1/15
Deze flashcards bevatten belangrijke termen en definities gerelateerd aan de structuur en functie van celorganellen in prokaryote en eukaryote cellen.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Prokaryote cellen
Eenvoudige cellen zonder celkern of organellen, met vrij DNA in het cytoplasma.
Eukaryote cellen
Complexere cellen met een celkern en organellen, zoals ribosomen en mitochondriën.
Ribosomen
Celorganellen verantwoordelijk voor eiwitsynthese, aanwezig in prokaryote en eukaryote cellen.
Celwand
Structuur die stevigheid verleent aan plantencellen, opgebouwd uit cellulose.
Chloroplasten
Organellen waar fotosynthese plaatsvindt, alleen aanwezig in plantencellen.
Golgi-apparaat
Opgevouwen membraan systeem verantwoordelijk voor de verpakking en transport van eiwitten.
Mitochondriën
Cellen die energie produceren door afbraak van stoffen, bekend als de energiecentrales van de cel.
Cytoskelet
Netwerk van vezelvormige eiwitten dat steun biedt aan de cel en helpt bij de beweging van organellen.
Centriolen
Structuren die alleen in dierlijke cellen voorkomen en betrokken zijn bij de celdeling.
Vacuolen
Opslagorganellen in cellen voor water en reserves, meestal groter in plantencellen.
Peroxisomen
Blaasjes in cellen die stofwisselingsafval breken, komen voor in dierlijke cellen.
Nucleus (celkern)
Bevat DNA in de vorm van chromatinedraden en is voorzien van een poreus kernmembraan.
Endoplasmatisch reticulum (ER)
Gevouwen membranensysteem rond de celkern, onderscheiden in ruw (met ribosomen) en glad (voor vetzuren).
Lysosomen
Blaasjes met afbraakenzymen die afvalstoffen in de cel afbreken.
Celorganellen
Specialiseerde structuren binnen de cel met eigen functies, zoals ribosomen en mitochondriën.
Plastiden
Organellen in plantencellen die pigmenten of zetmeel opslaan, zoals chloroplasten en leukoplasten.