 1 tot en met 7.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Industriële Revolutie
Een periode die begon rond 1750 waarbij door mechanisatie, steenkool en bevolkingsgroei de druk op ecosystemen sterk toenam en milieuproblemen een mondiaal karakter kregen.
Externe kost
Schadelijke effecten van productie, zoals milieuschade of gezondheidskosten, die niet worden opgenomen in de marktprijs van een product.
Vrij goed
Een goed waarvoor men niets hoeft op te offeren om het te gebruiken, zoals theoretisch zuivere lucht voor ademhaling.
Schaars goed
Een goed waarvoor middelen moeten worden opgeofferd omdat het beperkt beschikbaar en economisch waardevol is, zoals aardolie of vruchtbare bodem.
Marginale kost van vervuiling
De extra schadekost voor de huidige én toekomstige generaties veroorzaakt door één bijkomende eenheid vervuiling.
Optimale hoeveelheid pollutie
Het niveau van vervuiling waarbij de maatschappelijke kost van extra vervuiling in evenwicht is met de kost om die vervuiling te reduceren.
BBT (Best Beschikbare Technieken)
Technieken die technisch haalbaar, economisch aanvaardbaar en milieukundig het meest doeltreffend zijn om de impact op mens en milieu te beperken.
Milieuheffing
Een economisch instrument waarbij vervuiling een prijs krijgt om gedragsverandering te stimuleren en externe kosten te internaliseren.
Emissiehandel (cap-and-trade)
Een systeem waarbij de overheid een maximale totale uitstoot (cap) vastlegt en verhandelbare emissierechten verdeelt onder bedrijven.
Participatiebeginsel
Het principe dat burgers betrokken moeten worden bij de milieubesluitvorming via toegang tot informatie, inspraak en justitie.
Voorzorgsbeginsel
De regel dat men preventief moet handelen bij mogelijke ernstige milieuschade, zelfs als de schadelijke effecten nog niet volledig wetenschappelijk bewezen zijn.
Preventiebeginsel
Het principe dat milieuschade zoveel mogelijk aan de bron moet worden voorkomen in plaats van deze achteraf te proberen herstellen.
Solidariteit tussen generaties
Het kernaspect van duurzame ontwikkeling waarbij de huidige generatie hulpbronnen niet mag opgebruiken ten koste van toekomstige generaties.
COP (Coefficient of Performance)
De efficiëntie van een warmtepomp, berekend als de verhouding tussen de geleverde warmte en de verbruikte elektriciteit.
N-type halfgeleider
Een halfgeleider gedoteerd met een vijfwaardig element (zoals fosfor), waardoor er extra vrije elektronen als ladingsdragers aanwezig zijn.
P-type halfgeleider
Een halfgeleider gedoteerd met een driewaardig element (zoals boor), waardoor er positieve gaten (elektronentekorten) als ladingsdragers ontstaan.
Fotovoltaïsch effect
Het proces waarbij fotonen uit zonlicht elektronen vrijmaken in een halfgeleider, wat via een P−N overgang leidt tot een elektrische stroom.
Koolstoftrap
De eerste fase van aerobe waterzuivering waarbij bacteriën met zuurstof organische stoffen (eiwitten, vetten) afbreken tot CO2 en water.
Nitrificatietrap
De fase in de biologische zuivering waarbij ammonium of ammoniak biologisch wordt geoxideerd tot nitriet en vervolgens tot nitraat.
Zelfreinigend vermogen
Het natuurlijke vermogen van oppervlaktewater om via micro-organismen een beperkte hoeveelheid afvalstoffen af te breken.
BOD5 (Biochemisch Zuurstofverbruik)
De hoeveelheid zuurstof die bacteriën gedurende 5 dagen bij 20 °C nodig hebben om organische stoffen biologisch af te breken.
COD (Chemisch Zuurstofverbruik)
De hoeveelheid zuurstof die nodig is om de totale hoeveelheid organisch materiaal in water chemisch te oxideren.
Inwonersequivalent (IE)
De eenheid die de gemiddelde dagelijkse vuilvracht van één inwoner uitdrukt, gebruikt om de capaciteit van waterzuiveringsinstallaties te berekenen.
Retourslib
Actief slib dat na bezinking in de nabezinktank wordt teruggevoerd naar het beluchtingsbekken om voldoende bacteriën te behouden.
Biogas
Een mengsel van voornamelijk methaan (CH4) en CO2 dat ontstaat bij de anaerobe afbraak van organisch materiaal.
UASB-reactor (Upflow Anaerobic Sludge Blanket)
Een anaerobe reactor waarbij afvalwater van onder naar boven door een dichte laag korrelvormig slib stroomt.
WKK (Warmtekrachtkoppeling)
Een installatie die tegelijkertijd elektriciteit en nuttige warmte produceert uit één brandstofstroom, zoals biogas.
Eutrofiëring
De overmatige groei van algen en planten in water door een te hoge concentratie aan nutriënten zoals stikstof en fosfor.
DAF (Dissolved Air Flotation)
Een techniek waarbij kleine luchtbelletjes worden gebruikt om zwevende deeltjes of vetten naar het wateroppervlak te laten drijven.
Coagulatie
Het toevoegen van positief geladen zouten om de negatieve lading van kleine zwevende deeltjes te neutraliseren zodat ze kunnen samenklonteren.
Adsorptie
Een techniek, vaak met actief kool, waarbij vervuilende stoffen zich hechten aan het grote interne oppervlak van een vaste stof.
Vrij water
Het water dat zich tussen de slibdeeltjes bevindt en relatief eenvoudig kan worden verwijderd via bezinking of gravitaire indikking.
Slibstabilisatie
Het minder biologisch actief maken van slib (bijv. via anaerobe gisting) om geurhinder te beperken en de ontwaterbaarheid te verbeteren.
ISO 14001
De internationale standaard voor een milieumanagementsysteem gericht op continue verbetering via de PDCA-cyclus.
Milieuaspect
Een onderdeel van de activiteiten, producten of diensten van een organisatie dat in wisselwerking staat met het milieu (bijv. dieselverbruik).
Milieueffect
Elke verandering in het milieu, gunstig of ongunstig, die voortvloeit uit een milieuaspect (bijv. klimaatverandering door CO2-uitstoot).
Preventiehiërarchie
De prioriteitsvolgorde voor risicobeheersing: eerst vermijden, dan bestrijden aan de bron, vervolgens collectieve bescherming en laatst persoonlijke bescherming.
SMART
Een methode om doelstellingen te formuleren: Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdgebonden.
Ishikawa-methode
Een visgraatdiagram dat wordt gebruikt om de oorzaken van een probleem te analyseren binnen categorieën als mens, machine, materiaal en methode.
Troposfeer
De onderste laag van de atmosfeer waar zich de meeste weersverschijnselen en luchtverontreiniging voordoen.
Stratosfeer
De atmosferische laag tussen 10 en 50 km hoogte die de ozonlaag bevat en waar de temperatuur stijgt met de hoogte.
CO2-equivalent
Een maatstaf gebaseerd op de GWP (Global Warming Potential) om de klimaatimpact van verschillende broeikasgassen te vergelijken.
SCR (Selectieve Katalytische Reductie)
Een techniek waarbij ammoniak of ureum wordt gebruikt om NOx in rookgassen om te zetten in stikstofgas en water via een katalysator.
Puntbron
Een duidelijk lokaliseerbare plaats van bodemverontreiniging, zoals een lekkende tank of een lozingspunt.
Diffuse bron
Een niet-gelokaliseerde bron van verontreiniging waarbij stoffen verspreid over een groot gebied in de bodem terechtkomen, vaak via lucht of water.
In situ reiniging
Het saneren van een verontreinigde bodem ter plaatse zonder de grond af te graven, bijvoorbeeld door bodemluchtextractie of pump−and−treat.