3. VALSE VRIENDEN

0.0(0)
Studied by 5 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/46

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 11:11 AM on 4/23/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

47 Terms

1
New cards

afkomen/langskomen

afkomen = naar beneden komen, ergens naartoe komen, ergen weg komen
langskomen = op bezoek komen

2
New cards

al lang/allang

al lang = al een lange tijd
allang = al een lange tijd/heus

3
New cards

allicht/wellicht

allicht = (vrijwel) zeker, vanzelfsprekend
wellicht = misschien, mogelijk, mogelijkerwijs

4
New cards

college/cursus/syllabus

college = één les
cursus = hele lessenreeks
syllabus = overzicht/bundel van de leerstof

5
New cards

consummeren (ook: consommeren) - consummatie (ook: consommatie)/consumeren - consumptie

consummeren (ook: consumeren) - consummatie (ook: consommatie) = de voltrekking van het huwelijk door de coïtus
consumeren - consumptie = drankje, hapje in een café, restaurant,…

6
New cards

coup/coupe

coup = staatsgreep
coupe (is niet standaardtaal) = haardracht, schaaltje waaruit je ijs eet

7
New cards

curieus/nieuwsgierig

curieus = 1) vreemd, merkwaardig, 2) nieuwsgierig
nieuwsgierig = verlangen om iets te weten te komen

8
New cards

danken aan/wijten aan

danken aan = iets of iemand wordt gewaardeerd → altijd positief
wijten aan = iemand voor iets aanrekenen, iemand ergens verantwoordelijk voor houden → altijd negatief

9
New cards

deftig/fatsoenlijk

deftig = statig, waardig, chic/snobistisch
fatsoenlijk = net

10
New cards

doorgaan/plaatsvinden

doorgaan = wordt gebruikt als het onzeker was of is of een gebeurtenis of evenement zou of zal plaatsvinden
plaatsvinden = kan ook gebruikt worden als er sprake is van onzekerheid, de nadruk ligt dan op waar/wanneer iets plaatsvindt

11
New cards

fysisch/fysiek

fysisch = betrekking hebbend op de natuur, natuurkundig
fysiek = lichamelijk, betrekking hebbend op de stoffelijke natuur

12
New cards

gekend/bekend/geweten

gekend = weten wie of wat iemand of iets is, met iemand of iets bekend of vertrouwd zijn/iemand raadplegen, naar zijn mening vragen
bekend = beroemd, befaamd/geweten/geïdentificeerd
geweten = predicatief gebruikt als synoniem voor bekend

13
New cards

gekwetst/gewond/geblesseerd

gekwetst = psychisch verwonden/krenken, beledigen
gewond = fysiek verwonden
geblesseerd = fysiek verwond in de sport

14
New cards

het/de idee

het idee = concrete gedachte/begrip, benul/mening, opvatting/ ingeving, plan
de idee = filosofisch denkbeeld/onveranderlijk grondbeeld/het idee

15
New cards

hoelang/hoe lang

hoelang = de duur van iets
hoe lang = de lengte van iets

16
New cards

ingang/toegang/inkom

ingang = plaats waar men kan binnengaan, weg waarlangs men ergens heen kan gaan
toegang = het recht of de mogelijkheid of de prijs die voor de ingang betaald moet worden
inkom (niet zeker of het standaardtaal is) = ingang/toegang/hal/entree/toegangsprijs

17
New cards

inrichten/organiseren

inrichten = geschikt maken van een ruimte voor een bepaald doel
organiseren = het treffen van voorzieningen om een bepaalde gebeurtenis goed te laten verlopen of iets goed te laten functioneren

18
New cards

kritisch/kritiek

kritisch = beoordelend, geneigd of bekwaam tot oordelen, betrekking hebbend op (tekst)kritiek
kritiek = hachelijk, gevaarlijk, cruciaal
- in combinatie met (succes)factoren zijn zowel kritisch als kritiek gangbaar
- in de natuurkunde zijn zowel kritisch als kritiek gangbaar om uit te drukken dat iets op het punt staat over te gaan van de ene toestand naar de andere

19
New cards

leerlingen/scholieren/studenten

leerling = iemand die basisonderwijs of middelbaar onderwijs geniet
scholier = iemand die middelbaar onderwijs geniet
student = iemand die hoger onderwijs of middelbaar onderwijs (=ongebruikelijk) geniet

20
New cards

lukken/slagen/slaan

lukken = iets lukt iemand
slagen = iemand slaagt iets
slaan = iemand slaat iemand

21
New cards

de/het opzet

de opzet (= Ndl) = het op touw zetten van iets, organiseren van iets, de wijze van organiseren/bedoeling, voornemen, intentie
het opzet (=België) = het op touw zetten van iets, organiseren van iets, de wijze van organiseren/bedoeling, voornemen, intentie

22
New cards

kortelings/binnenkort

kortelings = verwijst naar situatie/handeling in het verleden
binnenkort = verwijst naar situatie/handeling in de toekomst

23
New cards

kostelijk/kostbaar

kostelijk = voortreffelijk, uitstekend, zeer nuttig
kostbaar = duur, waardevol

24
New cards

moraal/moreel

moraal = morele kracht/gevoel van zelfvertrouwen/heersende opvatting/besef van goed en kwaad
moreel = morele kracht/gevoel van zelfvertrouwen

25
New cards

tegoed/te goed

tegoed = zn;positief saldo, werkwoordelijke uitdrukking; tegoed hebben (recht hebben op iets), tegoed houden (iemand krijgt nog iets vvan je), tegoed doen (uitgebreid eten/genieten)
te goed = bn;beter dan gewenst

26
New cards

teveel/te veel

teveel = zn;overschot, overmaat
te veel = bn;meer dan gewenst

27
New cards

teneinde/ten einde

teneinde = vw;om
ten einde = tot een einde, voorbij, ook in ten einde raad

28
New cards

tenminste/ten minste

tenminste = althans, in ieder geval
ten minste = minstens, op z’n minst

29
New cards

tenslotte/ten slotte

tenslotte = per slot van rekening
ten slotte = tot slot, tot besluit

30
New cards

tweejaarlijks/halfjaarlijks/twee keer per jaar

tweejaarlijks = elke twee jaar, om de twee jaar
halfjaarlijks = twee keer per jaar

31
New cards

uitweiden/uitwijden

uitweiden = breedvoerig spreken (van onderwerp afgedwaald)
uitweiden = wijder worden, wijder maken

32
New cards

verschieten/schrikken

verschieten = st in België
schrikken = st in België en Nederland

33
New cards

weids/wijds

weids = groots, ruims
wijds = ruim, breed

34
New cards

wijten aan/wijden aan

wijten aan = toeschrijven aan, meestal voor negatieve oorzaken
wijden aan = tijd of aandacht besteden aan de officieel in gebruik nemen

35
New cards

zicht/gezicht

zicht = het zien, de mogelijkheid om te zien
gezicht = aanblik, uitzicht

36
New cards

zolang/zo lang

zolang = bw;ondertussen/vw;gedurende de tijd dat
zo lang = drukt uit in welke mate iets lang is, kan zowel slaan op ruimte als op tijd

37
New cards

zoveel/zo veel

Als de zin ook juist is wanneer ‘zo( )veel’ wordt vervangen door ‘veel’ of ‘zo weinig’ kan beide
Als dat niet mogelijk, is alleen de spelling zoveel correct

38
New cards

niet het minst/niet in het minst

niet het minst = in de eerste plaats, vooral
niet in het minst = helemaal niet, allerminst/in de eerste plaats, vooral

39
New cards

nota/notitie/notie

nota = (officieel) geschrift waarin een mededeling wordt gedaan of een standpunt wordt uiteengezet/factuur/
nota nemen/notitie nemen = kennis van iets nemen en aandacht schenken aan
notitie = aantekening
notie = begrip, idee, beeld/enige kennis, elementaire kennis

40
New cards

olie op de golven/olie op het vuur

olie op de golven = de gemoederen sussen, een conflict kalmeren
olie op het vuur = wat inhoudt dat je een situatie of ruzie juist erger maakt door iets te zeggen of iets te doen

41
New cards

onderschriften/ondertitels

onderschrift = korte tekst die onder een afbeelding of foto staat
ondertitels = tekst onderaan film-, televisie- en videobeelden met de weergave of de vertaling van wat er gezegd wordt

42
New cards

ouderdom/leeftijd

ouderdom = bij personen ‘hoge leeftijd’, bij zaken ‘de tijd dat iets bestaat’
leeftijd = de tijd dat iets bestaat

43
New cards

pijl/peil/pijler/peiler

pijl = projectiel/langwerpig gepunt teken om richting aan te geven
peil = merkteken om een bepaalde maat aan te geven/beoogd, bereikt, normaal, niveau
pijler = steunpunt, paal, pilaar
peiler = iemand die peilt (peilen = de diepte of hoogte meten, de hoeveelheid bepalen)

44
New cards

schepte/schiep

schepte = putten, ergens uit halen/verwerven, opdoen
schiep = creëren

45
New cards

stadion/stadium

stadion = sportterrein met tribunes eromheen
stadium = fase in ontwikkelingsproces

46
New cards

talrijk/talloos

talrijk = rijk in aantal
talloos = zo ontzettend veel dat het niet te tellen is

47
New cards

tekort/te kort

tekort = zn;hoeveelheid die ontbreekt, nadelig saldo
te kort = bn;korter dan gewenst