1/58
Looks like no tags are added yet.
Name | Mastery | Learn | Test | Matching | Spaced | Call with Kai |
|---|
No analytics yet
Send a link to your students to track their progress
Clark (relatietypes): Mannelijke deelnemers werkten samen met een aantrekkelijke vrouw. Ze werd voorgesteld als iemand die een relatie zocht (communal) of als iemand die al een partner had en puur praktisch deelnam (uitwisselingsrelatie). Tijdens een gezamenlijke taak konden deelnemers kiezen of hun antwoorden individueel of gezamenlijk geregistreerd werden via verschillende penkleuren.
In communal relaties denken mensen meer in termen van “wij” dan in termen van individuele bijdragen.
Clark & Taraban (emoties bespreken): Deelnemers verwachtten een gesprek van 10 minuten met een vriend of een vreemde. Vervolgens rangschikten ze gespreksonderwerpen, waaronder emotionele en neutrale thema’s.
Mensen verkiezen emotionele onderwerpen veel sterker bij vrienden dan bij vreemden.
Clark & Taraban (emoties evalueren): Dezelfde relatie-manipulatie als hierboven. De vrouw uitte blijheid, verdriet, prikkelbaarheid of geen emotie. Deelnemers beoordeelden daarna hoe leuk ze haar vonden.
Emoties worden positiever beoordeeld in communal dan in uitwisselingsrelaties.
Lou: GPT-3.5 en GPT-4 simuleerden de Twenty Statements Test voor mensen uit 73 landen. Onderzoekers vergeleken de inhoud van zelfbeschrijvingen tussen individualistische en collectivistische culturen.
Collectivistische culturen beschrijven zichzelf meer via sociale relaties dan individualistische culturen.
Derks et al.: Vrouwelijke leidinggevenden bij de politie dachten terug aan een ervaring van genderdiscriminatie. Vervolgens werd gekeken hoe sterk ze zich met vrouwen identificeerden en welke reacties ze vertoonden.
Hoge genderidentificatie stimuleert collectieve actie; lage identificatie stimuleert individuele mobiliteit.
Diekman: Amerikaanse studenten beschreven hun toekomstige zelf op vlak van werk en familie. Onderzoekers vergeleken mannen en vrouwen.
Vrouwen rapporteren meer familiegerelateerde toekomstige zelven; werkgerelateerde verwachtingen verschillen weinig.
Possible Selves & delinquentie: Jongeren uit gewone scholen en instellingen voor jongeren met een crimineel verleden beschreven hun hoped-for, expected en feared selves. Onderzoekers bekeken de balans tussen gewenste en gevreesde toekomstbeelden.
Een evenwicht tussen expected en feared selves hangt samen met positiever functioneren.
Pfundmair et al.: Mensen uit collectivistische en individualistische culturen werden sociaal uitgesloten. Onderzoekers maten emotionele reacties en fysiologische stressreacties.
Collectivistische culturen ervaren sociale uitsluiting gemiddeld minder negatief.
Turkije-studie (boeren- vs herderskinderen): Kinderen bekeken cartoons waarin iemand werd uitgesloten. Ze beoordeelden hoe het slachtoffer zich voelde en maakten morele evaluaties van de situatie.
Meer sociale interdependentie gaat samen met mildere percepties van sociale uitsluiting.
Hoffman et al.: Engelstaligen en Chinees-Engelse tweetaligen lazen persoonsbeschrijvingen gebaseerd op persoonlijkheidstypes waarvoor enkel in één taal een specifiek label bestaat. Daarna vormden ze indrukken van de beschreven personen.
Beschikbare woorden en labels beïnvloeden hoe mensen personen interpreteren en onthouden.
Studie impliciete communicatie met taal: Deelnemers lazen beschrijvingen van introverte, extraverte of machiavellistische personen in verschillende situaties. Het abstractieniveau van de gebruikte taal werd gemanipuleerd.
Abstracte taal doet mensen meer focussen op de persoon; concrete taal meer op de situatie.
Rubini & Menegatti: Analyse van ongeveer 800 evaluaties van sollicitanten voor hoofddocentfuncties aan de universiteit van Bologna. Onderzocht werd hoe abstract of concreet beoordelaars schreven over mannelijke en vrouwelijke kandidaten.
Positieve info over vrouwen wordt concreter geformuleerd, negatieve info abstracter.
Keltner et al.: Adolescenten met externaliserend gedrag en goed functionerende jongeren maakten een uitdagende IQ-taak. Gezichtsuitdrukkingen van schaamte, angst en woede werden gecodeerd.
Goed functionerende jongeren tonen meer schaamte; externaliserende jongeren meer woede.
Miller: Deelnemers bekeken een video van een man die per ongeluk toiletpapier omver gooide in een supermarkt. Hij herstelde de schade wel of niet en toonde wel of geen gêne.
Gêne verhoogt sympathie, zelfs wanneer de fout niet wordt hersteld.
Trots-IAT: Deelnemers categoriseerden afbeeldingen van trots en schaamte samen met woorden die verwezen naar hoge of lage status. Reactietijden werden gemeten.
Trots wordt spontaan geassocieerd met hoge sociale status.
Bowling-studie: Mensen werden geobserveerd tijdens het bowlen. Onderzoekers vergeleken gezichtsuitdrukkingen wanneer deelnemers alleen waren versus wanneer ze naar anderen keken.
Lachen heeft een belangrijke sociale functie en verschijnt vooral in aanwezigheid van anderen.
Dovidio et al.: Man-vrouwduo’s bespraken een mannelijk, vrouwelijk of neutraal gespreksonderwerp. Onderzoekers maten non-verbaal machtsgedrag zoals spreektijd en onderbrekingen.
Non-verbaal machtsgedrag hangt af van zowel gender als context.
Boiger et al. (archiefonderzoek): Kinderboeken uit verschillende culturen werden geanalyseerd op de emoties die erin voorkomen.
Culturen verschillen in welke emoties ze benadrukken in culturele producten.
Stephens et al. (Difference Education): Eerstejaarsstudenten luisterden naar verhalen van ouderejaars waarin sociale achtergrond wel of niet expliciet werd besproken.
Het erkennen van verschillen verbetert prestaties van pioniersstudenten.
Waarde-affirmatie studie: Studenten schreven aan het begin van een vak over 2 à 3 persoonlijke waarden die voor hen belangrijk zijn.
Zelfbevestiging verbetert prestaties van studenten uit kwetsbare groepen.
Growth mindset docent-studie: Surveyonderzoek naar de mindset van docenten en de prestaties van hun studenten.
Docenten met een growth mindset verkleinen prestatiekloven en verbeteren resultaten.
Stephens et al. (welkomstbrief): Nieuwe studenten kregen een welkomstbrief met een onafhankelijke of interafhankelijke boodschap over studeren. Daarna werden prestaties gemeten.
Interafhankelijke boodschappen verhogen het gevoel van thuishoren en verbeteren prestaties.
Meta-analyse Belonging (82 studies, 2000–2018): Meta-analyse naar het belang van sense of belonging in onderwijscontexten.
Een sterk gevoel van belonging hangt robuust samen met betere onderwijsuitkomsten.
Asch (1946): Deelnemers kregen een lijst met eigenschappen van een persoon. Zes eigenschappen bleven hetzelfde, maar één centrale eigenschap werd gemanipuleerd (bv. warm vs. koud of beleefd vs. bot). Daarna moesten ze nieuwe eigenschappen aan die persoon toeschrijven op basis van het profiel.
Warmte is een centrale eigenschap die de hele persoonsindruk sterk kleurt.
Gastspreker-studie: Exact dezelfde gastspreker werd voorgesteld als een “warme” of “koude” persoon. Daarna beoordeelden deelnemers hem op verschillende domeinen.
Een warme introductie leidt tot positievere beoordelingen op meerdere domeinen.
Rosenberg (1968): Deelnemers beoordeelden ongeveer 60 paren van persoonlijkheidseigenschappen op hun verwantschap. Onderzoekers analyseerden welke dimensies spontaan terugkwamen in persoonsbeoordelingen.
Persoonsvorming steunt vooral op de dimensies warmte en competentie.
Lexicale decisietaak: Deelnemers moesten zo snel mogelijk beslissen of een stimulus een bestaand woord was. Woorden konden positief of negatief zijn en betrekking hebben op warmte of competentie. Reactietijden werden gemeten.
Negatieve warmtewoorden worden sneller herkend dan positieve; warmte krijgt prioriteit.
Phalet (1997): Kinderen uit verschillende etnische groepen beoordeelden zowel hun eigen groep als andere groepen op moraliteit/warmte en competentie. Daarnaast gaven ze aan welke eigenschappen wenselijk zijn.
Bij beoordeling van uitgroepen is warmte belangrijker; bij ingroepen competentie.
Woijciszke (1998): Deelnemers moesten iemand kiezen voor verschillende situaties (algemene positieve indruk, geheim vertellen, bemiddelaar kiezen) en aangeven welke eigenschappen hun keuze bepaalden.
De context bepaalt of warmte of competentie het zwaarst doorweegt.
Asch – Primacy-effect: Twee beschrijvingen van dezelfde persoon bevatten exact dezelfde eigenschappen, maar in omgekeerde volgorde (eerst positief dan negatief of omgekeerd).
Informatie die je eerst krijgt beïnvloedt de uiteindelijke indruk het sterkst.
Studie aantrekkelijkheid en leiderschap: Deelnemers beoordeelden aantrekkelijke en minder aantrekkelijke mannen en vrouwen voor leiderschapsrollen.
Aantrekkelijkheid beïnvloedt carrière-oordelen, maar verschillend voor mannen en vrouwen.
Compensatie-effect (Vlamingen-Walen): Deelnemers beoordeelden Vlamingen en Walen op warmte en competentie.
Een groep die lager scoort op competentie krijgt vaak hogere warmte toegeschreven.
Stereotype Content Model: Studenten beoordeelden verschillende sociale groepen op warmte en competentie. Onderzoekers bekeken ook welke emoties en gedragingen hiermee samenhingen.
Vooroordelen zijn vaak ambivalent: groepen scoren hoog op de ene dimensie en laag op de andere.
Ouder-stereotype studie: Exact hetzelfde profiel werd beoordeeld, maar de persoon was man of vrouw en had al dan niet een kind. Daarna volgden beoordelingen van warmte, competentie en geschiktheid voor promotie.
Moederschap verlaagt gepercipieerde competentie; vaderschap verhoogt vooral warmte.
Levenson/Ekman: Deelnemers moesten gezichtsuitdrukkingen maken die overeenkomen met specifieke emoties. Daarna werd nagegaan welke emotie zij ervaarden.
Er is slechts beperkte overeenkomst tussen een gezichtsuitdrukking en de ervaren emotie.
Levenson: Deelnemers maakten verschillende emotionele gezichtsuitdrukkingen en rapporteerden vervolgens wat ze voelden.
Mensen herkennen de bedoelde emotie niet beter dan kansniveau.
Gendron & Roberson: Leden van de Himba-stam en Amerikanen moesten gezichten groeperen op basis van gelijkenis in emotionele expressies.
Emoties worden cultureel verschillend geïnterpreteerd.
Wang: Amerikaanse en Chinese moeders praatten met hun driejarige kinderen over emotionele gebeurtenissen uit het verleden. Onderzoekers bekeken hoe emoties werden besproken.
Kinderen leren emoties op een cultureel specifieke manier aan.
Acevedo (meta-analyse): Meta-analyse van 25 studies naar liefde en relatietevredenheid. Onderzocht werd hoe verschillende soorten liefde (passionate love en companionate love) samenhangen met tevredenheid in korte en lange relaties.
Companionate love voorspelt vooral tevredenheid in lange relaties; passionate love vooral in korte relaties.
Gottman: Getrouwde koppels werden in een labo geobserveerd tijdens interacties. Onderzoekers codeerden positieve en negatieve emoties, kritiek, minachting, defensiviteit en andere gedragingen. Nadien werd gekeken welke koppels stabiel bleven.
Meer positiviteit voorspelt stabiele relaties; negatieve emoties voorspellen relatieproblemen.
Gable et al.: Koppels bespraken een recente positieve en een recente negatieve gebeurtenis. Daarna rapporteerden ze hoeveel begrip, bevestiging en steun ze van hun partner hadden ervaren.
Ondersteunende reacties op positieve gebeurtenissen versterken relatiekwaliteit.
Gemiddelde gezichten-studie: Onderzoekers maakten samengestelde gezichten door meerdere gezichten digitaal te middelen. Deelnemers beoordeelden vervolgens echte en gemiddelde gezichten op aantrekkelijkheid.
Gemiddelde gezichten worden aantrekkelijker gevonden dan de meeste individuele gezichten.
Festinger: Onderzocht vriendschappen in een studentenresidentie. Er werd nagegaan welke bewoners bevriend raakten en hoe hun woonplaats in het gebouw daarmee samenhing.
Fysieke nabijheid vergroot de kans op vriendschap.
Zajonc – Chinese tekens: Deelnemers kregen Chinese tekens verschillende aantallen keren te zien. Daarna moesten ze aangeven welke tekens ze aantrekkelijk vonden.
Herhaalde blootstelling verhoogt waardering (mere exposure effect).
Triangle of Love-studie: Mensen van verschillende leeftijden en relatieduren vulden vragenlijsten in over passie, intimiteit, commitment en relatietevredenheid.
Passie neemt af met leeftijd en relatieduur; intimiteit en commitment verschillen met relatiekenmerken.
Vasodoek (culturele verschillen): Onderzoeksgroepen uit verschillende universiteiten vulden vragenlijsten in over individualisme, collectivisme en relationele modellen.
Culturele oriëntaties hangen samen met verschillende relatievormen en sociale verwachtingen.
Onderhandelingsstudie met computer: Deelnemers onderhandelden via computer over de aankoop van een telefoon. De computer reageerde telkens met gestandaardiseerde biedingen maar drukte boosheid of blijdschap uit.
Boosheid tijdens onderhandelingen leidt tot meer toegevingen van de tegenpartij.
Statusclaim-studie (boosheid vs schaamte): Deelnemers bekeken een sollicitant die boos of beschaamd sprak over het verlies van een belangrijke klant. Het geslacht van de sollicitant werd gemanipuleerd.
Woede verhoogt status vooral bij mannen; schaamte werkt relatief gunstiger voor vrouwen.
Clark et al. (poppenstudie): Zwarte en witte kinderen kregen een zwarte en een witte pop te zien en moesten kiezen welke pop overeenkwam met eigenschappen zoals mooi, lelijk, goed of slecht.
Zelfs jonge kinderen nemen maatschappelijke statusverschillen over.
Byrd et al.: Replicatie van de poppenstudie van Clark met vier poppen van verschillende huidskleuren, waaronder een gemengde pop. Kinderen beoordeelden welke pop aardig, gemeen of leuk was.
Kinderen tonen minder extreme voorkeuren, maar statusverschillen blijven zichtbaar.
De Waele: Perfect meertalige personen beoordeelden emotionele reacties op liefdesverklaringen en vloeken in hun eerste taal en latere talen.
De eerste taal heeft een sterkere emotionele impact dan latere talen.
Matched-guise studie: Exact dezelfde boodschap werd uitgesproken in verschillende talen, dialecten of accenten. Deelnemers beoordeelden vervolgens de spreker.
Standaardtaal verhoogt competentie-oordelen; niet-standaardtaal verhoogt warmte-oordelen.
Wiley et al.: Mannelijke en vrouwelijke sollicitanten voor een managementfunctie gebruikten een krachtige of minder krachtige spreekstijl. Beoordelaars evalueerden prestaties en sympathie.
Krachtige spreekstijl wordt anders beoordeeld afhankelijk van gender van spreker en beoordelaar.
Ireland et al. (speeddate): Gesprekken tijdens speeddates werden opgenomen en geanalyseerd op Language Style Matching (overeenkomst in functiewoorden). Een dag later werd gevraagd of deelnemers opnieuw contact wilden.
Meer taalstijl-overeenkomst voorspelt wederzijdse interesse.
WhatsApp-relatiestudie: WhatsApp-gesprekken van koppels werden geanalyseerd op Language Style Matching. Drie maanden later werd nagegaan welke koppels nog samen waren.
Hoge Language Style Matching voorspelt relatiestabiliteit.
Ekman: Personen uit verschillende culturen bekeken foto’s van gezichtsuitdrukkingen en moesten aangeven welke emotie werd weergegeven.
Basisemoties worden boven kansniveau herkend in verschillende culturen.
Mesquita: Vergelijking van emoties en emotionele processen tussen verschillende culturen, met bijzondere aandacht voor individualistische en collectivistische samenlevingen.
Emoties verlopen en functioneren cultureel verschillend.
Allport – Contacthypothese: Onderzocht onder welke omstandigheden contact tussen groepen leidt tot minder vooroordelen. Factoren zoals samenwerking, gelijke status en institutionele steun werden bekeken.
Positief intergroepscontact vermindert vooroordelen wanneer aan bepaalde voorwaarden voldaan is.