1/46
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
afkomen/langskomen
afkomen = naar beneden komen, ergens naartoe komen, ergen weg komen
langskomen = op bezoek komen
al lang/allang
al lang = al een lange tijd
allang = al een lange tijd/heus
allicht/wellicht
allicht = (vrijwel) zeker, vanzelfsprekend
wellicht = misschien, mogelijk, mogelijkerwijs
college/cursus/syllabus
college = één les
cursus = hele lessenreeks
syllabus = overzicht/bundel van de leerstof
consummeren (ook: consommeren) - consummatie (ook: consommatie)/consumeren - consumptie
consummeren (ook: consumeren) - consummatie (ook: consommatie) = de voltrekking van het huwelijk door de coïtus
consumeren - consumptie = drankje, hapje in een café, restaurant,…
coup/coupe
coup = staatsgreep
coupe (is niet standaardtaal) = haardracht, schaaltje waaruit je ijs eet
curieus/nieuwsgierig
curieus = 1) vreemd, merkwaardig, 2) nieuwsgierig
nieuwsgierig = verlangen om iets te weten te komen
danken aan/wijten aan
danken aan = iets of iemand wordt gewaardeerd → altijd positief
wijten aan = iemand voor iets aanrekenen, iemand ergens verantwoordelijk voor houden → altijd negatief
deftig/fatsoenlijk
deftig = statig, waardig, chic/snobistisch
fatsoenlijk = net
doorgaan/plaatsvinden
doorgaan = wordt gebruikt als het onzeker was of is of een gebeurtenis of evenement zou of zal plaatsvinden
plaatsvinden = kan ook gebruikt worden als er sprake is van onzekerheid, de nadruk ligt dan op waar/wanneer iets plaatsvindt
fysisch/fysiek
fysisch = betrekking hebbend op de natuur, natuurkundig
fysiek = lichamelijk, betrekking hebbend op de stoffelijke natuur
gekend/bekend/geweten
gekend = weten wie of wat iemand of iets is, met iemand of iets bekend of vertrouwd zijn/iemand raadplegen, naar zijn mening vragen
bekend = beroemd, befaamd/geweten/geïdentificeerd
geweten = predicatief gebruikt als synoniem voor bekend
gekwetst/gewond/geblesseerd
gekwetst = psychisch verwonden/krenken, beledigen
gewond = fysiek verwonden
geblesseerd = fysiek verwond in de sport
het/de idee
het idee = concrete gedachte/begrip, benul/mening, opvatting/ ingeving, plan
de idee = filosofisch denkbeeld/onveranderlijk grondbeeld/het idee
hoelang/hoe lang
hoelang = de duur van iets
hoe lang = de lengte van iets
ingang/toegang/inkom
ingang = plaats waar men kan binnengaan, weg waarlangs men ergens heen kan gaan
toegang = het recht of de mogelijkheid of de prijs die voor de ingang betaald moet worden
inkom (niet zeker of het standaardtaal is) = ingang/toegang/hal/entree/toegangsprijs
inrichten/organiseren
inrichten = geschikt maken van een ruimte voor een bepaald doel
organiseren = het treffen van voorzieningen om een bepaalde gebeurtenis goed te laten verlopen of iets goed te laten functioneren
kritisch/kritiek
kritisch = beoordelend, geneigd of bekwaam tot oordelen, betrekking hebbend op (tekst)kritiek
kritiek = hachelijk, gevaarlijk, cruciaal
- in combinatie met (succes)factoren zijn zowel kritisch als kritiek gangbaar
- in de natuurkunde zijn zowel kritisch als kritiek gangbaar om uit te drukken dat iets op het punt staat over te gaan van de ene toestand naar de andere
leerlingen/scholieren/studenten
leerling = iemand die basisonderwijs of middelbaar onderwijs geniet
scholier = iemand die middelbaar onderwijs geniet
student = iemand die hoger onderwijs of middelbaar onderwijs (=ongebruikelijk) geniet
lukken/slagen/slaan
lukken = iets lukt iemand
slagen = iemand slaagt iets
slaan = iemand slaat iemand
de/het opzet
de opzet (= Ndl) = het op touw zetten van iets, organiseren van iets, de wijze van organiseren/bedoeling, voornemen, intentie
het opzet (=België) = het op touw zetten van iets, organiseren van iets, de wijze van organiseren/bedoeling, voornemen, intentie
kortelings/binnenkort
kortelings = verwijst naar situatie/handeling in het verleden
binnenkort = verwijst naar situatie/handeling in de toekomst
kostelijk/kostbaar
kostelijk = voortreffelijk, uitstekend, zeer nuttig
kostbaar = duur, waardevol
moraal/moreel
moraal = morele kracht/gevoel van zelfvertrouwen/heersende opvatting/besef van goed en kwaad
moreel = morele kracht/gevoel van zelfvertrouwen
tegoed/te goed
tegoed = zn;positief saldo, werkwoordelijke uitdrukking; tegoed hebben (recht hebben op iets), tegoed houden (iemand krijgt nog iets vvan je), tegoed doen (uitgebreid eten/genieten)
te goed = bn;beter dan gewenst
teveel/te veel
teveel = zn;overschot, overmaat
te veel = bn;meer dan gewenst
teneinde/ten einde
teneinde = vw;om
ten einde = tot een einde, voorbij, ook in ten einde raad
tenminste/ten minste
tenminste = althans, in ieder geval
ten minste = minstens, op z’n minst
tenslotte/ten slotte
tenslotte = per slot van rekening
ten slotte = tot slot, tot besluit
tweejaarlijks/halfjaarlijks/twee keer per jaar
tweejaarlijks = elke twee jaar, om de twee jaar
halfjaarlijks = twee keer per jaar
uitweiden/uitwijden
uitweiden = breedvoerig spreken (van onderwerp afgedwaald)
uitweiden = wijder worden, wijder maken
verschieten/schrikken
verschieten = st in België
schrikken = st in België en Nederland
weids/wijds
weids = groots, ruims
wijds = ruim, breed
wijten aan/wijden aan
wijten aan = toeschrijven aan, meestal voor negatieve oorzaken
wijden aan = tijd of aandacht besteden aan de officieel in gebruik nemen
zicht/gezicht
zicht = het zien, de mogelijkheid om te zien
gezicht = aanblik, uitzicht
zolang/zo lang
zolang = bw;ondertussen/vw;gedurende de tijd dat
zo lang = drukt uit in welke mate iets lang is, kan zowel slaan op ruimte als op tijd
zoveel/zo veel
Als de zin ook juist is wanneer ‘zo( )veel’ wordt vervangen door ‘veel’ of ‘zo weinig’ kan beide
Als dat niet mogelijk, is alleen de spelling zoveel correct
niet het minst/niet in het minst
niet het minst = in de eerste plaats, vooral
niet in het minst = helemaal niet, allerminst/in de eerste plaats, vooral
nota/notitie/notie
nota = (officieel) geschrift waarin een mededeling wordt gedaan of een standpunt wordt uiteengezet/factuur/
nota nemen/notitie nemen = kennis van iets nemen en aandacht schenken aan
notitie = aantekening
notie = begrip, idee, beeld/enige kennis, elementaire kennis
olie op de golven/olie op het vuur
olie op de golven = de gemoederen sussen, een conflict kalmeren
olie op het vuur = wat inhoudt dat je een situatie of ruzie juist erger maakt door iets te zeggen of iets te doen
onderschriften/ondertitels
onderschrift = korte tekst die onder een afbeelding of foto staat
ondertitels = tekst onderaan film-, televisie- en videobeelden met de weergave of de vertaling van wat er gezegd wordt
ouderdom/leeftijd
ouderdom = bij personen ‘hoge leeftijd’, bij zaken ‘de tijd dat iets bestaat’
leeftijd = de tijd dat iets bestaat
pijl/peil/pijler/peiler
pijl = projectiel/langwerpig gepunt teken om richting aan te geven
peil = merkteken om een bepaalde maat aan te geven/beoogd, bereikt, normaal, niveau
pijler = steunpunt, paal, pilaar
peiler = iemand die peilt (peilen = de diepte of hoogte meten, de hoeveelheid bepalen)
schepte/schiep
schepte = putten, ergens uit halen/verwerven, opdoen
schiep = creëren
stadion/stadium
stadion = sportterrein met tribunes eromheen
stadium = fase in ontwikkelingsproces
talrijk/talloos
talrijk = rijk in aantal
talloos = zo ontzettend veel dat het niet te tellen is
tekort/te kort
tekort = zn;hoeveelheid die ontbreekt, nadelig saldo
te kort = bn;korter dan gewenst