Frans woorden 14-16

0.0(0)
Studied by 0 people
call kaiCall Kai
learnLearn
examPractice Test
spaced repetitionSpaced Repetition
heart puzzleMatch
flashcardsFlashcards
GameKnowt Play
Card Sorting

1/120

encourage image

There's no tags or description

Looks like no tags are added yet.

Last updated 10:15 AM on 4/15/26
Name
Mastery
Learn
Test
Matching
Spaced
Call with Kai

No analytics yet

Send a link to your students to track their progress

121 Terms

1
New cards

le constructeur automobile

de autofabrikant

2
New cards

une voiture

een auto

3
New cards

une voiture de location

een huurauto

4
New cards

une voiture d’occasion

een tweedehandswagen

5
New cards

une voiture de remplacement

een vervangwagen

6
New cards

une voiture d’occasion

een tweedehandswagen

7
New cards

une voiture remplacement

een vervangwagen

8
New cards

un véhicule utilitaire

een bedrijfsvoertuig

9
New cards

une voiture de fonction

een bedrijfswagen

10
New cards

une voiture autonome

een zelfrijdende auto

11
New cards

consommer

verbruiken

12
New cards

la consommation

het verbruik

13
New cards

une voiture électrique

een elektrische auto

14
New cards

une voiture hybride

een hybride auto

15
New cards

une voiture à essence

een benzineauto

16
New cards

une voiture diesel

een dieselauto

17
New cards

la zone à faibles émissions (LEZ)

de lage emissiezone

18
New cards

une traction avant/arriére

een voorwiel/achterwielaandrijving

19
New cards

une 4×4

een terreinwagen, een 4WD

20
New cards

un suv

een suv

21
New cards

un chauffeur

een bestuurder

22
New cards

la plaque d’immatriculation

de nummerplaat

23
New cards

le permis (de conduire)

het rijbewijs

24
New cards

une assurance auto

een autoverzekering

25
New cards

la carte gris

het kentekenbewijs

26
New cards

la carte verte

de groene (verzekerings) kaart

27
New cards

un concessionnaire

een concessiehouder, een erkende autodealer

28
New cards

un/une garagiste

een garagehouder (ster)

29
New cards

passer

langskomen

30
New cards

amener sa voiture

zijn auto brengen

31
New cards

récupérer sa voiture

zijn auto ophalen

32
New cards

l’entretien d’une voiture

een auto-onderhoudsbeurt

33
New cards

faire ‘entretien d’une voiture

een auto een onderhoudsbeurt geven

34
New cards

faire réviser sa voiture

een auto een chek-up laten geven

35
New cards

une révision

een controlebeurt

36
New cards

vérifier

controleren

37
New cards

réparer

herstellen

38
New cards

remplacer

vervangen

39
New cards

un centre de contrôle technique

een auto keuringsstation

40
New cards

mettre en marche

starten, aanzetten

41
New cards

démarrer

starten, wegrijden

42
New cards

la clé (de contact)

de contactsleutel

43
New cards

une clé de voiture à télécommande

een autosleutel met afstandbediening

44
New cards

couper le contact

het contact afzetten

45
New cards

arrêter?couper le moteur

de motor afzetten

46
New cards

la boîte de vitesse, la boîte de vitesse automatique

de (automatische) versnellingsbak

47
New cards

embrauer

koppelen

48
New cards

débrayer

ontkoppelen

49
New cards

l’embrayage

de koppeling

50
New cards

une vitesse

een versnelling

51
New cards

passer en quatrième vitesse

in de vierde versnelling gaan

52
New cards

changer de vitesse

schakelen

53
New cards

passer la marche arrière

in z’n achteruit schakelen

54
New cards

une voiture (à transmission) automatique

Een auto met een automatische versnellingsbak

55
New cards

rouler

rijden

56
New cards

avancer

vooruitrijden

57
New cards

reculer

achteruitrijden

58
New cards

ralentir

vertragen

59
New cards

s’arrêter

stoppen

60
New cards

accélérer

optrekken, gas geven

61
New cards

freiner

remmen

62
New cards

le frein

de rem

63
New cards

le frein à main

de handrem

64
New cards

l’ABS

het ABS (antiblokkeersysteem)

65
New cards

le volant

het stuur

66
New cards

être auvolant

achter het stuur zitten

67
New cards

conduire en voiture

rijden met een auto

68
New cards

conduire qqn quelque part

iemand ergens heen brengen/rijden

69
New cards

monter en voiture

in de auto instappen

70
New cards

tourner

afslaan

71
New cards

à gauche

links

72
New cards

à droite

rechts

73
New cards

tout droit

rechtdoor

74
New cards

un virage

een bocht

75
New cards

rater un virage

uit de bocht vliegen

76
New cards

tenir sa droite

rechts houden

77
New cards

serrer à droite

rechts aanhouden, voorsorteren

78
New cards

la voie

de rijstrook

79
New cards

dépasser

inhalen

80
New cards

faire demi-tour

omkeren

81
New cards

faire un détour

een omweg maken

82
New cards

une déviation

een omleiding

83
New cards

une chaussée déformée

een slecht wegdek

84
New cards

se garer

parkeren

85
New cards

stationner

stilstaan

86
New cards

garger un véhicule

een voertuig parkeren

87
New cards

un capteur

een sensor

88
New cards

le stationnement

het parkeren

89
New cards

stationnement interdit

verboden te parkeren

90
New cards

un bouchon/ embouteillage

een verkeersophoping / een file

91
New cards

la bande d’arrêt d’urgence

de pechstrook

92
New cards

tomber en panne

pech krijgen/ hebben

93
New cards

la panne

de pech

94
New cards

dépanner, le service de dépannage

pech verhelpen, de pechdienst

95
New cards

remorquer

slepen

96
New cards

une roue

een wiel

97
New cards

la roue de secours

het reservewiel

98
New cards

un pneu

een band

99
New cards

monter les pneus d’hiver/ d’été

de winter/ zomerbanden monteren

100
New cards

un phare

een koplamp