1/104
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Oplossing
Een homogeen mengsel waarbij een stof (opgeloste stof) uniform verdeeld is in een andere stof (solvent)
De opgeloste stof en solvent reageren NIET met elkaar
water als solvent
een van de meest voorkomende solventen
aanwezigheid van waterstofbruggen tussen moleculen
goed solvent voor zouten, eiwit houdende dingen, plantaardige gommen
doet zetmeel en dextrin zwellen
gemakkelijk ter beschikking → CR
vorming van oplossingen
like dissolves like
polair + polair & apolair + apolair
dissociatie
ionen uit elkaar gehaald
ionisatie
ionen worden gevormd
elektrolyten
stoffen die in opgeloste of gesmolten toestand stroom geleiden
sterke elektrolyten
dissocieren/ioniseren volledig
zwakke elektrolyten
dissocieren/ioniseren deels
niet-elektrolyten
dissocieren/ioniseren niet
oplosbaarheid
de maximale hoeveelheid opgeloste stof die opgelost kan worden bij een bepaalde temperatuur
g opgeloste stof per 100g solvent
verzadigde oplossing
bevat maximale hoeveelheid opgeloste stof
oplossingsproces bij kristalijne stoffen
intermoleculaire krachten zijn gelijkaardig verdeeld
maximale waarde voor concentratie is een bepaald volume
oplossingsproces bij amorfe stoffen en harsen
intermoleculaire krachten zijn ongelijk verdeeld
oplossing wordt steeds viskeuzer tot 100% vast
wet van Henry
direct verband tussen de oplosbaarheid van een gas en de druk van het gas boven de vloeistof
concentratie
hoeveelheid opgeloste stof / hoeveelheid oplossing
massaprocent

massa volumeprocent

volumeprocent

molaire concentratie (molariteit)

verdunnen van oplossingen

3 voorwaarden om een chemische reactie te laten doorgaan
botsing
orientatie
energie
activeringsenergie Ea
minimale energie nodig om de binding tussen de atomen van reagentia te breken

reactiesnelheid
toename in concentratie van reactieproduct per tijdseenheid
afname in concentratie van een reagens per tijdseenheid

4 factoren die reactiesnelheid beinvloeden
activeringsenergie
temperatuur
concentratie van de reagentia
katalysator
aflopende reactie
alle reagentia worden omgezet in producten
reversibele reactie
niet alle reagentia wordt omgezet in producten en producten worden terug omgezet naar reagentia
verloopt in 2 richtingen → 2 reactiesnelheden
chemisch evenwicht
snelheid van de heengaande reactie is even snel als de snelheid van de teruggaande reactie

evenwichtsconstante Kc

o Numerieke waarde → eenheden afhankelijk van vergelijking (mol/L)
o Heterogeen evenwicht → reacties met verschillende fasen (s) & (g)
o Homogeen evenwicht → reacties waarbij alleen gassen betrokken zijn
Evenwicht met grote Kc

veel reactieproducten, weinig reagentia
Evenwicht met kleine Kc
veel reagentia, weinig reactieproducten

Principe Le Châtelier
o Voor een systeem in evenwicht zal door elke aangebrachte verandering het evenwicht zodanig verschuiven dat de aangebrachte verandering wordt tenietgedaan
o Systeem in evenwicht: snelheid van de heengaande reactie is gelijk aan de terugkerende reactie
o Als je iets aanpast gaat het systeem zichzelf herstellen en terug in evenwicht brengen → veranderingen zoals concentratie, volume, temperatuur, druk
o Toevoegen van een bestanddeel → evenwicht verschuift weg van het toegevoegde bestanddeel en visa versa

Effect van volume verandering
o Verandering in volume van een gasmengsel bij evenwicht → verandering van concentratie
o Volume daalt → concentratie stijgt → evenwicht verschuift naar het kleinste aantal mol (en visa versa)

Effect van temperatuursveranderingen
o Warmte beschouwen als reagens of reactieproduct
o Endotherme reactie → warmte bij reagentia
o Exotherme reactie → warmte bij reactieproducten
Effect van een katalysator
Katalysator beïnvloed de reactiesnelheid van zowel de heengaande als de teruggaande reactie → dus GEEN effect op het evenwicht
Oplosbaarheidsproduct Ksp
o In een verzadigde oplossing: ionverbinding in vaste vorm in evenwicht met opgeloste vorm (ionen)
o Oplosbaarheid/Ksp → hoeveelheid die opgelost kan worden om een verzadigde oplossing te vormen
Molaire oplosbaarheid S
Het aantal mol van de opgeloste stof dat opgelost is in 1L van de verzadigde oplossing

Zuren
stoffen die in water H+ ionen vormen
Ionen in oplossing → elektrolyten
H+ zorgt voor zure smaak, kleurverandering van blauw lakmoes in rood en corrosie van sommige metalen
Zuurrest → wat er overblijven
Naam → waterstof + naam van de zuurrest
Binair zuur à nM + ide
Ternair zuur à nM + aat (iet, per…-aat, hypo…-iet)
Basen
stoffen die in water OH- ionen vormen
ionen in oplossing → elektrolyten
OH- zorgt voor bittere smaak, kleurverandering van rood lakmoes in blauw
Naam → metaal + hydroxide
Eigenschappen zuren en basen

Brönsted-Lowry zuren en basen
· Brönsted-zuur: verbinding die H+ afgeeft → protondonor
· Brönsted-base: verbinding die H+ opneemt → protonacceptor
Amfotere reagentia (amfolieten)
verbindingen die zich zowel als protondonor als protonacceptor kunnen gedragen
sterk zuur
volledige ionisatie
zeer zwakke geconjugeerde base

zwak zuur
geen volledige ionisatie
zwakke geconjugeerde base

zeer zwak zuur
bijna geen ionisatie
sterke geconjugeerde base

Tweewaardige of diprotische zuren
Zuren die 2 H+ kunnen afsplitsen
sterke base
volledige dissociatie
zeer zwak geconjugeerd zuur

zeer zwakke base
bijna geen disscociatie → neemt bijna geen protonen op
sterk geconjugeerd zuur

zwakke base
geen volledige dissociatie
zwak geconjugeerd zuur

Ka
evenwichtsconstante bij zuur
hoe groter, hoe sterker het zuur
formule pKa
pKa = -log Ka
Kb
baseconstante
hoe groter, hoe sterker de base
kenmerken van zuren en basen

ionenproduct van water
Kw → [H3O+].[OH-]
Kw is constant bij 25°C → Kw= 1,01 × 10^-14 M²
Gebruik van Kw om [H3O+] en [OH-] in oplossing te berekenen


formule pH & pOH
pH = - log[H3O+ ]
pOH= -log[OH- ]
reacties van zuren en basen
· zuur + metaal → zout + waterstofgas
· Zuur + (bi)carbonaten → zout + water + koolstofdioxide
· Zuur + base → zout + water (neutralisatie)
titratie
Volumetrische analysemethode om de concentratie te bepalen van een oplossing.
Gekend volume van de oplossing met een ongekende concentratie reageren met een andere oplossing waarvan de concentratie en volume gekend is
zuur-base titratie
base/zuur met gekende concentratie via een buret toegevoegd aan een bepaald volume oplossing die een ongekende concentratie zuur of base bevat
Zuren met basen getitreerd (visa versa) tot dat al het zuur/base geneutraliseerd is à totdat het titreren zuur of base kwantitatief wordt omgezet tot een zout = eindpunt van de titratie
Equivalentiepunt
Punt waarop er stoichiometrisch equivalente hoeveelheden van het zuur en base aanwezig zijn
Buffer
oplossing die bestaat uit een zwak zuur en zijn geconjugeerde baseof uit een zwakke base en zijn geconjugeerde zuur
o Voorbeelden:
Acetaatbuffer à azijnzuur (Hac) en natriumacetaat (NaAc)
Ammoniumbuffer à ammoniak (NH3 ) en ammoniumchloride (NH4Cl)
Bloed: bufferoplossing die bestaat H2CO3 /NaHCO3
formule berekenen van buffer

redoxreactie
Reactie waarbij elektronen uitgewisseld worden
o Oxidatie: afgeven e-
o Reductie: opnemen van e-
oxidatiegetal OT
De landingssituatie van een element in een verbinding vergeleken met de ongebonden toestand
Oxidator en reductor
Oxidatie en reductiereacties verlopen steeds samen
De elektronen die door reductor (reductans), worden afgeven, worden door oxidator (oxidans) opgenomen

Zilveren zonnebril

Elektrolyse voor de zuivering van metalen

Elektrolyse voor de zuivering van zwembadwater


Batterij: galvanische cel


Corrosie


chemische eigenschappen van pigmenten
Onoplosbaar in het bindmiddel en gewone solventen, incl. water.
Chemisch stabiel: bestand tegen licht, lucht en/of vochtigheid.
Voldoende stabiel en inert om volledig compatibel te zijn met de andere verbindingen waarmee ze gecombineerd worden.
opdeling van pigmenten
Organische en anorganische pigmenten
organische pigmenten
komen niet vaak voor, vooral organische kleurstoffen (sepia en Brazil wood)
onderhevig aan de invloed van licht
licht + vocht = fotochemische reactie → definitieve ontkleuring (fading)
anorganische pigmenten
meestal mineralen met kristalijne structuur
gemaakt van metaaloxiden, carbonaten, sulfiden, sulfaten,…
minder aangetast door licht, maar onderhevig aan redoxreacties (versneld door licht)
eigenschappen lucht
drager van zuurstof → zorgt voor kleurverandering
drager van agressieve agentia → vocht en verontreinigde gassen
→ CO2, SO2, SO3, H2S, NOx
interactie tussen de pigmenten en bindmiddelen
chemische eigenschappen van bindmiddelen
lichtbestendig → zodat geen fotolytische of fotochemische reacties kunnen optreden (vergelingsproces)
bestand tegen milieuvervuiling & solventen
best onoplosbaar bij meeste solventen → MAAR bij CR belangrijk dat ze verwijderbaar zijn (dus dubbel)
compatibel met pigmenten → chemische reactie tussen pigmenten en bindmiddelen zorgt voor verzeping
metaalzepen (carboxylaten) gevormd aan het oppervlak van het schilderij → veranderen uit uitzicht en toestand (donkerder)
Tempera
verzamelnaam van emulsieverven
proteïnebevattende tempera & polysacharidenbevattende tempera
Proteïne bevattende tempera
dierlijke lijmen
ei
casseïne
proteïne
opgebouwd uit aminozuren, deze zijn aan elkaar gebonden met peptidebindingen (hierbij wordt H2O afgesplitst) & ze hebben een 3D structuur
chemische eigenschappen proteïnebevattende tempera
hydrofiele stoffen → beïnvloed door de pH
chemisch stabiel → wel makkelijk aangetast door enzymen (microorganisme)
fysiologisch = fragiel en gevoelig → voor omgevingsfactoren (warmte, uv, zuren en basen) hierdoor verlaging van oplosbaarheid
polysacharidenbevattende tempera
plantaardige gommen → polysachariden met amorfe structuur
zetmeel en dextrines
sachariden
verbindingen met de verhouding CmH2mOm
door polymerisatie ontstaat polysachariden → kunnen lineair of 3D zijn
chemische eigenschappen polysachariden bevattende tempera
hydrofiel → vormt gemakkelijk waterstofbruggen
gevoelig voor microorganismen
chemisch reactief → door de vele OH groepen
siccatieve oliën
oliën die uitharden tot een harde vaste film na blootstelling aan lucht
bestaan uit triglycerinen
→ esters gevormd uit glycerol en 3 verschillende vetzuren
vb. lijnolie, notenolie, papaverolie
reactieve verbindingen siccatieve oliën
hydrogenatie → door waterstof ontstaan verzadigde, stabiele en vaste organische verbindingen
oxidatie → triglyceriden worden omgezet tot geoxideerde producten met een kleinere molaire massa
oxidatie-polymerisatie → oliën worden omgezet tot vaste polymeren
droogproces van olieverf versnellen door katalysatoren, verwarmen of droogmiddelen toe te voegen
solventen
oplossend vermogen → TEAS
dipool dipool interacties
waterstofbruggen
dispersiekrachten
eigenschappen van solventen
Dampdruk of dampspanning
Verdampingssnelheid of vluchtigheid
Retentie
Oppervlaktespanning - grensvlakspanning
Wettability
Capillariteit
Surfactants
Viscositeit
Ontvlambaarheid – Flashpoint
Toxiciteit – blootstellingsduur – concentratie
Dampdruk of dampspanning
Druk uitgeoefend door een gas in evenwicht met zijn gecondenceerde fase in een gesloten systeem bij een gegeven temperatuur
moleculen aan het oppervlak van de vloeistof willen verdampen maar kunnen nergens heen → gaan terug in de oplossing
als de dampdruk van een vloeistof = omgevingsdruk → koken van vloeistof
Verdampingssnelheid of vluchtigheid
Afhankelijk van verschillende factoren. De belangrijkste zijn:
Dampdruk: hoe hoger de dampdruk, des te hoger de vluchtigheid.
Latente verdampingswarmte: dit is de energie die nodig is om een gegeven hoeveelheid vloeistof om te zetten in een gas bij een bepaalde temperatuur.
Afhankelijk van de interacties tussen de moleculen van de vloeistof en het materiaal waarop deze geabsorbeerd is
Retentie
vertraging van het verdampingsproces
Oppervlaktespanning - grensvlakspanning
Een vloeistofoppervlak heeft de neiging om te verkleinen tot het kleinst mogelijke oppervlak.
Aan de faseovergang vloeistof-lucht ontstaat dit doordat de vloeistofmoleculen meer tot elkaar aangetrokken worden (cohesie) dan tot de luchtmoleculen (adhesie)
Wettability (bevloeibaarheid)
Dit is de mogelijkheid van een vloeistof om zich te verspreiden over en contact te houden met het vaste oppervlak.
Algemeen kan gesteld worden dat hoe lager de oppervlakte- en grensvlakspanning, des te hoger de wettability.
Capillariteit
De mogelijkheid van een vloeistof om te bewegen in een nauwe capillaire buis.
Surfactants
Kan de oppervlaktespanning van een vloeistof verlagen
Het hydrofiele deel (polaire kop) blijft in het water, terwijl het hydrofobe deel (apolaire staart) uitsteekt boven de waterfase, met als gevolg een verlaging van oppervlakte- en grensvlakspanning.
bv. zeep, alkaninezouten of vetzuren
Viscositeit
De weerstand van een vloeistof tegen het vloeien.
Deze is afhankelijk van de temperatuur. Hoe hoger de temperatuur, des te lager de viscositeit, omdat de intermoleculaire krachten kleiner worden.
Ontvlambaarheid – Flashpoint
De mogelijkheid om te branden of exploderen, wanneer in contact met een ontstekingsbron.
Hoe lager de temperatuur van de lucht waarbij dit proces optreedt, des te hoger de ontvlambaarheid van de vloeistof. De laagste temperatuur waarbij er voldoende damp gevormd wordt om een ontvlambaar mengsel te vormen, is het flashpoint.
Toxiciteit – blootstellingsduur – concentratie
Solventen kunnen de gezondheid schaden afhankelijk van hun toxiciteit, concentratie en blootstellingsduur. Zo kunnen korte maar frequente blootstelling aan toxische stoffen schadelijk zijn omdat deze kunnen opstapelen in het lichaam.
SDS (safety data sheets)
- Veilig gebruik van chemicaliën
- Potentieel gevaar (blootstelling 4-6)
- Manieren van bescherming (preventie en bescherming 7-10)
- Snelle algemene informatie nodig bij incidenten en bijkomende informatie (11-16)
Hierin staan o.a. de gevarensymbolen en de P-en H-zinnen (Precautions and Hazards).
Andere solventen
Ammoniumcarbonaat en ammoniumbicarbonaat
Goed oplosbare zouten.
De gevormde oplossingen zijn licht basisch (pH= 8 à 9).
Ammoniumcarbonaat ontbindt (traag) in ammoniak, water en koolstofdioxide: (NH4)2CO3 (aq) → 2 NH3 (g) + H2O (g) + CO2 (g)
Dimethylsulfoxide
Zeer polair aprotisch organisch solvent met een hoog kookpunt
Meestal gebruikt in mengsels met estersolventen
Reactieve solventen
Basische verbindingen:
NH3 , (NH4 )2CO3, amines
Zuren:
CH3COOH, (COOH)2
Complexvormers:
Na2EDTA, Na4EDTA
Oxidantia en reductantia:
H2O2 PbO2 (s) + H2O2 (aq) + 2 H+ (aq) → Pb2+ + O2 (g) + 2 H2O (l)
Ionenuitwisselingsharsen
Kationenuitwisselingsharsen (SO3H- , CO2 - , PO3H2 - )
R-H + M+ ⇌ R-M + H+
Anionenuitwisselingsharsen (R4N+ , NHR’+ ,NR’R’’+ )
R-OH + X- ⇌ R-X + OH