1/20
Flashcards gebaseerd op hoofdstuk 4 over stressgerelateerde stoornissen, copingstijlen en traumatische stressstoornissen uit de 10e editie van Psychiatrie een inleiding.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Stress (psychologie)
Druk die ontstaat door de interactie tussen persoon en omgeving, beïnvloed door cognitieve evaluatie en beschikbare hulpbronnen.
Sympathisch zenuwstelsel
Onderdeel van het autonoom zenuwstelsel dat verantwoordelijk is voor actie en de vecht-vluchtreactie.
Parasympathisch zenuwstelsel
Onderdeel van het autonoom zenuwstelsel dat zorgt voor rust en herstel van het lichaam.
CRF (corticotropine releasing factor)
Hormoon dat door de hypothalamus wordt afgegeven om de hypofyse te stimuleren tijdens de stressrespons.
ACTH (adrenocorticotroop hormoon)
Hormoon dat door de hypofyse via het bloed naar de bijnieren wordt gestuurd om cortisolproductie te stimuleren.
Cortisol
Stresshormoon afgegeven door de bijnieren dat zorgt voor metabolische effecten, maar bij langdurige afscheiding immuuncellen kan beschadigen.
Algemeen aanpassingssyndroom (GAS)
Theorie van Seyle die het proces van weerstand tegen stress beschrijft in drie stadia: alarm, weerstand en uitputting.
Alarmfase (GAS)
De eerste fase van het aanpassingssyndroom bestaande uit een shockfase en een countershock waarbij de vecht-vluchtreactie wordt geactiveerd.
Weerstandsfase (GAS)
Stadium waarin het vermogen om met de stressor om te gaan piekt, vaak ten koste van het immuunsysteem.
Uitputtingsfase (GAS)
Fase waarin de hulpbronnen opraken en het organisme vatbaar wordt voor ziekte.
Problem solving (coping)
Actieve copingstijl waarbij men strategisch plant en actie onderneemt om omstandigheden te veranderen.
Helplessness (coping)
Passieve copingstijl gekenmerkt door verwarring, cognitieve uitputting en het opgeven van actieve pogingen.
Self-comforting (coping)
Actieve copingstijl gericht op zelfzorg, emotieregulatie en relaxatie.
Type I trauma
Een eenmalige, kortdurende en onverwachte levensbedreigende gebeurtenis zoals een verkeersongeluk of natuurramp.
Type II trauma
Herhaaldelijke en langdurige traumatische ervaringen zoals mishandeling of oorlog.
Acute stressstoornis
Een maladaptieve reactie die optreedt in de dagen of weken direct na een trauma, beperkt tot maximaal 1 maand.
PTSS (Posttraumatische stressstoornis)
Een persisterende maladaptieve reactie op trauma gekenmerkt door herbeleving, vermijding, negatieve cognitie en verhoogde arousal.
Amygdala (bij trauma)
Het emotiecentrum dat hyperactief wordt waardoor gevaar te snel wordt gedetecteerd, zelfs in veilige situaties.
Hippocampus (bij trauma)
Het geheugencentrum dat gedeactiveerd wordt, waardoor traumatische herinneringen fragmentarisch en tijdloos blijven.
Prefrontale Cortex (bij trauma)
Het controlecentrum voor emotieregulatie en planning dat bij trauma minder goed in staat is om de reacties van de amygdala te temperen.
EMDR (Eye Movement Desensitization and Reprocessing)
Behandelmethode voor trauma waarbij de patiënt herinneringen ophaalt terwijl er gebruik wordt gemaakt van gestuurde oogbewegingen.